www.netdidned.be
Hoofdpagina
Bestuur
NDN-activiteiten
Bint
Agenda
Actuele berichten
Ideeën / reacties
Archief
Lidmaatschap
Publicaties
Koppelingen
NDN-Nieuwsbrief
 Zoek op de site van NDN:  
 Powered by freefind
 
 
 

Ideeën / reacties


Martha Nussbaum in een interview over onderwijs (9-6-2012)
U hebt een spraakmakend boek geschreven, ‘Not for profit', over wat eenzijdig economisch denken met het onderwijs doet.

‘Onderwijs mag niet alleen maar een hefboom zijn voor economische groei. Het moet veel meer doen. Het moet mensen leren hoe ze met elkaar kunnen overleggen, hoe ze beschaafd van mening kunnen verschillen, hoe ze kritisch naar de wereld kunnen kijken, hoe ze hun verbeelding kunnen laten werken. Dat zijn vaardigheden die de basis vormen voor een gezonde en stabiele democratie. We hebben een aangeboren eigenschap om de wereld te kunnen zien door de ogen van anderen. Dat maakt ons mensen. Onderwijs moet dat stimuleren. Hoe kun je anders ooit omgaan met — bijvoorbeeld — religieuze verscheidenheid?'


_________________

Index:


- Kohnstammlezing 2017: Nieuwe vormgeving van autoriteit - Paul Verhaeghe 24-3-2017
- Goed taalonderwijs biedt kansen aan alle leerlingen -
Bloggen over taal en lezen - Anneke Smits en Erna van Koeven

- Taal en leren - Ontwikkeling van een visie op theorie en praktijk - Nora Bogaert
- Het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie - Lezing Peter Debrabandere 23-2-2016
- Poëzie schrijven, poëzie lezen - ‘Tolle, lege! Tolle, lege!  Augustinus
neem dit gedicht en lees.’ - uit een vraaggesprek met Stefan Hertmans

- Duurzaam onderwijs – een schitterende blog van Kris van den Branden
- Kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk ook voor Nederlands
- Tip voor schrijvers van Hugo Claus naar Anna Enquist
- Op zoek naar de verloren tijd
- Poëziebenadering nu
- Taal in tijden van kanteling.
Het Nederlands in Vlaanderen anno 2013.
- Dirk Geeraerts januari 2014
- De status van Standaardnederlands tegenover tussentaal 14-12-13
- Nog de status van het Standaardnederlands... Bijkomend commentaar van Ludo Beheydt 14-12-13
- De heilloze onderschatting van taalonderwijs - Mia Doornaert 24-1-2013
- Dank voor dank - Leonard Nolens, Prijs der Nederlandse Letteren - 30-11-2012
- Moedertaalonderrig bevorder leerderprestasie en kulturele diversiteit - Michael le Cordeur 18-1-2011
- Grammaticale beroering op de mailinglist van de Community Nederlands van Kennisnet
* Eén zin, vier zinsdelen – maar vooral een stukje poëzie 12-15 - 3 - 2012

- Brabant taalcentrum ? - Ghislain Duchateau 24-10-2011
- Woordgebruik en onderwijs
- Debat rond de "teleurgang van het Standaardnederlands" in Vlaanderen met de essays van Barnard en de replieken
- Wat er fout is met de zorgelijkheid van Benno Barnard - Pol Cuvelier UA
- Tydbom - Stef Bos (in het Afrikaans)
- Kennis delen met zijn medeleerlingen 'Peer Assistent Learning' Leraar 24 (algemeen didactisch artikel)
- Enkele pertinente opvattingen van Ludo Beheyt over taal, cultuur, verschillen tussen Nederland en Vlaanderen en nog enkele thema's
- Ik ging daar naar een winkel
- Taalschrift
- "Nederlands, let op uw zaak!" - Jan Roukens
- Hoe maakbaar is het Nederlands - Fred Weerman



Kohnstammlezing 2017: Nieuwe vormgeving van autoriteit - Paul Verhaeghe 24-3-2017

Met autoriteit loopt er heel wat verkeerd, op school en bij ouders. Hoe komt dat, en wat eraan te doen? Paul Verhaeghe weet raad. Hoogleraar en psychoanalyticus Paul Verhaeghe schetst op treffende wijze de evolutie van autoriteit in onze samenleving: van aftakeling tot heropbouw door een nieuwe vormgeving, die samen leven en opvoeding opnieuw goed mogelijk kan maken.

Bewerkte en ingekorte versie (betaalmuur!) van zijn Kohnstammlezing in de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam (24 maart 2017)

Echt aanbevolen lectuur!!!

De volledige tekst van de Kohnstammlezing IDENTITEIT, AUTORITEIT, ONDERWIJS

De videoregistratie van de Kohnsstammlezing (duur één uur).


Omhoog

_____________________________

Goed taalonderwijs biedt kansen aan alle leerlingen -
Bloggen over taal en lezen - Anneke Smits en Erna van Koeven



Na de onderstaande inleiding over bloggen geeft het NDN u toegang tot het volledige artikel in pdf-formaat. De tekst gaat uit van de vraag: Welke mechanismen binnen scholen houden kansenongelijkheid in stand? Op grond van hun ervaringen in de praktijk en het werk aan hun blog identificeren de beide auteurs in relatie tot taalvaardigheid drie grote tendensen die doorbroken zouden moeten worden: methode-armoede, verarmende differentiatie en onjuiste verklaringen. Opbouwend suggereren zij “een wereld van mogelijkheden”: onderzoekend en ontwerpend leren binnen basisontwikkeling in basisscholen, echte onderwijsvernieuwing of leesprogramma’s e.a. gekoppeld aan wezenlijke aandacht en substantiële tijd voor lezen en het schrijven van teksten.

Bloggen over taal en lezen

Anneke Smits en Erna van Koeven bloggen met grote regelmaat over het taalonderwijs in Nederland. Hun blog over taal- en leesonderwijs www.geletterdheidenschoolsucces.blogspot.nl  is al meer dan 150.000 keer bezocht. Smits en van Koeven doen inspiratie op in hun werk als lerarenopleider, schoolbegeleider, onderwijsontwikkelaar en onderzoeker aan de Hogeschool Windesheim. De blogs ontstaan bijna altijd uit reële praktijkdilemma’s waarmee ze op scholen geconfronteerd worden. Met de opgedane indrukken duiken de blogsters de onderzoeksliteratuur in op zoek naar onderzoeksevidentie die essentieel is voor hun blogs. Lezers kunnen de gevonden onderzoekspublicaties nalezen via links in de blogbijdrages. Smits en Van der Koeven schuwen de controverse niet. Zo hebben de blogs titels als: ‘Oneigenlijk gebruik van de DMT (red. de drieminutentoets) door de onderwijsinspectie’ of ‘Woordenschatonderwijs bestaat niet’. Voor dit nummer van Tijdschrift Taal schrijven de blogsters een artikel over recent taal- en leesonderzoek met een vertaalslag naar de praktijk: Goed taalonderwijs biedt kansen aan alle leerlingen. (in: Tijdschrift Taal, jaargang 7, nummer 11 pp. 34- 39)

Het is duidelijk dat er in het onderwijsveld behoefte is aan de informatie in de blog. Het lezerspubliek bestaat uit leraren, lerarenopleiders, lerarenbegeleiders, bibliothecarissen, logopedisten en studenten aan lerarenoplei­dingen. Voor die laatste groep voorziet de blog vooral in een behoefte bij het vormgeven van praktijkgericht onderzoek. In de praktijk worden de blogbijdragen vaak gebruikt om te bespreken in schoolteams als start van een studiedag. Het succes van de blog is te danken aan het feit dat onderzoeksevidentie wordt gekaderd en bespro­ken vanuit het perspectief van goed taal- en leesonderwijs. Voor leraren is het in de dagelijkse hectiek niet eenvoudig zelf alle ontwikkelingen op het gebied van taal en lezen bij te houden en onderzoekspublicaties te interpreteren.

Er is veel onderzoek gedaan naar het gebruik van blogs als didactische tool in het onderwijs. Blogs voor leerlingen en studenten kunnen op allerlei manieren worden ingezet. Daarnaast is bekend dat leraren zelf dikwijls bloggen over hun erva­ringen in de klas en dat door onderwijsexperts op grote schaal educatieve blogs worden geschreven van wisselende kwaliteit (Clyde, 2005). Er zijn nog weinig op praktijkdilemma’s gebaseerde en door lerarenopleiders geschreven blogs die verbonden zijn met onderzoeksevidentie en bestemd voor het gebruik in het onderwijs aan (toekomstige) leraren. Uit reacties van onze lezers blijkt dat dit type blogs de kloof tussen onderzoek en praktijk kan dichten, stellen de beide blogsters. Ze kunnen leiden tot interactie over onderzoek tussen studenten en hun begeleiders in het scholenveld of op opleidingen. Ook kunnen ze helpen om het onderzoek dat in lectoraten in het hbo wordt uitgevoerd, naar buiten te brengen.

Naar de volledige tekst van ‘Goed taalonderwijs biedt kansen aan alle leerlingen


Omhoog

_____________________________


Taal en leren
- Ontwikkeling van een visie op theorie en praktijk - Nora Bogaert (bestuurslid NDN)

In de hier voorliggende tekst schetst Nora Bogaert een beeld van de werking die het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO) van de KU Leuven in de periode 1991-2012, de periode toen zij zelf werkzaam was bij het centrum, opzette ten behoeve van de ontwikkeling van academische taalcompetenties in het secundair onderwijs.
De tekst bestaat uit de volgende drie delen:

Deel 1: Leren en Taal, waarin zij de essentie van cognitief-academisch ‘discourse’ en van de cognitief-academische taalcompetentie(s) nader bepaalt;

Deel 2: Cognitief-Academische Taal en Didactiek, waarin zij de visie van het CTO uiteenzet met betrekking tot succesvolle ontwikkeling van cognitief-academische taalcompetentie(s) in het onderwijs, enerzijds in het vakgebied taal en anderzijds in de niet-taal vakken;

Deel 3: Beleidvoering voor de ontwikkeling van de Cognitief-Academische Taalcompetentie(s), waarin zij de visie van het CTO op succesvolle implementatie van innovatiepraktijken preciseert.

De auteur, die bestuurslid is van het Netwerk Didactiek Nederlands, stelt de tekst vrij ter publicatie ter beschikking.

Klik door naar de tekst

Omhoog

_____________________________

Het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie - Lezing Peter Debrabandere 23-2-2016

Peter Debrabandere geeft duidelijk zijn standpunt weer tegenover het thema in de titel van zijn lezing.

‘Natuurlijk moet het Nederlands ook een zekere inbreng van de Vlamingen accepteren. Dat is op dit ogenblik overigens al op een aantal punten een vanzelfsprekendheid.

 - Er is een eigen Belgisch-Nederlandse uitspraaknorm, die niemand ter discussie stelt, met bijvoorbeeld politie uitgesproken als polisie i.p.v. politsie en met de bilabiale w in plaats van de labiodentale w.
 - Allerlei institutionele termen worden uiteraard als Belgisch-Nederlandse standaardtaal aanvaard: gouverneur, provincieraad, indexsprong, onroerende voorheffing enzovoort.
- En er zijn ook categorieën van woorden en uitdrukkingen die vroeger door de taalzuivering afgekeurd werden, louter omdat ze in Nederland onbekend waren, terwijl ze om verschillende redenen net zo goed als acceptabel Belgisch-Nederlands gezien hadden kunnen worden: op een boogscheut afstand van, van hetzelfde laken een broek, pechstrook, dovemansgesprek, papegaaienwerk, halfopen bebouwing, krantenwinkel

Ik pleit voor acceptatie van dat soort Belgisch-Nederlands, maar niet voor acceptatie van allerlei grammaticale en lexicale elementen waarvoor alternatieven bestaan in de zogenaamde standaardtaal in het hele taalgebied. Variatie is uiteraard  normaal, maar je moet het beperkt houden, als je wilt dat het Nederlands één taal blijft.’ …

Met dat laatste ben ik een beetje afgedwaald van het onderwerp: het Nederlands als eenheidstaal met interne variatie. Ik kom er nu op terug. Mijn boodschap is duidelijk, denk ik. Ik denk dat we moeten blijven ijveren voor het Nederlands als eenheidstaal, zonder bang te zijn van enige variatie, maar ook zonder streven naar steeds meer variatie, zonder streven naar een steeds verder van het algemene Nederlands afdwalende Belgische variant.’

Lees de hele tekst van zijn lezing


Omhoog

_____________________________

Poëzie schrijven, poëzie lezen - ‘Tolle, lege! Tolle, lege!  Augustinus
neem dit gedicht en lees.’ - uit een vraaggesprek met Stefan Hertmans

Dichter: “Pak het schrijven aan van het gedicht”
Lezer: “Pak het lezen aan van dat gedicht”

“Iets opentrekken in je eigen donkerste binnenste – een gesprek met Stefan Hertmans”
KOEN VAN BAELEN




Het staat in de Poëziekrant Jaargang 40 nr. 1 van februari-maart 2016 blz. 4-10.
Het interview verscheen naar aanleiding van de opdracht om het Poëziegeschenk te
schrijven voor de Poëzieweek 28/1 T/M 3/2/2016. In het bundeltje ‘Neem en lees – Gedichten’
van Stefan Hertmans publiceerde hij 10 gedichten over het thema de herinnering.
Op het voorfront staat links in de bovenhoek een afbeelding van Augustinus, de Kerkvader.
Aan hem ontleende hij het Latijnse deel van zijn titel: Tolle, lege.






Stefaan Hertmans
Neem en lees
10 GEDICHTEN
OVER HERINNERING
Stichting Collectieve
Propaganda van het
Nederlandse Boek
Amsterdam, 2016

Wellicht is het interessant om hier nog wat dieper in te gaan op Hertmans’ dichtopvattingen en dichtkunst.
Uit het bundeltje nemen we het begindicht op en ook het einddicht.
Tussendoor geven we je een paar citaten uit het gesprek van de Poëziekrant met Stefan Hermans.

HET OPENINGSGEDICHT

 

Ruwbouw

Open de deur van het gedicht.
Het huis is leeg.
Je zult zelf meubels moeten maken,
een kast voor onbeslapen lakens
en wat planken voor verhalen
die geen hond nog wil.

Je zult het uitzicht met je leven
moeten kleden en vuur tekenen
in gaten in de muur.

Er gaat geen uur voorbij
of er komt honger bij.
De klok is van grafiet
en niemand wil je dagen lenen.

De helft van wat je maakt
is al opnieuw verdwenen.

Er is geen voordeur meer,
de achterdeur slaat open,
Hoor je de wind?

 


Eerste citaat uit het vraaggesprek

‘Hoe pak je dat aan, zo’n opdracht om tien gedichten te schrijven over een thema dat zo groot is, zoveel facetten heeft?
STEFAN HERTMANS:
Over een thema herinnering kan zoveel gefilosofeerd worden dat ik van de weeromstuit de neiging heb om zo intuïtief en direct mogelijk te beginnen. Om in dat grote gebouw te zoeken naar een heel klein achterdeurtje om daarlangs het huis van het thema binnen te sluipen. Niet langs de voordeur, want dan krijg je naïeve poëzie.

Die subtiele belegering van het thema gebeurt door te dwalen door dat gebouw: ik schrijf regels op die me te binnen schieten, op een heel associatieve manier, en van daaruit begin ik te werken, dan stuur ik die intuïtie bepaalde kanten op.
Na die intuïtieve aanzet begin ik met het constructiewerk. Ongeveer zoals David Bowie zijn cd’s maakt: na een blues of een ballad krijg je een up-temponummer. Je varieert in ritme en toonhoogte, brengt contrasten aan – dat zie ik bijna als een kleurenpatroon voor mij. Ik zit er niet bovenop te studeren, maar ik neem er afstand van, zodat er ruimte komt voor zelfkritiek. En om de zoveel tijd haal ik dan uit naar een van de gedichten omdat ik me iets herinner dat niet goed is.
Maar uiteindelijk komt de intuïtie weer tussen in dat constructieproces. Op een bepaald moment ben je uitgerationaliseerd en uitgeconstrueerd.

Dichters die alleen dat doen schrijven dode, bedachte poëzie; dichters die alleen bevlogen zijn schrijven slordige poëzie. Je moet dus een dialectiek zoeken tussen die twee, de waarde van je oorspronkelijke drive, van je intuïtie en emotionaliteit verhogen door die goed in hun context te plaatsen, door een woord juister te plaatsen, twee strofen te verwisselen, whatever.’ (blz. 6)

Distantie van het thema van het gedicht

Tweede citaat uit het vraaggesprek

‘Je moet altijd uitgaan van de onmogelijkheid om je te identificeren en van daaruit toch proberen te begrijpen. Dat is ook de goede houding om poëzie te lezen: er moet altijd een innerlijke distantie zijn, dan kom je op die meditatieve laag die je nodig hebt om iets te herkenen.’ (blz. 7)

De bedoeling van de bundel ‘Neem en lees’

Derde citaat uit het vraaggesprek

Maar het is wel een oproep
SH: Ja, dat wel, het is een invitatie: neem poëzie ter hand en wie weet doet het wel iets met je, misschien leer je op een andere manier te kijken en herinneren.
Er is namelijk een groot verschil tussen de persoon die zijn innerlijk probeert te verrijken of een esthetische ervaring probeert op te doen door een roman te lezen en iemand die dat wil met poëzie. Dat zijn totaal andere frequenties – vandaar dat het vaak twee gescheiden werelden zijn. De poëzie is naakt en tegelijk heel verhuld, waar mensen die de prozafrequentie hebben vaak moeilijk mee om kunnen. Vandaar dus de uitnodiging: neem en lees, misschien vind je het wel, dat verstilde beeld, dat wat Walter Benjamin een Denkbild noemt, een beeld waarin de dingen allegorisch worden.

HET SLOTGEDICHT

 

Neem en lees

Je kunt geschiedenis gaan lezen,
raadsels, roddels en geruchten,
pagina’s geschifte elektronica,
en toch plots voor een bedelaar
in regen staan en niet meer weten
waarom we in de wereld zijn.

Een schim wordt warm naast jou
en tikt je op de schouder.
Gouden regen, Danaë in schuim,
de glitter van het leven.

Je wordt omhelsd; de zon breekt door.
Iemand ontcijferde een brandnieuw
spijkerschrift, jongens op Vespa’s gaan
achter Vestaalse meisjes aan.

Alles is duur en alles is om niets.
Tolle, lege, Augustinus,
neem dit gedicht en lees.

Vergeet ons maar
in je ondraaglijke gebeden:
jouw God heeft niet
voor ons geleden.


 

Omhoog

_____________________________

Duurzaam onderwijs – een schitterende blog van Kris van den Branden



http://duurzaamonderwijs.com/

 


Hij bevat een serie artikels rond actuele onderwijskundige thema’s, die vrij regelmatig worden aangevuld.
In de rechterkolom vindt u per maand een overzicht vanaf juni 2012.

Uitgangspunt is duurzaam onderwijs met zijn drie basisprincipes.

De auteur stelt het zo:

Elke eeuw heeft haar eigen onderwijs nodig. In de 21ste eeuw moet het onderwijs evolueren naar duurzaam onderwijs, waarin:
- geen talent verloren gaat: onderwijs werkt voor elke leerling, ongeacht zijn of haar achtergrond.
- energie-voor-leren hernieuwd wordt: de energie van leerkrachten en studenten wordt maximaal omgezet in leren en ontwikkeling, wat nieuwe energie voor leren oplevert.
- cruciale competenties duurzaam worden verworven: leerlingen ontwikkelen de competenties die cruciaal zijn voor hun toekomstige leven, en voor de toekomst van de planeet.

Het hele concept wordt gedragen door een ruim uitgeschreven visietekst:
Duurzaam onderwijs voor de 21ste eeuw

Deze visietekst is gebaseerd op internationaal wetenschappelijk onderzoek naar gelijke onderwijskansen en de effectiviteit van onderwijssystemen. De lezer die geïnteresseerd is in de wetenschappelijke achtergronden van dit betoog kan terecht bij Van den Branden, K. (2012). Sustainable education: basic principles and strategic recommendations. In School Effectiveness and School Improvement

De meest recente blogteksten:

Omhoog

_____________________________

 

Kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk ook voor Nederlands

In de brochure van de SLO “Schrijven in het basisonderwijs opnieuw onderzocht. Een inventarisatie van empirisch onderzoek van 2004 tot 2014” van mei 2015 besteden de auteurs Helge Bonset en Mariette Hoogeveen de eerste pagina van hun inleiding aan die kloof.

Beide auteurs zijn al jaren bezig met het inventariseren van onderwijsonderzoek op verschillende domeinen van het vak Nederlands. Blijvend worden ze geconfronteerd met deze problematiek en steeds uiten ze hun bezorgdheid daarover. Maar ook blijven ze ijveren met hun inventariseringen om die kloof zo goed mogelijk te verkleinen.

De effectiviteit van het onderwijs – ook die van het Nederlands – zou beslist kunnen worden opgevoerd als er een ruime en intensieve coöperatie zou kunnen ontstaan tussen de onderzoekers en de onderwijsverstrekkers in de klaspraktijk.

Binnen het Netwerk Didactiek Nederlands delen we die bezorgdheid. We laten onze lezers graag kennis nemen van wat Bonset en Hoogeveen uit publicaties daarover hebben genoteerd.

‘In de publicatie De kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk 5Broekkamp & Van Hout-Wolters, 2005) wordt een indrukwekkende reeks mogelijke oorzaken beschreven van die kloof. Onderwijsonderzoek wordt door practici in het onderwijs gezien als eenzijdig, van onvoldoende kwaliteit, te weinig in omvang, gefragmenteerd en onvoldoende toegankelijk. Niet aan al deze oorzaken is gemakkelijk iets te doen, en van sommige kan men zich ook afvragen in hoeverre ze overeenstemmen met de realiteit. Maar dat geldt niet voor de laatstgenoemde: de geringe toegankelijkheid van rapportages van onderzoek. Broekkamp en Van Hout-Wolters (2005) noemen hier als mogelijke oplossing: praktijkgerichte secundaire onderzoeksrapportages, waarin primaire onderzoeksrapportages (uit wetenschappelijke tijdschriften of boekpublicaties) worden vertaald voor practici.
In zijn advies Kennis over onderwijs (2003) snijdt de Onderwijsraad hetzelfde probleem aan. De raad concludeert dat er in het onderwijsonderzoek schotten omvergehaald moeten worden tussen onderzoekers, ontwikkelaars en leerkrachten, en adviseert de overheid om meer te investeren in samenwerking tussen bovengenoemden in de vorm van toegankelijke overzichtsstudies. Daarnaast moeten leerkrachten meer tijd en gelegenheid krijgen om op de hoogte te blijven van hun vakgebied. Hiermee benoemt de raad een belangrijke aanvullende oorzaak voor de kloof tussen onderzoek en praktijk: tijdgebrek bij de practici. Voor veel leerkrachten schiet de tijd tekort om kennis te nemen van resultaten van onderzoek en deze te vertalen naar de eigen praktijk. Dat is jammer, want iedere leerkracht kan voordeel halen uit de resultaten, conclusies en aanbevelingen uit onderzoek.
Ook in zijn advies Naar meer evidence-based onderwijs (2006) gaat de Onderwijsraad in op mogelijkheden tot een betere benutting van wetenschappelijk onderzoek in het Nederlandse onderwijs. De raad pleit ervoor om systematisch informatie te verzamelen en te verspreiden over onderwijs methoden of –aanpakken die evidence-based zijn, wat wil zeggen dat ze hun werkzaamheid hebben bewezen in empirisch onderzoek. “In het onderwijs”, aldus de raad, “worden vaak nieuwe methoden en aanpakken geïntroduceerd zonder dat duidelijk is dat het nieuwe beter is dan het voorgaande. Denk aan een nieuw lesboek of aan een iets kleinere groepsgrootte. Aan de andere kant vindt beschikbare kennis over bijvoorbeeld bewezen effectieve taalmethoden maar langzaam haar weg naar de onderwijspraktijk. (…) Er wordt te weinig geprobeerd bewijs voor de effectiviteit van onderwijsmethoden te verzamelen en die kennis ook te verzilveren” (p. 9).’

Meer informatie over de brochure

Links:

Omhoog

_____________________________

 

Tip voor schrijvers
van Hugo Claus naar Anna Enquist

>

Anna Enquist
Kent u van: talrijke gedichtenbundels en romans. Het romandebuut van de psycho-analytica en muzikante, Het meesterstuk van 1994, werd meteen bekroond.

‘Toen Hugo Claus gestorven was, heb ik Het verdriet van België voor de derde keer gelezen. Uit Piëteit en als een soort afscheid. Hij is een schrijver die mijn hele leven aanwezig is geweest in mijn boekenkast. Al van toen ik heel jong was – op de middelbare school nog – kocht ik van mijn zakgeld boeken van hem. Zijn taal was net iets anders, dat Vlaamse had wel wat exotisch. Wat ik altijd heel erg gewaardeerd heb, is de ritmiek van zijn zinnen. Ik streef daar ook naar in mijn poëzie, want die komt voor mij echt voort uit de muziek. Maar het exuberante van Hugo, dat durf ik als Hollander niet aan, geloof ik. Ik heb altijd meer gezocht naar eenvoudige, korte bewoordingen, woorden met niet-Romaanse wortels, kortom: ik dicht meer calvinistisch.’

‘Toen ik mijn eerste roman af had, leerde ik Hugo persoonlijk kennen. Hij had iets uitbundigs. Het was altijd een gebeurtenis als ik de hotellobby binnenkwam, wanneer we met zo’n stel nederlandstalige schrijvers in het buitenland waren, en ik zag dat Hugo erbij was. Ik vond het des te tragischer dat hij tijdens onze laatste tournee zo verward en onthand was, maar ik probeer vooral die leuke begindagen op mijn netvlies te houden.’

‘We hadden toen een gesprek over het schrijven. Mijn eerste roman had me ontzettend uitgeput omdat ik er alle weekenden en avonden aan doorgeschreven had. Mijn kinderen waren toen nog vrij jong en ik had een volledige baan. Dat is nu anders, maar proza schrijven vergt nog altijd heel veel van mijn energie. Daarom ben ik Hugo zo dankbaar voor het advies dat hij me toen gaf: schrijf 500 woorden per dag. Niet meer, niet minder. Ik heb meteen gemerkt dat het uitstekend goed werkte en heb me er sindsdien altijd aan gehouden. Ik heb het zelf aan veel schrijvers gesuggereerd omdat ik het zo waardevol vind.’


‘Ik wil natuurlijk graag blijven schrijven, maar de dag dat dat niet meer lukt, kan ik ook gewoon blij zijn met de hele rij boeken die er al staat.’


‘Als ik bezig ben met een roman schrijf ik elk dag, liefst met een zacht potlood, trouw die 500 woorden. Twee A-viertjes, heel overzichtelijk. Het geeft een beetje het beeld van een kantoorklerk, maar het is natuurlijk al romantisch genoeg dat je zelf een hele wereld bedenkt met personages en omstandigheden en die tot in detail beschrijft. Fictie schrijven is al zo’n onwerkelijk iets dat ik vind dat het best concreet, realistisch en gedisciplineerd mag gebeuren. Daarom dwing ik mezelf om aan mijn bureau te blijven zitten, ook op dagen dat het niet zo lekker gaat. Ook dan zorg ik dat die 500 woorden er komen, want ook al zijn het niet zulke goede woorden en moet ik ze de volgende dag herschrijven, ik ben dan toch bezig geweest.’
‘Hugo’s advies geeft me tot op vandaag het vertrouwen dat er altijd iets zal komen, al denk ik natuurlijk wel eens aan de dag dat er misschien niets meer komt. Soms vraag ik me af of het aantal onderwerpen voor een roman – iets dat twee, drie jaar lang niet gaat vervelen – niet eindig is. Maar dan denk ik ook: hoe erg zou het zijn als het klaar was? Ik zou er geloof ik wel vrede mee kunnen nemen.’
Ik zou het erger vinden mocht ik niet meer kunnen pianospelen. Bach en al die andere prachtige muziek horen al van veel vroeger bij mij dan literatuur, waardoor ik ook meer tijd gehad heb om me eraan te hechten.’

 

Omhoog

_____________________________

 

Op zoek naar de verloren tijd

A la recherche du temps perdu, de roman van Marcel Proust blijft permanent in de belangstelling. Op woensdagavond 27 augustus 2014 wijdde de culturele televisiezender Arte een uitzending aan reacties van gecultiveerde eigentijdse lezers van het boek. Die reacties waren alle zonder voorbehoud bijzonder positief en enthousiast.

Het boek steekt voor mij nog onverkend tussen vele andere boeken in mijn bibliotheek. De uitzending betekent toch een flinke aanporing om er meer over te weten te komen, om de precieze plaats van deze gecanoniseerde romancyclus in de eigentijdse literatuur te omschrijven.


Dat precies vond ik in deel 3 van de Nieuwe Literatuurgeschiedenis – Overzicht van de Europese letteren van Homerus tot heden – deel III Van 1900 tot heden op blz. 1012-1013.

A la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd) van Marcel Proust (1871-1922), waarvan het eerste deel in 1913 verschijnt is zowel de geschiedenis van een tijdvak als de geschiedenis van een bewustzijn, een mondaine kroniek maar ook een analyse van de menselijke hartstochten in een clubje rijk geworden burgers – de Verdurins – en in de kring rond de hertogin de Guermantes, waarvan de schrijver vaak met bijtende humor de ijdelheid en het snobisme schildert. Maar daarnaast wil Proust licht werpen op het functioneren van het affectieve geheugen en op de manier waarop de tijd wordt waargenomen. Hij beschrijft de bijzondere momenten waarop, dankzij bepaalde gewaarwordingen, een voorbije wereld plotseling weer gaat leven. Dat gebeurt in de beroemde episode van de ‘madeleine’. De opbouw van de roman, vaak vergeleken met een muzikale compositie, vloeit niet meer voort uit de afwikkeling van een intrige maar veeleer uit de verwevenheid van een aantal thema’s – liefde, de verdwenen en hervonden tijd, kunst – die in subtiele variaties worden herhaald en geleidelijk een intensivering ondergaan. Door middel van zijn bouwwerk geeft Proust ten slotte uitdrukking aan zijn geloof in de kunst als enig middel om zich aan de tijd te onttrekken en de ijdelheid van de wereld te boven te komen. Door de stijl, de architecturale allure en de rijkdom van de thematiek vormt het oeuvre van Proust een hoogst belangrijk element in de ontwikkeling van de moderne roman.”

Daarmee vatten we in 16 regels tekst de essentie van Prousts meesterwerk.
Het werk in zeven delen werd gepubliceerd van 1913 tot 1927. Het omvat 3000 bladzijden en er treden 200 verschillende personages in op. Sinds 2009 vertaalt Thérèse Cornips de monumentale romancyclus in het Nederlands.

G.D.

Omhoog

_____________________________

Poëziebenadering nu

"Gedichten zijn minder dan ooit zachtmoedige versjes waarin een beetje getreurd wordt om een of ander verlies.
Dichters zijn ongeremder dan vroeger, misschien ook eenzelviger, doordat de maatschappij ondanks al haar zogenaamde openheid, zo dwingend neigt naar oppervlakkigheid en stuitend consumentisme.
Denkend aan dichters weten velen er geen raad mee omdat zij de inspanning niet meer kunnen of willen opbrengen om binnen te treden in de wereld van de poëzie. Toch biedt die wereld in taal door dat bij uitstek menselijke en dus onvolmaakte medium inzicht, diepgang en herkenning."

Jozef Deleu

in zijn inleiding tot zijn poëziepublicatie Het Liegend Konijn van april 2012.

 



Poëtica


Er is geen poëzie in een te helder leven.
Op het behang is altijd een plek
die wacht op het vocht. Een vuile bek
zoekt in de laden naar onzegbaarheden.

Alles wat toonbaar is moet overschreven,
ieder gedicht gewassen in inkt
die blind van de moerassen zingt,
waarvan men ziende niets kan weten.

Er is geen poëzie in een te helder leven,
in zuivere spiegels is geen gat
waardoor men in de afgrond stapt
en in het woord valt, woest en ledig.

© Charles Ducal

Uit: In inkt gewassen
Uitgeverij Atlas, 2006



 

Voor de liefste onbekende

Wie van ons twee heeft de ander bedacht?
Paul Eluard

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.

Ingmar Heytze

Uit: Het ging over rozen.
Amsterdam, Uitgeverij Podium, 2002

Omhoog

_____________________________

Taal in tijden van kanteling.
Het Nederlands in Vlaanderen anno 2013.
- Dirk Geeraerts januari 2014

in Verkenningen nr. 2 De Academie en het Nederlands in verleden, heden en toekomst Koninklijke Academie voor
Nederlandse Taal- en Leterkunde (KANTL) blz. 29-35 – Publicatie januari 2014


De ene taalpolitiek is de andere niet

Wat heeft de Belgische taalpolitiek te maken met de taalpolitiek van het Nederlands in Vlaanderen? ‘Taalpolitiek’ heeft in onze Vlaamse context immers twee betekenissen. Aan de ene kant staat de sociolinguïstische vraag welk Nederlands we in Vlaanderen hanteren, aan de andere kant de taalsociologische vraag hoe de sprekers van het Nederlands een plaats innemen in de Belgische nationale staatshuishouding.

In het eerste perspectief vraag ik mij af: hoe spreek ik dat woord ‘nationale’ uit? Als nasjonale of natsieonale of nasjonale? In het tweede perspectief vraag ik mij af: waarom zijn er horecazaken in onze nationale luchthaven waar ik niet in het Nederlands geholpen kan worden – ongeacht of dat de nasjonale, natsieonale of de nasjonnale variëteit is?

Nu hebben neerlandici in Vlaanderen de neiging om zich vooral met dat eerste perspectief bezig te houden, en de bezorgde oproep die deze Academie in 2011 gelanceerd heeft ten gunste van het Standaardnederlands in Vlaanderen, past in die traditie: het geformuleerde standpunt betreft de taalinterne taalpolitiek (het eerste perspectief), maar verwijst nergens naar de externe taalpolitiek (het tweede perspectief)1 [Zie http://www.kantl.be/index.php?pag=145[02/09/2013] ]

Dat is m.i. een onterechte beperking: ik wil in deze bijdrage betogen dat de situatie van het Nederlands in Vlaanderen anno 2013 niet in haar volledigheid te begrijpen is wanneer we de extern-taalpolitieke omgevingsfactoren van het intern-taalpolitieke debat over het hoofd zien.

Voor de aanvang van de standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen is de verwevenheid van beide perspectieven alvast niet betwist. De discussie die in de tweede helft van de negentiende eeuw gevoerd wordt over de norm voor het Nederlands in Vlaanderen, is een onderdeel van de Vlaamse Beweging: politieker kan taalpolitiek niet zijn. Deze initiële verwevenheid van beide perspectieven is zo weinig verrassend dat we er nauwelijks bij stilstaan, maar dat maakt de vraag des te prangender: hoe beïnvloedt de extern-taalpolitieke context de aard van de intern-taalpolitieke normdiscussie? Om daar dieper op in te kunnen gaan, moet ik nu eerst het analytische apparaat voorstellen dat conceptuele ruggengraat verleent aan mijn verhaal.

Lees de hele tekst

Omhoog

_____________________________

De status van Standaardnederlands tegenover tussentaal

De recensie

In Neerlandia jaargang 117 nummer 4 van december 2013 publiceert em. prof. Ludo Beheydt
een recensie van “De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams” van Kevin Absilis, Jürgen Jaspers
en Sarah Van Hoof, uitgegeven in september 2012. Zijn bespreking staat op blz. 42-44.

De auteur gaat niet in op de verschillende bijdragen in de bundel, maar hij beperkt zich tot
de contextualisering van het debat dat rond de thematiek van het boek is gevoerd.
Die contextualisering is vervat in de inleiding van de redacteurs en in het slotartikel van Jürgen Jaspers.



De passage uit de recensie over de verhouding tussen de standaardtaal en de tussentaal en de precisering
van de status van het Standaardnederlands kan de lezer van deze tekst bijzonder aanspreken en dat uittreksel
nemen we hier dan ook tussen aanhalingstekens over. Voor de goede verstandhouding halen we Van Dale
aan voor het begrip codificeren: het in regels vastleggen. Dat is hier toepasselijk op de standaardtaal.

“De hele inleiding stelt het voor alsof Standaardnederlands en tussentaal in alle opzichten evenwaardige
varianten zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Standaardnederlands is, zoals zijn naam terecht aangeeft, een
gestandaardiseerde variant.

Dat betekent dat die variant genormeerd is. Daar bestaan codificaties voor, waar we ons naar kunnen richten
als we willen weten hoe het hoort: woordenboeken, grammatica’s, uitspraakgidsen en zelfs stijlgidsen
(die ons kunnen sturen in de registerkeuze). Dat kan van de tussentaal niet gezegd worden. Die is nog lang
niet gecodificeerd. De beschrijving ervan staat nog steeds in de kinderschoenen en de normering is al
helemaal onbestaande. Zo betwijfel ik of het geciteerde tussentaalzinnetje mij hoort ge nie klagen wel correct is.
Moet het niet zijn mij hoorde nie klagen? En ik beschik nog steeds niet over een betrouwbaar woordenboek
of een uitvoerige grammatica van de tussentaal.

Los daarvan is er natuurlijk geen sociale equivalentie tussen tussentaal en standaardtaal. Tussentaal is dan misschien wel op weg om een informele standaardtaal te worden, maar heeft zeker nog niet het statuut bereikt van standaardtaal. Nog steeds wordt in heel wat omstandigheden de standaardtaal verwacht. Wie de standaardtaal niet beheerst, mist een
register dat toegang biedt tot heel wat belangrijke onderdelen van het sociale leven.
Wie de tussentaal niet beheerst, kan echter wel met de standaardtaal of het dialect terecht. De onterechte gelijkstelling van het standaardregister met het tussentaalregister creëert een sociaal onverantwoorde legitimatie van domeinoverschrijding. De verhouding tussen dialect, tussentaal en standaardtaal zie ik als een keuzecontinuüm, waarvan de standaardtaal als enige register genormeerd is. Vanwege de codificaties die voortdurend worden bijgesteld, heeft de taalgebruiker bij de standaardvariant houvast. Vanwege diezelfde codificaties is die variant ook bruikbaar voor onderwijs, media en beleid.

Dat lijkt een futiel gegeven, maar is het niet. Het is belangrijk dat wij ons als taalgebruiker kunnen beroepen op codificaties om bijvoorbeeld het verschil tussen eigendom en bezit juridisch te beslechten. Tussentaal kan dan misschien wel een handige informele variant zijn, maar mist de consensus die nodig is om een taal maatschappelijk volwaardig te laten functioneren. Net zoals dialecten die formele consensus missen. Daarmee is niet gezegd dat dialect of tussentaal geen volwaardige registers zouden zijn. Ze hebben hun specifieke maatschappelijke functionaliteit en de taalgebruiker selecteert
ze afhankelijk van de omstandigheden waarin hij zich bevindt.

Maatschappelijk is het echter zo dat de beheersing van de standaardvariant noodzakelijker is dan die van de tussentaalvariant. Beleid, media en onderwijs hanteren de standaardvariant als de maatschappelijke lingua franca.
En terecht, want een maatschappij kan alleen draaien op het gebruik van een gedeelde lingua franca en Vlaanderen
heeft er al in 1973 voor gekozen om het Nederlands daarvoor te kiezen. Daarom is het zo belangrijk dat het onderwijs,
zowel aan Nederlandstaligen als aan anderstaligen blijft inzetten op dat Standaardnederlands.
De standaardtaal is het mooiste cadeau dat het onderwijs zijn bevolking kan aanbieden, want nog steeds is de standaardtaal de sleutel tot maatschappelijke emancipatie.”

Kanttekeningen

Bij de kernideeën van dit citaat passen wel enkele kanttekeningen.

De eerste alinea van het citaat bevat de uitgangspositie van Ludo Beheydt waarin hij poneert:

“De hele inleiding (van De manke usurpator) stelthet voor alsof Standaardnederlands en tussentaal in alle opzichten evenwaardige varianten zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Standaardnederlands is, zoals zijn naam terecht aangeeft, een gestandaardiseerde variant.” Bij verificatie blijkt dat die voorstelling dat Standaardnederlands en tussentaal in alle opzichten evenwaardige varianten zijn niet voorkomt in de inleiding en dat die opvatting niet in de schoenen mag worden geschoven van de auteurs van het besproken boek. Dat doet evenwel niets af aan de visie van de recensent dat Standaardnederlands een gestandaardiseerde variant is van onze taal, die als dusdanig gecodificeerd is.

Ook de bewering dat de beschrijving van tussentaal nog in haar kinderschoenen staat is heel en al voor rekening van Ludo Beheydt. Wij citeren uit de inleiding van het boek blz. 21 “Sindsdien (2003) zijn er diverse wetenschappelijke beschrijvingen van en verklaringen voor het Vlaamse tussentaalgebruik gepubliceerd.” De daarbij aansluitende nota 39 verwijst naar niet minder dan 15 publicaties van 17 verschillende auteurs tussen 2003 en 2009 (blz. 35). In dat verband verwijzen we ook in het bijzonder naar de uitgave in november 2013 van “Tussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in Vlaanderen”, Johan De Caluwe, Steven Delarue, Anne-Sophie Ghyselen, Chloé Luybaert (red.) in de reeks Studia Germanica Gandensia Libri, Gent, Academia Press, 107 pp. In die publicatie worden verscheidene doctoraten rond tussentaal aan de orde gesteld en 49 masterscripties worden in een overzicht opgenomen die tussentaal als thema hebben (blz. 13-15) en die o.l.v. Johan De Caluwe tussen 2010 en 2013 werden geschreven in de afdeling Nederlandse Taalkunde van de Universiteit Gent. Dat alles doet evenwel geen afbreuk aan de gegevenheid van Beheydt dat tussentaal niet gecodificeerd is en Standaardnederlands wél.

Ook de laatste zin uit het lange citaat van de recensie vraagt enige nuancering. Voor een goed begrip kopiëren we hem hier nog eens:  “De standaardtaal is het mooiste cadeau dat het onderwijs zijn bevolking kan aanbieden, want nog steeds is de standaardtaal de sleutel tot maatschappelijke emancipatie.” We zijn het er volkomen mee eens dat bij uitstek het onderwijs de unieke gelegenheid biedt aan leerlingen om de standaardtaal aan te leren en om ze te beheersen. Het valt ook niet te betwisten dat de standaardtaal een sleutel kan zijn tot maatschappelijke emancipatie.

Juist over het emanicipatorisch aspect van het Standaardnederlands in Vlaanderen hebben de auteurs van “De manke usurpator” zich uitvoerig en intens gebogen. Dat is net in het boek het afsluitend essay van Jürgen Jaspers onder de titel
Het Algemeen Nederlands: uw sociale zekerheid? Taalgebruik en taalopvattingen in processen van in- en uitsluiting”  (blz. 371-390).
Jürgen Jaspers diept de thematiek rond het emancipatorische aspect van de standaardtaal nog uit in zijn recent artikel
in het tijdschrift Streven van oktober 2013 “Alhier, aldaar aan lange lansen, het Standaardnederlands. De Vlaamse tunnelvisie op emancipatie” (blz. 784-795). De titels zijn op zichzelf al welsprekend, toch citeren we wat J. Jaspers in het afsluitend essay van De manke usurpator daarover samenvat onder 3. Standaardtaal in processen van in- en uitsluiting.

“Om misverstanden te vermijden: het is evident dat taal een rol kan spelen in het bevorderen van sociale mobiliteit.
Overheden die faciliteiten voorzien voor andere talen (via bijvoorbeeld vertalingen of tolken) dragen bij aan de insluiting
en de integratie van wie de lingua franca of officiële taal nog niet of onvoldoende beheerst … Nieuwkomers die de lokale
taal verwerven, vergroten doorgaans hun kansen op arbeid aanzienlijk. Het onderwijs van een standaardtaalregister kan
een belangrijke bijdrage leveren aan de arbeidskansen van wie een job wil uitoefenen waar dat register vereist is.
Als de vraag echter is of taal, en het Algemeen Nederlands in het bijzonder, altijd sociale opstijging bevordert of automatisch insluiting bewerkstelligt – een premisse die vervat zit in wat het Vlaamse onderwijsbeleid, taalkundigen en opiniemakers uitentreuren herhalen – dan moet die echter ontkennend beantwoord worden. Dat komt omdat processen van in- en uitsluiting zowel met veel specifiekere, niet noodzakelijk standaardtalige taalgebruiksaspecten te maken hebben, als met het feit dat sociale uitsluiting vaak aan sociale omgevingsfactoren te danken is waartegen een competentie in de standaardtaal weinig of niets vermag.” (blz. 377-378)

Het is zeker niet de bedoeling om aan het debat over de relatie tussen standaardtaal en tussentaal bij te dragen.
Wel is het onze wens de discussie zo goed mogelijk te preciseren om zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over een onderwerp dat zowel voor taalkundigen, sociolinguïsten, didactici Nederlands als voor de intellectuele belangstellenden
van grote betekenis is. Wij hebben er allen belang bij de status van het Standaardnederlands te ondersteunen maar, met daaraan gekoppeld de relativerende zin voor de taalwerkelijkheid die naast standaardtaligheid ook grote variatie in de gesproken taal vertoont. Ludo Beheydt heeft met zijn recensie bijgedragen tot die verheldering en ondersteuning maar ook de auteurs van De manke usurpator confronteren hun lezers vanuit hun eigen visie met de noodzakelijke bewustwording van de taalwerkelijkheid zoals wij ze in onze dagelijkse communicatie beleven.

Met erkentelijkheid aan em. prof. Ludo Beheydt en aan de auteurs van “De manke usurpator”.


Ghislain Duchâteau

Omhoog

_____________________________

Nog de status van het Standaardnederlands... Bijkomend commentaar van Ludo Beheydt

In de eerste plaats doet het mij uiteraard genoegen dat u met waardering uit mijn recensie citeert.
En het siert u dat u mij uw tekst nog even voor commentaar aanbiedt voor u hem vrijgeeft.
Ik voel me dan ook vrij om alsnog wat commentaar te geven.

Voorts zou ik er willen op wijzen dat het hier een recensie betreft, die aan plaatsbeperking onderhevig is waardoor op sommige punten nadere toelichting ontbreekt. Misschien mag ik die hier geven.

Als ik stel dat Standaardtaal en tussentaal geen gelijkwaardige varianten zijn, dan zijn daar nog wel meer argumenten voor te geven dan diegene die ik summier heb genoemd:

1. In de eerste plaats is er ook nog een verschil in communicatieradius. Dat lijkt mij een bijzonder belangrijk onderscheid: met het Standaardnederlands kan ik zonder verstaanbaarheidsproblemen in het hele taalgebied terecht, van Kortrijk tot Groningen. Dat is dus een heel verschil met de tussentaal, die over de grens al ondertiteld moet worden (cf. de ondertiteling van Witse, etc.).

2. De tussentaal is slechts een spreektaalvariant, als schrijftaal is de tussentaal nog helemaal niet bruikbaar. Dat bleek maar al te duidelijk toen Geert van Istendael in de krant een ironisch opiniestuk liet verschijnen in een 'diplomatieke' tussentaaltranscriptie en de auteurs van 'De manke usurpator' zich genoopt zagen in de Standaardtaal te antwoorden.

3. De tussentaal is sterk domeingebonden en daardoor erg beperkt. Het lijkt mij nog steeds niet goed mogelijk om over biochemische processen, existentiële filosofie of macro-economie genuanceerd te discussiëren of te overleggen in de tussentaal. Daarvoor is alleen de standaardtaal geschikt, juist omdat in de standaardvariant de nodige elaboration'(Haugen)gebeurd is, die de bruikbaarheid in alle domeinen van het leven garandeert.

4. De tussentaalvariant lijkt me niet geschikt als taalaanbod in het vreemdetalenonderwijs. Als wij het Nederlands aantrekkelijk willen houden voor anderstaligen en voor onze Franstalige landgenoten, dan hebben wij er alle belang bij het Standaardnederlands te blijven verzorgen en te blijven koesteren als de geschikte variant bij uitstek voor onderwijs, beleid en wetenschap.

Voorts blijf ik bij mijn bewering dat "de beschrijving nog steeds in de kinderschoenen staat". Uiteraard is het mij bekend dat er ondertussen vele studies en scripties verschenen zijn over de tussentaal. Zelfs bij mij zijn daar verschillende scripties over gemaakt, en één is zelfs bekroond en uitgegeven en heeft uitvoerig de krant gehaald. Maar al die
beschrijvingen hebben nog geen definitieve beschrijving van de tussentaal opgeleverd. Die is voorlopig ook niet te geven omdat de variatie zo groot is dat er eigenlijk niet van een tussentaal sprake is maar van tussentalEN. Dat was overigens wat ik bedoelde met het 'continuum'. Zolang die tussentaal niet gecodificeerd en genormeerd is kan ze niet als een
secundaire standaardvariant worden beschouwd. En zoals we uit de sociolinguïstiek weten is het standaardiseringsproces een proces van zowat een eeuw volgens Bloomfield. Tegen die tijd is het met het Nederlands al afgelopen, volgens sommige pessimisten.

Nog steeds vind ik het Standaardnederlands het beste emancipatorische instrument. Als wij zowel de nieuwkomer als de dialectspreker volmondig willen laten deelnemen aan het gedeelde betekenisweb van onze cultuur, dan moet die kunnen beschikken over het instrument dat haar/hem daartoe in staat stelt en dat is de Standaardtaal, de taal van het beleid en de overheid. Ik heb dat verwervingsproces als West-Vlaamse dialectspreker zelf doorgemaakt en er ook de vruchten mogen van plukken. Ik heb het Standaardnederlands altijd als een maatschappelijke hefboom gezien. Wie die variant beheerst wordt maatschappelijk weerbaarder, of hij nu kunstenaar, elektricien, veehouder, leraar of kapper is.

In een recent stuk 'Cultuur in Vlaanderen of Vlaamse cultuur' heb ik het zo geformuleerd:
"In eerste instantie zal de aanwezigheid van grote groepen anderstaligen en etnisch-culturele minderheden een brede actie voor cultuurparticipatie noodzakelijk maken, want het is bekend dat juist etnisch-culturele minderheden vaak niet participeren aan culturele activiteiten. Taal is daarbij een notoire barrière. Daarom is het noodzakelijk dat de cultuur
via de taal toegankelijk gemaakt wordt, zodat alle groepen in de samenleving efficiënt kunnen participeren in het grote betekenispotentieel van de cultuur in Vlaanderen. Daartoe is in eerste instantie een stevig uitgebouwd taalbeleid nodig dat het mogelijk maakt dat alle groepen in de samenleving kunnen participeren in het culturele debat. Dat taalbeleid
moet zich met alle middelen richten op het behoud en de verwerving van de standaardtaal, de enige lingua franca die in aanmerking komt voor de interculturele uitbouw van een gedeelde en gediversifieerde cultuur in Vlaanderen. Het Nederlands is nu eenmaal de taal van het onderwijs, van de media, van het beleid en van het maatschappelijk leven en als wij de anderstaligen echt willen betrekken in de cultuur in Vlaanderen dan is het onze verdomde plicht om die anderstaligen alle mogelijkheden te bieden om zich die taal eigen te maken. De prioritaire taak voor het cultuurbeleid
in Vlaanderen is dan ook optimale taalverwervingsfaciliteiten scheppen.

Het mooiste cadeau dat de Vlaamse Gemeenschap aan nieuwkomers en anderstaligen kan geven is dat van de Nederlandse taal. Met de kennis van de taal geven we ze het machtigste instrument om volwaardig mee te bouwen
aan het betekenisweb waaraan alle leden van de Vlaamse gemeenschap participeren. Als we andere culturen een stem in het kapittel willen geven, als we diversiteit een kans willen geven, dan moeten we blijven investeren in de promotie van het Nederlands. Dat Nederlands moet niet als een stok achter de deur worden gehanteerd, maar als een sleutel tot
participatie, tot interculturele dialoog. Dankzij die taal kan de aanwezige diversiteit in het cultuurlandschap haar volle waarde krijgen.

Het zou een jammerlijke keuze zijn om in Vlaanderen in naam van de diversiteit officieel Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur op te richten, wat overigens niet eens mogelijk is als we bedenken dat er alleen al in Antwerpen vierhonderd thuistalen zijn. Zoals in Nederland gebleken is, leidt curriculair O.E.T.C. te gemakkelijk tot een onwerkbaar multiculturalisme met talige en culturele schotten. Ik pleit dus tegen de multiculturele maatschappij, maar voor de interculturele maatschappij. Uit
verzet tegen een provincialistisch reactionair Vlaams particularisme, pleit ik voor een prioritaire aandacht voor de taal in het Vlaamse cultuurbeleid. Dat houdt niet in de ontkenning van de andere talen en culturen, maar juist de openheid ervoor en erkenning ervan. In het versterken van de openheid voor andere culturen middels een gedeeld interactie-instrument  ligt de toekomst van de gediversifieerde cultuur.

In het onderwijs moet ruimte en respect zijn voor de andere aanwezige talen en culturen in de Vlaamse gemeenschap, maar dat onderwijs moet als zijn eerste culturele taak de verwerving van het Nederlands zien. Dat geschenk van de taal waarmee je volwaardig kan functioneren in de gemeenschap is onschatbaar."

Ik geloof dat ik hiermee de nodige nuancering bezorgd heb, die een beter begrip van mijn positie voor uw lezers mogelijk moet maken.


Ludo Beheydt

Omhoog

_____________________________________________________________

 

De heilloze onderschatting van taalonderwijs – Mia Doornaert 24-1-2013

in haar artikel in DS “Slordig onderwijs is sociaal onrecht


"Als jonge mensen in een lerarenopleiding niet in staat zijn de Atlantische Oceaan op een wereldkaart aan te duiden, dan zegt dat alarmerend veel over het niveau van ons lager en middelbaar onderwijs – uitzonderingen niet te na gesproken.




‘Ik zien a gèren'

Een belangrijke factor daarin is de heilloze onderschatting van taalonderwijs. Je mag van de kinderen niet meer vragen dat ze nog spraakkunst beheersen, en dat ze nog correct schrijven en spreken. Belangrijker is dat ze leren ‘communiceren'. De vorm heeft niet zoveel belang ‘als de boodschap maar overkomt'. Wel ja, waarom dan maar niet meteen alle liefdespoëzie afschaffen, en de boodschap beperken tot ‘ik zien a gèren'?

Breder gezien is het gewoon onzin de vorm en inhoud te willen scheiden. Men kan niet denken zonder woorden, en niet genuanceerd denken zonder een genuanceerde taal. ‘Taal is een handschoen die strak om de huid van de inhoud zit', zei Godfried Bomans terecht, die woordkunstenaar die meesterlijk het hele palet van de taal bespeelde, van lichtvoetige ironie tot filosofische ernst. Dat geldt niet alleen voor de zogenaamde menswetenschappen. Ook voor wetenschapslui geldt dat ze maar echt begrijpen waarmee ze bezig zijn als ze hun werk in een klare taal kunnen toelichten, en zich niet verschuilen achter een duister jargon.

Het is dan ook een schande dat onze scholen nog zo weinig aandacht besteden aan taal. Leraars mogen wel punten aftrekken als in een test Nederlands taalfouten staan. Maar als testen over geschiedenis of aardrijkskunde of welk vak ook wemelen van de taalkemels, dan mag daar niet het rode potlood door. Boodschap: Nederlands hoef je alleen in de taalles min of meer correct te gebruiken, daarbuiten heeft de taal geen enkel belang.

Die verwaarlozing heeft naast een opvoedkundig ook een verstrekkend maatschappelijk belang. De school levert daardoor burgers af zonder weerwerk tegen de al of niet valse profeten ‘die het goed kunnen zeggen'."

N.a.v. het mediadiscours rond de publicatie van het eindrapport
"Onderzoek naar de politiek-maatschappelijke, geografische, historische en economische kennis bij studenten lerarenopleiding secundair onderwijs" - Jan Swerts & Kurt Monten KH Limburg

Omhoog


Dank voor dank

Dankwoord van Leonard Nolens bij de uitreiking van

DE PRIJS DER NEDERLANDSE LETTEREN
 ‘Wij vieren vandaag in u het meest sublieme dat de Nederlandse taal voortbrengt: een groot dichter', zo prees minister Pascal Smet Leonard Nolens op de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren op 30 november in Amsterdam. Samen met DSL sluiten we 2012 af met het dankwoord dat de dichter uitsprak voor die prestigieuze bekroning van zijn hele œuvre.


Lang geleden, een bliksemflits, maar lang geleden hebben mensen spelenderwijs en streng hun best gedaan om mij te leren spreken, en als ik aandachtig luister doen zij dat nog steeds. Ik vond het als kind blijkbaar de moeite waard hun woorden in de mond te nemen en zo verstaanbaar mogelijk aan hen terug te geven. Ik kreeg woorden en hele zinnen cadeau, en door mijn al dan niet aangeboren verlangen om te leren spreken schonk ik die woorden en zinnen terug. Dat is, als ik daar even bij stilsta, als ik daar een leven lang bij stilsta, een wonderlijke handeling, want zo bekeken is ieder woord formeel een dankwoord.

Danken is overigens etymologisch afgeleid van denken. Er vindt in alle spreken spontaan of bewust en gewild of ongewild een dankzegging plaats.

Wie meent hier het fluweel te horen van een poëtische tong, is te kwader trouw. Een dichter bijvoorbeeld dankt al schrijvend impliciet of expliciet de anderen door wie en van wie hijzelf en zijn taal zijn gemaakt. Hij componeert zijn werk onder de koepel van wie hem zijn voorgegaan, ook al keert hij zich tegen die lange traditie. Wat hij ook doet, want schrijven is doen, is net zo fysiek als daadwerkelijk handelen, wat hij ook doet, in geen enkel geval ontsnapt hij aan de mond en de beet, de hand en de greep van wie hem leerden spreken en schrijven.

Wie spreekt neemt automatisch een ander in de mond. Een ander houdt mijn hand vast nu ik dit schrijf.
Wie spreekt en schrijft is altijd aan het danken, vaak ook, nogmaals, tegen wil en dank. Want danken is moeilijk. Je vraagt niet om cadeaus en je verwacht ze niet meteen, tenzij die cadeaus je eigen gedichten zijn. En soms ben je bang, ten onrechte trouwens, al dankend de trots van je persoonlijke verdienste te verliezen. En altijd ben je bang al dankend iets of iemand over te slaan.

Danken is moeilijk. Een eerbetuiging is een geschenk dat verplichtingen schept, en soms is een cadeau een vergiftigde gift. Paul Valéry gaat nog verder en zegt: ‘Chaque louange est une gifle à l'orgueil.' Ik vertaal: ‘Elke lofzang is een oorvijg voor de hoogmoed.'

Danken is moeilijk. Danken is een kunst. Je weet niet bij wie of bij wat te beginnen, zelfs je sterfbed kan een dankbetuiging zijn. Is danken dan een uiting van beschaving? Ik weet het nog zo niet. Ook een hond begint te kwispelstaarten of sonoor te blaffen als je zijn blik met brokken uit de kast neemt. En soms bezit een trotse boer geen talent voor dankbaarheid en is hij jaloers op het paard dat zijn kar trekt.

Danken is moeilijk. Voor wie er zich toe zet is gauw het einde zoek. Aan wie en wat is een dichter schatplichtig? Op die vraag is heel zijn werk een antwoord, evident of cryptisch, maar een antwoord. En dat antwoord vindt ook deels zijn oorsprong in een hoogstpersoonlijke mythe die zich traag een weg moet banen in de taal van iedereen. Met die mythe doel ik op het van huis uit meegekregen melodische en ritmische verhaal, een latente muziek. Dat klinkt mysterieus. Dat is ook mysterieus, want die muziek is de specifieke gave, de singuliere gift, het gekregen gegeven van een lichaam dat ouder is dan ons bewustzijn en waarmee u en ik het moeten doen. Die muziek is wat Baudelaire noemt ‘l'expérience innée', de ingeschapen, aangeboren ervaring. Wij komen nu eenmaal ter wereld met een bepaalde genetische set. Die set is deels de bril waardoor wij de wereld bekijken. Mijn ogen en oren zijn immers ouder dan mijn grootvader. Die aangeboren ervaring moet uit haar verborgenheid treden als wij willen worden wat wij zijn.

Danken is moeilijk. Danken is een kunst. Maar hier nu word ik hopelijk liefdevol onderworpen aan de regels van de republiek der letteren, aan de wetten van het hof, aan de hoffelijkheid en de plezierige plicht van een vandaag wel heel concreet geworden dankwoord. Normaal gezien zit ik op vrijdag 30 november 2012 's middags alleen in een kamer en regisseer ik zelf de boel. Ik ben het al meer dan veertig jaar gewend nauwlettend mijn eigen protocol te volgen. Een kunstenaar is dag en nacht de ceremoniemeester van zijn eigen banaliteiten en plechtigheden. Hij beseft al jong dat als hij zichzelf en de mensen iets te bieden wil hebben, hij dagelijks de mensen moet verlaten. Hij zondert zich dagelijks van de mensen af om iets te maken en zodoende zijn plaats te vinden onder die zelfde mensen. Hij geeft de woorden, de muziek en de beelden die hij van u heeft gekregen, op zijn manier aan u terug. Hij maakt van u zichzelf en geeft zich terug aan u. De dank die u, leden van de jury en bij uitbreiding u die hier vandaag in deze zaal aanwezig bent, de dank die u mij zegt, zeg ik u terug. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om uitdrukkelijk ook mijn dank te betuigen aan het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. In mijn dankzegging wil ik hier ook mijn uitgever Querido betrekken die al meer dan vijfentwintig jaar mijn werk voortreffelijk behartigt.

Danken is moeilijk omdat het zich richt tot u allen. En, nogmaals, als u dat danken beschouwt als de praat van een fluwelen tong, verdenk ik u opnieuw van kwade trouw. De nep en het inzicht, de sneer en de kus, de shit en de schoonheid, ik heb het allemaal van u gekregen, zelfs dit lijf en zijn Nederlands heb ik van u gekregen, ik geef het u allemaal anders terug in mijn werk.

Dat heet dan dank voor dank. Dat heeft, voor mij althans, iets feestelijks. ‘Het feest' is ook de titel van een reeks gedichten die ik meer dan een kwarteeuw geleden heb geschreven. Ik lees u het eerste, het telt maar acht verzen, de flessen en glazen staan klaar.


Het feest

Laten we drinken omdat er niets te vieren valt

Dan dat we bleven leven om mekaar te bezoeken.

Het is een feest dat jij vandaag niet bent gestorven.

Het is een feest dat hij geen degelijke wortels had

Maar benen om te komen naar mijn huis van ons.

Het is een feest dat zij haar eenzaamheid kan geven

Aan het muzikale oor dat deze kamer is geworden.

Laten we drinken zonder andere reden dan wij.




SDL vrijdag 21 december 2012

Omhoog


 

Moedertaalonderrig bevorder leerderprestasie en kulturele diversiteit -
Michael le Cordeur 18-1-2011 (Afrikaans)

Michael le Cordeur pleit voor moedertaalonderwijs in de Afrikatalen in Zuid-Afrika.


Taal is een van die belangrikste aspekte om gestalte aan kulturele diversiteit te gee

Volgens ’n wêreldverslag van UNESCO het kulturele diversiteit met die draai van die eeu as ’n sleutelbegrip na vore getree. Hiervolgens is taal een van die belangrikste aspekte om gestalte aan kulturele diversiteit te gee. Taal is nie net ’n middel tot kommunikasie is nie; dit verteenwoordig ’n rykdom aan kultuurgoedere, en is ’n draer van identiteit en waardes. Taal fasiliteer ons intellektuele en kulturele interaksies met ander mense. Taal is dus ’n belangrike instrument vir nasiebou.


Waarom is moedertaalonderrig so noodsaaklik?

Nasionale integrasie is een van die ideale van post-1994-Suid-Afrika. Dit kan bewerkstellig word deur onder andere die beskerming van die land se diversiteit, die vestiging van ’n demokrasie en die bevordering van gelykheid en menseregte. Hierdie ideaal kan natuurlik op verskillende domeine nagestreef word. Een daarvan is taal, meer spesifiek die beskerming van diversiteit, die bevordering van meertaligheid, die bemagtiging van sprekers (leerders) se vaardighede in hul huistale, die aanleer van addisionele tale, en die ontwikkeling van respek vir ander tale en die regte van hul sprekers. Let op na die “doen”-woorde: beskerm, bevorder en bemagtig (die leuse van die Afrikaanse Taalraad).


Verband tussen moedertaalonderrig en prestasie

UNESCO definieer moedertaalonderrig as “education which uses as its medium of instruction a person’s mother tongue, that is, the language which a person has acquired in early years and which normally has become his natural instrument of thought and communication”.
Dus behels moedertaalonderrig dat leerders die fundamentele konsepte van ’n onderwerp in hulle moedertaal geleer word. Sodra hulle hierdie konsepte begryp, kan hulle dit toepas tydens die aanleer van ’n tweede taal. Kinders verstaan konsepte makliker in ’n taal wat aan hulle bekend is, maar in ’n tweede taal word dit dooie woorde wat net gememoriseer, maar nie geïnternaliseer word nie.
Die probleem is dat baie min leerders moedertaalonderrig ontvang – wat ’n reuse-uitwerking het op hulle vermoë om die kurrikulum baas te raak. Prestasiepatrone dui byvoorbeeld daarop dat leerlinge swak vaar in gesyferdheid omdat hulle nie uitdrukkings soos verdubbel en halveer verstaan nie. Daar is oorweldigende bewyse nasionaal en internasionaal dat leer deur die moedertaal vir minstens die eerste ses jaar van ’n kind se lewe help om leer te bevorder.

Lees het hele artikel uit LitNet Akademies

Omhoog


Grammaticale beroering op de mailinglist van de Community Nederlands van Kennisnet - Eén zin, vier zinsdelen – maar vooral een stukje poëzie 12-15 - 3 - 2012

Op maandag 12-3 stuurde ik de volgende vraag naar de Community Nederlands:

Beste collega's-liefhebbers van grammaticaal denken,

“de wilgen wenen
 hun lichtgroene bladtranen
 op de demerkant”





In witte letters op een gewone bakstenen muur langs de Demer in Aarschot staat dat 'gedichtje'. Meer dan leuk en treffend.

Grammaticaal ook merkwaardig: 'wenen' een poëtisch of Belgisch-Nederlands woord voor 'huilen', 'schreien' is toch een onovergankelijk werkwoord!

‘hun lichtgroene bladtranen’? is dat hier lijdend voorwerp of bepaling van gesteldheid?

Mijn optie: bepaling bij het onderwerp, dan resultatieve werkwoordsbepaling en dat is een soort bepaling van gesteldheid of heb ik het fout voor?

Hoe zou je dat in een klas met gevorderde ontleders aanpakken?

Ik kijk uit naar de reacties van de Nederlandse en Vlaamse collega's.

Ghislain Duchâteau, Hasselt

Van maandag 12-3 tot donderdag 15-3 antwoordden 30 collega’s op mijn vraag.

De eerste dinsdag van maart dit jaar wandelde ik met een groepje oud-collega’s langs de Demer van hotel-restaurant ’s-Hertogenmolens in Aarschot naar het centrum van de stad. Onderweg werd ik gefascineerd door de versregels op de muur in sierlijke witte handgeschreven letters. Spontaan heb ik er een paar foto’s van genomen: eentje heel dichtbij getrokken en eentje op normale afstand. Als situering van de versregels voeg ik de beide foto’s hierbij. Bij de bewerking en de invoeging constateer ik evenwel – en dat is wel heel prozaïsch - dat er geen wilgen langs de Demer staan. Ze zijn evenwel niet ver uit de buurt en mogelijk zijn ze op die plaats langs het water gekapt.

Meteen trof mij het poëtisch gehalte van deze Vlaamse haikoe. Mooi en sierlijk en treffend geformuleerd.

De versregels bleven echter in het geheugen hangen. Zo kwam ik verder tot de taalbeschouwelijke benadering ervan.

Uit een aantal reacties kwam het advies het gedichtje op zichzelf te beschouwen en niet in de klas de poëzie te onttakelen door een nuchtere grammaticaal-analytische benadering. Zeker, daarmee kan ik het eens zijn: beslist het dichterlijke belevingsmoment laten doordringen en het niet verknoeien met ontleding.

Maar op een ander moment kan die benadering wél. De bekoring van de zin als zin is zo groot, dat je het wel even wagen kan. Daarbij kwam de herinnering ook naar boven van mijn lessen taalbeschouwing met studenten in de lerarenopleiding. Naast de zuivere kennis van de zinsdelen werd gepoogd om niet enkel te benoemen, maar ook te beredeneren, zodat meer inzicht kon dagen bij die aandachtige en goed gemotiveerde jonge taalbeschouwers.

Binnen deze context is mijn bevlieging ontstaan om aan de 11.000 leden van de “mailinglist” Nederlands dit gedichtje, maar ook dit tekstje voor te leggen. Gevoelsmatige maar ook rationele overwegingen werden aan het scherm en aan de cyberruimte toebedeeld en vlogen ook naar de verzender toe. Als denkoefening kan deze act wel tellen.

En in een aantal opzichten moet ik me onvoorwaardelijk gewonnen geven.
Hoe mooi zou het niet overkomen als we hier werkelijk te doen hadden met een bepaling van gesteldheid! Maar de collega’s uit Noord en Zuid waren het er goeddeels over eens dat ‘wenen’ of ‘huilen’ of ‘schreien’ een overgankelijk werkwoord is weliswaar met de toegeving dat het overgankelijk karakter toch wel wat bijzonders heeft.  Het argument van de sympathieke Nijmeegse taalprof P.A. Coppen is toch wel doorslaggevend: “Je kunt het geen bepaling van gesteldheid noemen, omdat het niet predicatief is (het zegt niet wat de bladtranen zijn, maar waar ze zijn).” Grif moeten we nu en dat met toch heel wat napret erkennen dat “hun lichtgroene bladtranen” lijdend voorwerp is. Een bepaling van gesteldheid of hier hypothetisch de soort resultatieve werkwoordsbepaling is immers een bepaling bij een onderwerp of bij een lijdend voorwerp. Maar hier zijn inderdaad “hun lichtgroene bladtranen” het lijdend voorwerp bij een persoonsvorm van een werkwoord dat wat ongewoon overgankelijk is.

Met bijzonder veel en hartelijke dank voor de reacties van de 30 collega’s, die hier eens te meer in de bres gesprongen zijn voor een adequaat stukje taalbeschouwing.

Ghislain Duchâteau
19 maart 2012

Omhoog


 

Brabant taalcentrum?



Toevallig viel mij een overdruk in handen van het artikel van de taalwetenschapper prof. Guido Geerts uit “Forum der letteren – tijdschrift voor taal- en letterkunde 24 (1983) 1 (maart) 55-63” met de titel
‘Brabant als centrum van de standaardtaalonwikkeling in Vlaanderen’.
  
    





Het is goed af en toe eens terug te grijpen naar vroegere publicaties en de visie van de auteurs eens te toetsen aan de sindsdien geëvolueerde situatie naar nu.

Visie taalkundigen 1983

In zijn inleiding stelt Guido Geerts dat in zijn bijdrage wordt nagegaan hoe Brabant erin geslaagd is een centrale positie in het standaardiseringsproces van het Nederlands in Vlaanderen te verwerven en daarbij de “zwarte-piet’ van het particularisme aan (West-)Vlaanderen door te spelen. Verder wordt de vraag behandeld of Brabant niet steeds al particularistisch is geweest en het nu nog is en wordt ingegaan op die rol die het als taalcentrum in Nederlandstalig België zou spelen. Tenslotte wordt het eigenaardige karakter van dit Brabantse centrum geïnterpreteerd als een kracht die de convergentie van de standaardtaal in Vlaanderen met die in Nederland bevordert. We plaatsen ons daarbij in gedachten uiteraard terug tot aan het begin de jaren 80.

In een eerste deel van zijn tekst stelt Geerts dat zowel in de dialecten als in het Standaardnederlands in Limburg en Oost- en West-Vlaanderen er lexicale invloed van het taalgebruik in Brabant is aangetoond. Daarom wil Jan Goossens tegen de opvatting van prof. Van Coetsem in, Brabant beschouwen als “taaleigen centrum” m.b.t. het Nederlands in België. Brabantse woorden buiten Brabant gebruikt, gelden als manifestatie van “Brabantse expansie” volgens Goossens, in die gevallen waarin die woorden in andere dialecten voorkomen maar ook in die gevallen waarin die woorden in de algemene taal van Vlamingen en Limburgers worden gebruikt. Daarbij is het ook niet onwaarschijnlijk dat de verspreiding van algemene Nederlandse woorden in Limburg en Vlaanderen ook via Brabant gebeurt. Dat is volgens Goossens trouwens ook het geval met Franse leenwoorden en gallicismen. Zo kan Brabant als taaleigen centrum fungeren voor vormen die uit de cultuurtaal in het taalgebruik van Limburgers en Vlamingen terechtkomen.

Brabant heeft volgens Guido Geerts zeker de praktische kracht van een taalcentrum. Het ontleent die aan de sociale, economische, culturele en politieke omstandigheden in Vlaanderen. Het is de provincie van grote steden als Antwerpen en Brussel, van de universiteit van Leuven, van de zetel van het aartsbisdom, van de belangrijke industriële as Antwerpen-Brussel, van de openbare omroep van radio en televisie, van de grote landelijke dag- en weekbladen.  Volgens Geerts bestaat de kans dat op al die gebieden dat verbrabanst Nederlands het medium is dat gebruikt wordt om de rest van het Vlaamse land deelgenoot te maken van de Brabantse overvloed. Hij stelt duidelijk dat Brabant zich daarnaar met grote vanzelfspekendheid gedraagt. Volgens prof. Van Coetsem echter staat Brabant tegenover de Belgisch-Nederlandse rijksgrens en moet het rekening houden met Nederland. Zijn houding is toch wel heel wat minder zelfverzekerd als men had kunnen aannemen. Ook de sociolinguïst Kas Deprez relativeerde de Brabantse positie. Het is daarom een ‘eigenaardig’ taalcentrum binnen het taalgebied. Die onzekerheid manifesteerde zich eerst door een beweging van het Nederlands weg, later geneutraliseerd door een beweging naar het Nederlands toe door standaardtaalovername. Bij een later verworven taalzekerheid van Brabant zou het wellicht  in staat zijn zijn eigen taalgebruik als een norm te gaan beschouwen. Dat zou dan een institutionalisering betekenen van het Brabantse particularisme.

Situatie nu?

In het eerste decennium van de 21ste eeuw zien we die neiging zich duidelijk manifesteren met een zekere expansiedrang naar het westen en minder naar het oosten en een zekere maar toch wel beperkte expansierealisering. Zo zou Brabant dan wél een centrum zijn van het Vlaamse taalgebied. Het lijkt er wel op dat de spraakmakende gemeenschap zowel in West-Vlaanderen als in Limburg zich niet laat meetronen in die expansie, zodat die taalcentrumpositie zich toch niet zonder meer zou kunnen doorzetten. Gebeurt dat dan toch wel weer, dan zou het Brabantse particularisme voor gevolg hebben dat zich in Vlaanderen meer dan een substandaardtaalvariëteit zou vestigen, zodanig dat de grens tussen noordelijk Nederlands en zuidelijk Nederlands in de richting zou opschuiven naar een grens tussen twee talen. Ook José Cajot stelt dat de landsgrens taalgrens kan worden. Zelf geloven wij in de mogelijkheid tot een verdere standaardisering - hoewel moeizamer dan voor de jaren ’70 - door een toename van de noodzaak om communicatieve situaties spontaan en natuurlijk in het Standaardnederlands te laten plaats grijpen. Standaardnederlands past in het publieke domein, in het bestuur en beslist in het onderwijs. Het is de algemene taalgebruiksvorm die het handigst is voor communicatie in zoveel mogelijke spreekcontexten. Het blijft echter boeiend te zien hoe de evolutie van dialectgebruik, tussentaligheid en standaardtaligheid zich verder voltrekt. Wij blijven ervan overtuigd dat Nederlanders en Vlamingen er alle voordeel bij hebben om het Standaardnederlands zoveel mogelijk te cultiveren in de gewone omgang en het is zeker de aangewezen taalvorm voor het hele onderwijs.

Ghislain Duchâteau

24 oktober 2011

Omhoog


 

Woordgebruik en onderwijs

Verschillende woorden

Een naarstige Vlaamse taalliefhebber Fons Wuyts voert al enkele jaren een campagne voor het woord ‘plezant’. Hij vindt dat de Vlamingen moeten ijveren voor de erkenning van het gerechtvaardigd gebruik van dat woord in het Nederlands. Hij meent dat de school de leerlingen verplicht het woord ‘leuk’ te gebruiken in plaats van zijn voorkeurwoord.
Om zijn doel te bereiken wil hij de Nederlandse Taalunie ertoe aanzetten zijn mening bij te treden. Die heeft vrij vlug gereageerd met te stellen dat ze niets heeft tegen het gebruik van het woord, maar dat het minder bruikbaar is als je de grens oversteekt naar Nederland. Hetzelfde zal ook wel weer zo zijn voor woorden die in Nederland veelvuldig voorkomen en die in het Vlaamse landsgedeelte minder goed verstaan worden. Denk aan pisang voor banaan, dreutelen voor treuzelen, vutter voor gepensioneerde.

Op 14 maart 2011 schreef de taalman van De Standaard Ludo Permentier in zijn rubriek “Woorden weten alles” een stukje met als titel ‘Plezant’ en gebruikte in zijn tekstje niet minder dan 27 woorden die in Vlaanderen mondgemeen zijn en die in Nederland niet of nauwelijks voorkomen. Een ‘leuk’ tekstje zouden we het kunnen noemen, maar daartegen zou Fons Wuyts wel bezwaar hebben. Voor de ‘aardigheid’ schotelen  we u, beste lezers, het eerste alineaatje voor: “Wat ben ik blij met de pagadder, de karottentrekker, de zagevent, de smoelentrekker en de pezewever. Ik zou me mijn leven niet kunnen voorstellen zonder goesting, zonder frietkot, appelspijs en pateekes. En hoe plezant is het als je bomma of bompa ziet fikfakken met de klein gasten tot ze pompaf zijn. Amai nie!

Hier verzeilen we in de problematiek van het duocentrisme in het woordgebruik. Sinds een paar jaren menen de woordenboekschrijvers en de VRT al heel wat langer, dat woorden die enkel in Nederland gebruikelijk zijn of die enkel in Vlaanderen veelvuldig voorkomen volwaardig hun plaats verdienen in het woordenboek of gerust gebruikt mogen worden in het mondeling taalgebruik op de televisie. Zo constateren we een toegenomen gebruik van het woord “goesting” op de TV-zenders Eén en Canvas. In de woordenboeken worden ze gemerkt met het label Nederlands-Nederlands of Belgisch-Nederlands. Prof. Willy Martin publiceerde een tijdje geleden in het blad van het Algemeen-Nederlands Verbond Neerlandia/Nederlands van Nu een artikel met zijn onderzoeksbevindingen over het verschillend woordgebruik in Noord en Zuid. Dat ligt zowel voor het ene gebied als voor het andere op zowat een 4.000 woorden die telkens in elk van die gebieden gebruiksmoeilijkheden opleveren omdat ze in het andere gebied weinig of niet voorkomen. In het geheel van de voorradige woordenschat van het Nederlands met zowat een paar honderdduizend woorden vormt dit maar een heel klein percentage.

Op school in gesproken of geschreven taalgebruik

Op school staat de woordenschatdidactiek sinds enkele jaren opnieuw voluit in de belangstelling. Leraren Nederlands vooral worden geconfronteerd met de dubbele gerichtheid naar Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands zoals de woordenboekmakers die voorstaan. Wat moeten ze nu aan met die Nederlandse woorden die in Vlaanderen niet vaak of niet worden gehanteerd en wat moeten ze met de Belgisch-Nederlandse woorden tegenover hun leerlingen? Voorheen was de gerichtheid naar het Noord-Nederlandse woordgebruik de norm en werden woorden als ‘fiets’, ‘magnetron’, ‘krant’ als de correcte woorden aangewezen. Hoe stellen Nederlandse leraren zich daartegenover op? En hoe doen de Vlaamse docenten het? Als de verschillende woorden dan toch gelijkwaardig zijn, zou het de voorkeur verdienen dat leraren uit Nederland en leraren uit Vlaanderen zich naar hun leerlingen toe ook gelijkwaardig tegenover die wat ‘vreemde’ woorden zouden opstellen. Dat impliceert dat Nederlandse leraren ook die Belgisch-Nederlandse termen aan de orde stellen en omgekeerd dat Vlaamse leraren ook Nederlands-Nederlandse woorden in de klas behandelen.

Jawel, maar hoe? Een uitstekend houvast voor alle leraren zou kunnen zijn wat de Nederlandse Taalunie stelt in haar reactie op de actie van de Vlaming Fons Wuyts:

Een woord is dus niet minder Nederlands als het alleen maar in een van deze drie landen (Suriname inbegrepen) voorkomt. Het is wel minder bruikbaar als je er de grens mee oversteekt.
Het is wel nuttig als mensen dat op school leren.
” 

Woorden in teksten, woorden in gesprekssituaties die leerlingen b.v. via schermprojectie zien en horen, kunnen behoren tot de Nederlands-Nederlandse of Belgisch-Nederlandse taalschat. Die horen door de leraren te worden opgevangen en die mogen dan even de aandacht krijgen met de passende labeling. Of de leraren in de beide landen dat zullen doen, moeten we afwachten. Het is alleszins erg aanbevelenswaard dat leraren hun leerlingen zoveel mogelijk vertrouwd maken met de betekenis van alle woorden en dus ook naargelang van de voorkomende teksten in de klas de betekenis duidelijk stellen en aanwijzen dat dit of dat woord, die of gene uitdrukking in Nederland dan wel in Vlaanderen meestendeels of exclusief voorkomt. Voor het mondelinge taalgebruik is er geen bezwaar dat al die woorden gewoon gebruikt kunnen worden.

Moeilijker wordt het wel wat als we het hebben over woordgebruik in geschreven teksten.
Daar wordt een striktere norm gehanteerd. Vele woorden uit het ander land worden door heel wat schrijvers en ook lezers niet als correct aangevoeld. Daarom zullen de leerlingen het best zoveel mogelijk in hun geschriften woorden gebruiken die voor zoveel mogelijk mensen normaal overkomen en die tot de standaardtaal gerekend kunnen worden. Het is dan ook niet altijd duidelijk of ze wel of niet tot het Algemeen Nederlands behoren en dan is het echt aan te bevelen een goede adviserende bron te raadplegen. Men kan dan het woord opzoeken in een degelijk woordenboek (Prisma Handwoordenboek, binnenkort ook in Van Dale). De beste raadgevende instantie die met nog meer gezag dan de woordenboekschrijvers hier kan adviseren is inderdaad de Taaladviesdienst ook verbonden met de Nederlandse Taalunie met een treffelijk te raadplegen website Taaladvies.net. Daar kun je naast antwoorden op vragen over spelling ook zelf vragen stellen over woordgebruik. Is dat of dit woord Standaardnederlands of niet? Deskundigen zullen je binnen de kortste tijd uitsluitsel geven over je vraag over woordgebruik.  
Het kan van belang zijn de Toelichting op de totstandkoming van de taaladviezen er even op na te lezen. Zie: http://taaladvies.net/taal/advies/verantwoording/

In de klas – in de handboeken

Met deze tekst bedoelen we toch wat ruimer inzicht te geven over de aanpak op school van het verschillend woordgebruik in Zuid en Noord. Dat kan dan ook wat meer houvast opleveren voor leraren die het ernstig menen met het taalgebruik en meer speciaal met het woordgebruik in gesproken en in geschreven taal. Voor de geschreven taal streven we hierbij toch best naar een eenheid in woordgebruik, voor de gesproken taal kunnen leraren zich permissiever en breder opstellen. In geen geval mag het woordgebruik in de leerboeken zowel van Nederlandse als van Vlaamse schoolboekenuitgevers een belemmering vormen om ze te raadplegen of ook te gebruiken in scholen in beide landen. Het algemeen woordgebruik kan bevorderlijk zijn voor een vlot hanteren van die educatieve uitgaven in de twee landen.

Ghislain Duchâteau

14 maart 2011

(Dir artikel is ook opgenomen in de NDN-Nieuwsbrief 23-3)

Omhoog



Tydbom

Stef Bos

2011-09-27

 

 

Stef Bos
Foto: Bibi Slippers

Ek ry in my kar                               
Deur die vlakte in die kaap
Die son skyn oor die see
By Gordonsbaai
En ek sien waar ek kyk
Die gesigte van die land
En ek sien langs die pad
Hoe die veld brand

Die struggle is verby
Die nuwe tyd is lankal daar
Maar die rykes word ryker
En die armes kry swaar
En ek sien op die teerpad
Naar Muizenbergstrand
Die shacks van Khayelitsha
En die plakkerskamp

En ek hoor die tydbom tik           
Tik tik tik                                          
Die tydbom tik

Die rook hang boë Langa
Die vliegtuige styg op
En ’n swart man by die robot*
Wil my ’n sonbril verkoop
Wat gaan aan in sy kop
En wat dink hy oor my
Daar was so baie beloftes
Maar wat het hy gekry

En ek sou hom wil vra
Wie hy is hoe hy leef
Maar die robot raak groen
En my kar moet beweeg
En die Kaap lyk so mooi
In die somer se son
En die wind is so stil
dit voel asof daar
’n storm gaan kom

En ek luister na musiek
Tap my vingers op die stuurwiel Tik,tik,tik
Die tydbom tik
Die tydbom tik

Die kleure van die reënboog
Weggespoel deur die geweld
Die diktatuur van toe                                
Is nou die diktatuur van geld
Die ideale word verkoop             
Die kapitaal is aan die mag
En Steve Biko is moeg en
Draai homself om in sy graf       
Want wat hy sien                           
Maak hom siek
Die tydbom tik

Jy kan moeg wees van die toestand
In hierdie land
Jy kan ook ’n brug bou
Naar die ander kant
Jy kan na die tv kyk
Tot die oggendlig
Jy kan jou oë sluit
Met ’n sepie** of ’n flik***
Maar die tydbom tik
Tik tik tik
Die tydbom tik

(Stef Bos CD Kloofstraat, 2010)
http://www.litnet.co.za/

[*robot=stoplicht]
[**sepie=soapserie]
[***flik=(rond)chocolaatje]

Omhoog


*Kennis delen met zijn medeleerlingen 'Peer Assistent Learning' Leraar 24 (algemeen didactisch artikel)

De modernisering van het onderwijs heeft de afgelopen decennia een enorme verandering teweeg gebracht in de didactiek. Het is inmiddels algemeen bekend dat we het meest leren van uitleggen aan anderen. Dit heeft ondermeer geleid tot een steeds actievere rol van de leerling in het vergaren van kennis. De leraar heeft hierin een meer coachende rol verkregen. Peer Support en Peer Assisted Learning (PAL) gaan nog een stapje verder. De leerling is niet alleen actiever in het vergaren van kennis maar deelt zijn kennis met zijn medeleerlingen.

Dit item laat zien hoe de leerling in verschillende rollen kennis deelt, overbrengt en daarmee zelf vaardigheden ontwikkelt die hem van pas komen in een vervolgopleiding en/of beroepsuitoefening. Peer support heeft met Peer Assisted Learning een didactische methode ontwikkeld die de leerling centraal stelt in het onderwijsproces. Voor elke rol die een leerling kan hebben is een training ontwikkeld



Bekijk en beluister aandachtig de video daarover (6'26")




Bron: Leraar 24

Omhoog


*Enkele pertinente opvattingen van Ludo Beheyt over taal, cultuur, verschillen tussen Nederland en Vlaanderen en nog enkele thema's


Ludo Beheydt

"De ontkenning van de eigen identiteit is hier (in Nederland) een eigen sport"




Ludo Beheydt geniet van cultuurverschillen tussen Vlaanderen en Nederland

De Belgische hoogleraar Ludo Beheydt werkt sinds juni 2001 bij de Opleiding Dutch Studies van de Universiteit Leiden, waarin buitenlandse studenten kennismaken met de Nederlandse taal en cultuur. Vooral identiteitsvraagstukken en cultuurverschillen brengt hij in zijn colleges onder de aandacht. Een gesprek over vergadercursussen, Damslapen, de menukaart van de coffeeshop en de rijkdom van de eigen taal: "de Mastersopleidingen moeten echt niet allemaal in het Engels."

Lees de tekst van het gesprek van Jock van Vliet met de hoogleraar

Europeaan, Belg of Vlaming... wie ben ik? Ludo Beheyt

Ludo Beheydt heeft van de Nederlandse taal en cultuur zijn specialiteit gemaakt. Hij geeft er niet alleen les over in Louvain-la-Neuve, maar is ook op andere vlakken met deze thema’s bezig. Zo had hij tot vorig jaar zitting in de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, is hij redacteur van het tijdschrift Neerlandica Extra Muros en jurylid van de vereniging Let Op Uw Taal. Bovendien houdt hij zich als lid van European Children in Crisis bezig met problemen van meertaligheid. Beheydt heeft een waaier van publicaties op zijn naam staan, gaande van uitspraakgidsen, een woordenboek en computerprogramma’s tot een prachtig kunstboek. Toch koestert hij nog een paar dromen.

Een gesprek met een duizendpoot
Aurore Baeten en Sofie Van Landegem, Leuvense Germanisten.

Een bijzonder relevant stukje uit dat interview:
Standaardtaal in tegenspraak met culturele identiteit?

Hoewel Beheydt een voorstander is van diversiteit, stelt hij dat gemeenschappelijke taalnormen noodzakelijk zijn. Elk taalgebied beschikt normaal gezien over een standaardtaal, een neutraal communicatiemiddel dat de regionale verschillen overstijgt. Wat is dan de standaard voor Vlaanderen? Volgens Beheydt is die voor het geschreven taalgebruik dezelfde als in Nederland. Wat de gesproken taal betreft, heeft Vlaanderen een eigen norm. De taal van de VRT-nieuwslezers is daar een goed voorbeeld van, vindt hij. Het hebben van zo een geschreven en gesproken standaard heeft, naast een communicatieve functie, tevens een belangrijke didactische functie. Dat geldt zowel voor degenen die Nederlands leren als vreemde taal, als voor de moedertaalsprekers. De anderstaligen hebben immers nood aan duidelijke normatieve richtlijnen. Voor moedertaalsprekers is het handig om naar die regels te kunnen grijpen in twijfelgevallen.

De behoefte aan een ongemarkeerde taalvariant betekent niet dat afwijkingen van de norm uit den boze zijn. Zo benadrukt Beheydt dat het niet nodig en zeker niet wenselijk is om alle belgicismen zomaar te verwerpen. Daar bestaan hoofdzakelijk twee redenen voor, zegt hij. Ten eerste verwijzen sommige termen, zoals rijkswacht en schepen, naar typisch Belgische instellingen. Ten tweede zijn er woorden die voor de Belg zo emotioneel getint zijn, dat hij ze niet wil opgeven. Goesting, kot en pistolet zijn daar goede voorbeelden van. We moeten er volgens Beheydt tevens rekening mee houden dat we in een gestratificeerde maatschappij leven. Naargelang van de context en de gesprekspartners hanteren we een bepaald register. Zo zullen we meestal geen gekunsteld Nederlands spreken tegen vrienden, of dialect tegen een meerdere. Kortom, zowel standaardtaal als dialect kunnen kunstmatig overkomen als ze in de verkeerde context gebruikt worden. (2003)

Ludo Beheyt is hoogleraar Nederlandse taalkunde en Nederlandse cultuur aan de Université catholique de Louvain.

Omhoog



Ik ging daar naar een winkel

Ik ging daar naar een winkel
om iets wat bestond te kopen.
Ze konden mij daar niet verstaan,
dus wees ik kleur aan, zweeg hoe hol,
boog ik hoe rond, trilde hoe licht,
bewoog ik hoogte, lengte, breedte.
Ze zeiden: wiewie wiewiewie
en legden heel hun toonbank vol
met veel wat ik niet wilde.
Ik moest naar huis terug. Ik moest
er woorden bij. Maar hoe te weten
of wat ik in mijn woorden zei
en zij in hun andere taal anders ook
in hun taal net zo heette.

Joke van Leeuwen

Uit de reeks Kind in Brussel uit de bundel
Vier manieren om op iemand te wachten.
Querido, Amsterdam, 2001

Omhoog


Taalschrift

Tijdschrift over taal en taalbeleid

Het omvat een overzichtelijke home pagina, een onvoorstelbaar boeiende discussie bladzijde, een ontzettend interessante reportage pagina en een colofon. De afdelingen discussie en reportage brengen in een kadertje telkens een onderwerp met een tekstinzet en met een koppeling naar het volledige artikel of de reportage toe.
Bijzonder aanbevolen om in die webstek eens lustig te grasduinen.

http://taalschrift.org/

Omhoog


* “Nederlands, let op uw zaak!”

24/05/06 | Jan Roukens, oud-medewerker van de Europese Commissie

“De EU omarmt tegenwoordig opnieuw haar veeltaligheid. Dit veeltalenbeleid bevestigt voor de Nederlandse en andere taalgemeenschappen de gelijkwaardigheid van hun talen in de EU. Het streven naar de culturele eenheidsworst in Europa is niet meer. De Europese Unie is geen natiestaat. Wij spreken Nederlands en met anderen spreken wij een taal naar keuze.» Tot die conclusie komt Jan Roukens na een decennium van angst dat het Nederlands onder het Europese gewicht zou verdwijnen. Of de strijd voor het behoud daarmee gestreden is? «Het is belangrijk dat we de Europese Unie er aan blijven herinneren dat ze zèlf met de burgers in hun eigen talen moet communiceren! Ook en vooral via het web.”...
» 51 reacties (Laatste reactie geplaatst op 25/06/06)

Uit: Taalschrift - Tijdschrift over taal en taalbeleid


Omhoog


*  Hoe maakbaar is het Nederlands?

Prof. Fred Weerman, hoogleraar Nederlandse Taalkunde, Universiteit van Amsterdam - 16/03/06

“Laten we minder verkrampt omgaan met het Nederlands en ons concentreren op waar het werkelijk om gaat: onze gedachten helder onder woorden brengen.” Met deze stelling bestrijdt prof. Fred Weerman de opvatting van velen dat het Nederlands maakbaar is. Zelfs ondanks nieuwe spellingregels...

Bent u het daar mee eens? Wilt u er meer over weten, lees dan het hele artikel onder deze koppeling.

http://taalschrift.org/discussie/001074.html "

 
© 2006, NDN