Contact: info@netdidned.be
Correspondentieadres: Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
Verantwoordelijke uitgever: G. Duchâteau, Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
31-1, september, oktober 2018 - THEMANUMMER
     
In deze nieuwsbrief:

NDN-Facebookpagina




 
Redactioneel
20ste Colloquium Neerlandicum
De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN)
20ste colloquium IVN KULeuven
De presentaties
 
DAG 1 Opening
 
DAG 2
 
Taal en natievorming - B. De Wever
Tussentaal en standaardvariatie bij Vlaamse ouders - D. Van de Mieroop
Automatische analyse van teksten - panel
Digitale schrijfhulp Nederlands - L. De Wachter
Nieuwe leesbaarheidsvoorspeller voor Nederlands - H. Pander Maat
Betere leesbaarheidsformule voor Afrikaans - C. Jansen
Verzwakking sterke werkwoorden in het Nederlands - I. De Smet
Beweging in de perceptie van standaardtaal en tussentaal - L. Rosseel
Decibelletrie: het literaire hoorspel in Ned. radio-omroepen - S. Bluijs
Tweetalig Brussel: behandeling Nederlandstalige sprekers - F. Nougraha
Native en New speakers in tijden van globalisering - U. Voigt
 
DAG 3
 
Neerlandistiek en de Delta - J. Vanderwal Taylor
De weg van Nederlandse actuele literatuur naar Italië - P. Gentile
CLIL - Panel Taalkunde
CLIL - Inleiding - P. Hiligsmann
CLIL - Profiel leerlingen die kiezen voor Nederlands - L. Van Mensel
CLIL - Taalkundige kenmerken van het Nederlands van leerlingen - P. Hiligsmann en K. Van Goethem
CLIL - Emoties, attitudes en motivatie van CLIL-leerlingen t.a.v. het Nederlands - L. Mettewie
Identiteit in beweging - Panel Cultuur
DNA-mutaties in de Nederlandse identiteit - J. Renkema
Bewegende Nederlandse identiteit in Yemma van M. Benzakour - M. Güleç
Shouf Shouf Habiba: standaardstereotypen of intelligent integratieportret? - E. Besamusca
Representatie middenklasse en verband met literaire identificatie en literatuuronderwijs - M. Vesters
 
DAG 4
 
TPRS in de NT2-les - M. Arends
Uitspraakonderwijs in Centraal Europa context 2018 - Panel Didactiek
Uitspraakfouten beter aanpakken - Z. Czerwonka-Wajda
Prosodische perceptie bij Hongaarse NVT-studenten - R. Nagy
Taalprescriptivisme in beweging in de Lage Landen - C. Sas
Nieuw licht op de genrepositie van de Max Havelaar - J. Koch
De eerste Nederlander in Korea: J.J. Weltevree - J.Moon
Nieuwe studie Taalunie: taalbeleid onder Europese loep - A. de Jonghe en K. Waterman
Project Mikado - Tone Brulin in de wereld - G. Buelens
 
DAG 5
 
Receptie van Nederlandse literatuur in Rusland - I. Michajlova
Representaties van een Ander in Nederlandse nieuwsmedia - E. Besamusca
Studie Nederlands op universitair niveau in Brazilië - J. Monteiro
Middagsessies dag 5
 
Culturele avondprogramma's
 
Interview met de directeur van IVN Iris van Erve
 
 
Recent op de NDN-Facebookpagina
 
Beschikbaar in ons NDN-archief -NDN-site pagina Nieuwsbrief
NDN-Nieuws 30-4
 
NDN-Nieuws 30-3
 
NDN-Nieuws 30-2
 
NDN-Nieuws 30-1
 
• NDN-Nieuws 29-4
 
NDN-Nieuws 29-3
 
NDN-Nieuws 29-2
 
NDN-Nieuws 29-1
 
• NDN-Nieuws 28-4
 
NDN-Nieuws 28-3
 
NDN-Nieuws 28-2
 
NDN-Nieuws 28-1
 
NDN-Nieuws 27-4
 
NDN-Nieuws 27-3
 
NDN-Nieuws 27-2
 
NDN-Nieuws 27-1
 
NDN-Nieuws 26-4
 
• NDN-Nieuws 26-3
 
• NDN-Nieuws 26-2
 
• NDN-Nieuws 26-1
 
• NDN-Nieuws 25-5
 
• NDN-Nieuws 25-4
 
• NDN-Nieuws 25-3
 
• NDN-Nieuws 25-2
 
• NDN-Nieuws 25-1
 
• NDN-Nieuws 24-4
 
• NDN-Nieuws 24-3
 
• NDN-Nieuws 24-2
 
• NDN-Nieuws 24-1
 
• NDN-Nieuws 23-4
 
• NDN-Nieuws 23-3
 
• NDN-Nieuws 23-2
 
• NDN-Nieuws 23-1
 
• NDN-Nieuws 22-4
 
• NDN-Nieuws 22-3
 
• NDN-Nieuws 22-2
 
 
 
 
Redactioneel
 

Lectori salutem


Collega’s,


NEDERLANDS IN BEWEGING

Met genoegen sturen wij u de eerste editie van onze NDN-Nieuwsbrief in dit nieuwe academiejaar 2018-2019. Het is een themanummer. In het meer dan dertigjarig bestaan van onze didactiekvereniging Nederlands is dit wellicht de eerste keer dat de nieuwsbrief rond één enkel thema is gebrouwd. Er zit eenheid in verscheidenheid in.

De nieuwsbrief is een vorm van verslag van het 20ste Colloquium Neerlandicum van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN), dat aan de KU Leuven georganiseerd werd van 27 t/m 31 augustus 2018. Het thema luidt ‘Nederlands in beweging’. Uw redacteur mocht erbij zijn en woonde gedurende die vijf dagen een hele serie lezingen en workshops bij, waarvan hij in de nieuwsbrief een omstandig en geïllustreerd verslag uitbrengt.

Daarmee stapt het Netwerk Didactiek Nederlands voor deze ene keer buiten zijn rechtstreeks werkveld en betreedt het een verwant domein dat evenzeer een aantal topica bestrijkt die voor didactisch geïnteresseerden toch ook wel in zekere mate of tot op zekere hoogte van waarde kunnen zijn. Daarmee verbinden wij de extra-muros neerlandistiek voor deze gelegenheid met de intra-muros neerlandistiek.

Om het hoekje kijken en onze professionele belangstelling wat ruimer zoeken aan die overkant kan voor een keertje zeker geen kwaad, integendeel. Dat kan onze horizont wellicht een eindje breder open trekken.

De colloquiumbrochure met de abstracts van de lezingen en de aanwezigheid in een deel daarvan gewapend met een fototoestel gaf ons de kans een rijke inhoud van vele internationale en nationale sprekers met een bijzonder hoge kwalificatie te vergaren en hier ter beschikking te stellen.

Onderaan en buiten het thema staan weer een aantal recente Facebookberichten van de NDN-Facebookpagina. Het zijn er tien geworden voor deze editie. Maar de digitale koppelingen zijn nu opgenomen, zodat de lezer meteen rechtstreeks het bericht dat hij in het vizier heeft door te klikken op zijn scherm kan krijgen met daarbij de verwijzing naar de achterliggende mediatekst. Ook wat nieuws!

Met wat nieuwsgierigheid van des lezers kant brengt deze editie een hele brok potentieel belangwekkende en nuttige lectuur. Veel leesnut en -genoegen wenst u uw redacteur daarbij.

U kunt ons bereiken op info@netdidned.be


Ghislain Duchâteau – vicevoorzitter en redacteur NDN

namens het hele NDN-bestuur


 


Nederlands in beweging

20ste Colloquium Neerlandandicum

27-31 augustus KU Leuven – Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

Organisatie van de

Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN)


 


Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN)
 


De IVN biedt een internationaal podium voor neerlandistiek in de volle breedte en ziet als haar belangrijkste taak het stimuleren en ondersteunen van het onderwijs en het onderzoek in de neerlandistiek, met als kerndomeinen Nederlandse taal- en letterkunde, Nederlands als vreemde of tweede taal, vergelijkende taal- en literatuurwetenschap, didactiek van de taal en cultuur van de Lage Landen, cultuurgeschiedenis en interculturele communicatie.

Die ondersteuning biedt de IVN aan haar leden die academisch opgeleid zijn en andere belangstellenden door informatieverstrekking op de website, de uitgave van het wetenschappelijk tijdschrift Internationale Neerlandistiek, de uitgaven van de reeks Lage Landen Studies, de uitgave van het populair-wetenschappelijke tijdschrift VakTaal, het publiceren van digitale nieuwsbrieven en de organisatie van het driejaarlijks wereldcongres waar de internationale neerlandistiek centraal staat. Aan zo'n 175 universiteiten in het buitenland doceren meer dan 600 docenten aan 13.000 tot 14.000 studenten neerlandistiek. Voor die docenten is er een website die functioneert als een digitaal informatieplatform t.b.v. de diverse regio's: het Duitstalige gebied, het Engelstalige gebied, het Franstalige gebied, Centraal- en Oost-Europa, Het Middellandse Zeegebied, Noord-Europa, het Caribisch gebied, Zuidelijk Afrika en 'Azianië'.

De IVN-website

 
Omhoog ^


Het 20ste IVN-Colloquium Neerlandicum in Leuven

 

Dr. Henriëtte Louwerse, Voorzitter van de IVN, schreef het Voorwoord in de colloquiumbrochure met alle informatie: over het programma, de sprekers in de verschillende stromen, de lezingen per dag, de biografieën van de sprekers en de deelnemers.

Het Voorwoord betekende in de eerste plaats een welkom aan de deelnemers op het twintigste IVN-Colloquium Neerlandicum Nederlands in beweging! Dat brede thema omschrijft mevrouw Louwerse als volgt:

'De vraag hoe we als vakgebied reageren op de veranderingen in de wereld om ons heen houdt ons allemaal bezig. Globalisering, digitalisering, oprukkende marktwerking, transnationale en transdisciplinaire onderzoeksvragen, we hebben er allemaal in meer of mindere mate mee te maken.'

Dan stelt ze het colloquium zelf voor.

'Nu ruim driehonderd deelnemers van over de hele wereld naar Leuven zijn gekomen, kunnen we aan het begin van dit colloquium al vaststellen dat de internationale neerlandistiek groots in beweging is gekomen. Het is een bijzonder voorrecht om collega's uit alle windstreken bij elkaar te zien en dat ook nog op een prachtige locatie. We danken de KU Leuven van harte voor de gastvrijdheid.

De komende week gaan we ons onderzoek, ons onderwijs- en onze vertaalpraktijk delen in meer dan honderdvijftig verschillende lezingen en presentaties. Zo'n tweehonderdvijftig collega's zullen het woord voeren over hun onderzoek of hun lespraktijk. Ook voor jongeren onderzoekers maken we ruim baan. Het aanscherpen van onze kennis en inzichten en het delen van ons enthousiame staan de komende dagen centraal. De meeste dagen zijn er zelfs zeven parallesessies ingericht om iedereen aan het woord te laten.

Dat we aan het eind van die week geen eenduidige oplossingen zullen aandragen, zal niemand verbazen, daarvoor loopt de dagelijkse praktijk van onze globale onderzoekers, docenten en vertalers te veel uiteen. De omstandigheden in Padua zijn nu eenmaal anders dan in Belgrado of Groningen, Jakarta of Gent, Aruba of Pretoria. Wel hebben we ongetwijfeld na deze week een duidelijker beeld van hoe we als wetenschappers en docenten omgaan met de grote uitdagingen en hoe we flexibele strategieën kunnen ontwikkelen die onze eigen lokale situatie overstijgen.

Ons IVN-colloquium is ook een groot feest. We zijn een bevoorrechte vereniging die zo vertakt is en zo veelzijdig. Het wordt een week van nieuwe perspectieven, nieuwe inzichten en nieuwe inspiratie, maar ook van nieuwe en oude vrienden. Laten we vooral veel praten met mensen die we nog niet kennen.

Is de IVN ook in beweging? Jazeker. In uw colloquiumtas vindt u twee rapporten die het resultaat zijn van ons grote veldonderezoek. Naast de cijfers kunt u ook het enthousiame van en voor de neerlandistiek voelen.


De presentaties

 

 

Tijdens de colloquiumdagen waren er elke dag vijf stromen met een aantal wisselende sessies: Taalkunde, Letterkunde, Cultuur, Didactiek en Vertalen.

De planning van de lezingen en de themabijeenkomsten staan op de pagina's 18 tot 21 in de colloquiumbrochure voor de deelnemers.

De titels van de lezingen met de namen van de sprekers en een abstract staan per dag in de brochure op de pagina's 26 tot 84.

Met behulp van planning en abstracts kon elke deelnemer per dag zijn eigen lezingenprogramma samenstellen.

Er waren keynotes, gewone lezingen maar ook panels. Een panel betekende in deze context dat er rond eenzelfde ruimer thema opeenvolgend door verschillende sprekers specifieke aspecten rond dat thema werden behandeld.

Uw rapporteur stelt hier zijn eigen gekozen programma van de lezingen of presentaties voor die hij per dag opeenvolgend heeft bijgewoond en waarbij hij telkens eigen foto's heeft gemaakt. Dat zijn er voor de vier dagen dat die lezingen voorzien waren toch wel een 29-tal tekstjes geworden.

Van een enkele spreker hebben wij geen foto gepubliceerd, omdat zij op haar schouder de rode ronde sticker had, die ervoor waarschuwde dat zij geen foto van zichzelf wenste gepubliceerd te zien zoals vooraf was afgesproken. Alle foto's heeft uw rapporteur zelf gemaakt en aangepast voor de illustratie van de verschillende presentatiestekstjes.

De abstracts van de respectieve lezingen worden overgenomen en voor de meeste waar nodig ook aangevuld met de belangrijkste relevante gegevens uit de lezingen zelf.


DAG 1 Openingszitting in de Promotiezaal van de KU Leuven en receptie in de Wandelzaal van het Leuvense stadhuis

 
  • Welkomstwoord door prof. dr. Luc Sels, rector KU Leuven
  • Opening van het Colloquium Neerlandicum door dr. Henriëtte Louwerse, bestuursvoorzitter IVN
  • Toespraak van Axel Buyse, algemeen afgevaardigde van de Vlaamse regering
  • Videoboodschap van Ingrid van Engelshoven, minister van OC en W
  • Videoboodschap van Geert Bourgeois, Vlaams minister-president
  • Openingslezing door Annelies Verbeke, auteur
  • Openingspresentatie door Typex, graphic novelist

  • Welkom door de Leuvense burgemeester Louis Tobback

Prof. dr. Luc Sels, rector KU Leuven Dr. Henriëtte Louwerse, bestuursvoorzitter IVN
Axel Buyse, algemeen afgevaardigde van de Vlaamse regering Annelies Verbeke, auteur
Typex, graphic novelist De Leuvense burgemeester Louis Tobback


 


DAG 2

 

De stromen waren Taalkunde, Letterkunde, Cultuur, Didactiek en Vertalen

De volgorde is die waarin de rapporteur de presentaties heeft gevolgd.


- Taal en natievorming: hoe de voorvechters van het Nederlands in België een Vlaamse natie creëerden

Bruno De Wever – Universiteit Gent, BelgIë


KEYNOTE – Cultuur


De lezing handelt over hoe de voorvechters van het Nederlands in België patriotten werden van een Vlaamse natie. Die zogeheten Vlaamse beweging ontwikkelde pas laat een sociaal programma en slaagde er lange tijd niet in belangrijke sociale groepen zoals de arbeidersbeweging en economische elites aan zich te binden. De sociale achtergrond van de Vlaamse patriotten bleef beperkt tot middengroepen. Dat veranderde pas in de jaren 1960 toen als gevolg van sociaal-economische veranderingen de middengroepen expandeerden en sociaal-culturele veranderingen de Vlaamse beweging een ruimere sociale basis verleenden. De Vlaamse patriotten slaagden er zo in het Vlaams natievormingsproces te voltrekken ten koste van de Belgische natiestaat.


- Wil jij uw bord leegeten? Tussentaal/standaardtaalvariatie in directieven van Vlaamse ouders

Dorien Van de Mieroop – KU Leuven, België

Taalkunde

 

Hoe manoeuvreren Vlaamse ouders zichzelf en hun kinderen door het beweeglijke Vlaamse taallandschap? Wat vertelt hun keuze voor varianten en variëteiten over de sociale betekenis van die varianten en variëteiten?

Thema In deze paper bestuderen we variatie tussen tussentaal en standaardtaal in aanspreekvormen in  kindgericht taalgebruik bij Vlaamse ouders. Meer specifiek richten we ons op het gebruik van pronomina in de tweede persoon enkelvoud die Vlaamse ouders gebruiken in directieven gericht tot hun kinderen.

  • Schuif jij je bord een beetje dichter alsjeblieft?
  • Schuift uw bord ‘ns dichter alstublieft?

Hypothese Wanneer we het West-Europese ideaal van democratisch ouderschap toepassen op de hypergestandaardiseerde Vlaamse taalsituatie, kunnen we verwachten dat de standaardvormen je, jij en jouw meer typisch gelinkt zijn met indirectere, zachtere directieven dan de tussentaalvormen ge, gij en uw.

Data
We testen deze hypothese via een mixed methods-aanpak, waarbij kwantitatieve en kwalitatieve methodes worden gecombineerd om in kaart te brengen hoe tien Vlaamse ouders de vormen inzetten in instructief taalgebruik naar hun kinderen toe. Voor elk van de gezinnen beschikken we over minstens 2,5 uur zelfopgenomen videomateriaal.

Grammaticale vorm = sociale actie


Soort directief


Voorbeeld

Behoefte

Ik heb een ijsje nodig

Imperatieven

(Geef mij) een ijsje!

Ingebedde imperatieven

Zou je mij een ijsje willen geven?

Toestemming

Mag ik een ijsje?

Vragen

Heb je een ijsje?

Hints

De ijsjes zullen eind deze maand slecht worden

 

Resultaten Een inferentieel statistische analyse van de 590 pronomina die in de control acts van de tien ouders opduiken, helpt ons een duidelijke link leggen tussen parameters zoals type control act, herhaling, verzachters, boosters en type pronomen. Discoursanalytische multimodale analyse van enkele raak gekozen voorbeelden van deze patronen laat daarbovenop zien hoe ‘irritatie’ hierbij als mediërende factor kan worden gezien.

Conclusie Samen tonen de resultaten dat verschillende Vlaamse gezinnen verschillende normen hanteren: in sommige gezinnen wordt meer typisch standaardtaal gebruikt in directieven, bij andere gezinnen meer typisch tussentaal. Toch zien we daarbij duidelijk dat de variabelen die de keuze tussen de variëteiten sturen, sterk gelijklopen: zachtere directieven zijn gelinkt aan standaardtaalvormen, irritatie is gelinkt aan tussentaalgebruik.

Co-auteur: Eline Zenner, KU Leuven

- Automatische analyse van teksten

Carel Jansen - Universiteit Stellenbosch,
Henk Pander Maat - Universiteit Utrecht,
Lieve De Wachter
- KU Leuven

Panel Taalkunde


 
Henk Pander Maat - Carel Jansen - Lieve De Wachter

Schrijven is een complex proces. Het aantal digitale tools, waarmee dit proces kan worden ondersteund, is de laatste jaren sterk toegenomen. Desondanks blijven vooral docenten klagen over het niveau van de afgeleverde verslagen, opiniestukken en papers. Vaak wordt daarbij verwezen naar de algemene achteruitgang van de taalvaardigheid en naar steeds weer terugkerende schrijfproblemen, vooral op het niveau van structuur en samenhang en het hanteren van een wetenschappelijke schrijfstijl.

De laatste jaren is er aan verschillende universiteiten nieuwe software ontwikkeld voor het Nederlands en het Afrikaans voor de automatische analyse van tekstkenmerken die relevant zijn voor kwaliteit van teksten zoals die door bijvoorbeeld studenten geschreven worden. In dit panel wordt dit nieuwe instrumentarium gepresenteerd, worden de gebruiksmogelijkheden besproken en komen ook de beperkingen aan de orde waar bij het gebruik van de nieuwe tools rekening mee gehouden moet worden.

Serge Verlinde, Lieve De Wachter, Geert Peeters, Margot D’Hertefelt en Jordi Heeren – Digitale Schrijfhulp Nederlands KU Leuven

Naast een algemene analyse van ‘leesbaarheid en tekstcomplexiteit’ op basis van de Flesch Douma index – vinden er ook controles plaats met aandacht voor verschillende kenmerken van structuur en samenhang, stijl en spelling. De tekst wordt gemarkeerd daar waar er mogelijk een aanpassing nodig of nuttig is. Korte feedback moet de gebruiker begeleiden in het schrijf- en redactieproces. Doordat de schrijfhulp de tekst niet corrigeert, wordt de verantwoordelijkheid, de zelfredzaamheid en de autonomie van de student gestimuleerd, wat zijn motivatie en leerproces kan bevorderen. Specifieke correctie wordt slechts in een beperkt aantal gevallen voorgesteld zoals bij de spellingchecker. Bij deze toepassing gaat bijzondere aandacht naar de samenstellingen (groene stroomcertificaten, groenestroom certificaten of groenestroomcertificaten?) en naar de schrijfwijze van de werkwoorden met bijvoorbeeld dt-fouten.


Keuze ontwerpers van Schrijfhulp naar de studenten toe:

  • geïndividualiseerd
  • continu
  • focust op proces i.p.v. op product
  • niet-directieve feedback
  • leerevolutie: studenten bewust maken van veel voorkomende fouten
  • bevordering: zelfredzaamheid, autonomie, verantwoordelijkheid



De huidige versie van de Schrijfhulp begeleidt maar een deel van het schrijfproces. Het zou interessant zijn om de schrijfhulp in de toekomst ook te kunnen inzetten in de planningfase.

Daarnaast willen we de mogelijkheid exploreren om via parsing zicht te krijgen op de variatie in de gebruikte zinsbouw (detectie) of te kijken hoe we een student kunnen helpen om een meer genrespecifieke schrijfstijl te ontwikkelen (predictie). Ook de mogelijkheden van argumentative zoning en deep learning worden verder verkend.

Henk Pander Maat, Suzanne Kleijn en Ted Sanders – Een nieuwe leesbaarheidsvoorspeller voor het Nederlands

In Nederland bestaat er tot dusver slechts één leesbaarheidsformule die gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek: de Cito Leesbaarheidsindex voor het Basisonderwijs, kortweg CLIB. Wij hebben nu een leesbaarheidsvoorspeller gebouwd voor het voortgezet onderwijs.

Enerzijds ontwikkelden we een tool die een groot aantal tekstkenmerken oplevert voor Nederlandse teksten, T-Scan. Anderzijds deden we leesonderzoek onder ruim 2.800 VO-leerlingen (van 2 vmbo tot 4 vwo). We maakten daarbij gebruik van cloze-toetsen; daarbij moet de lezer woorden invullen die uit de teksten zijn weggelaten. Hoe beter dat lukt, hoe makkelijker de tekst is. Elke leerling maakte digitaal vier cloze-toetsen.

Voor alle teksten is de gemiddelde cloze-score bepaald. Die scores hebben we vervolgens proberen te voorspellen met de tekstkenmerken die T-Scan voor die teksten bepaald had. We slaagden erin om ongeveer 75% van de variantie in tekstscores te verklaren met vier tekstkenmerken: woordfrequentie, aantal bijvoeglijke bepalingen, concreetheid van naamwoorden en de lengte van de grammaticale afhankelijkheden. Onze voorspeller deelt teksten redelijk betrouwbaar in in vier moeilijkheidsniveaus. Zo’n moeilijkheidsniveau wordt gedefinieerd aan de hand van de gemiddelde scores die leerlingen van bepaalde onderwijsniveaus halen op teksten van dit niveau. Op basis van het leerlingenonderzoek is naast T-Scan een tweede, meer publieksvriendelijke tool gebouwd: Leesbaarheidstool. Die tool geeft het moeilijkheidsniveau van de tekst, meldt waarden voor een tiental belangrijke tekstkenmerken, vergelijkt de tekst op die kenmerken met tien bekende Nederlandse tekstgenres en visualiseert mogelijk problematische tekstpassages. Voor onderzoekers zijn T-Scan en Leesbaarheidstool vrij toegankelijk.

Carel Jansen (in samenwerking met Rose Richards, Liezl van Zyl en Bo Blankers) – Op die pad na ’n betere leesbaarheidsformule vir Afrikaans

Tot dusver bestaan daar vier leesbaarheidsformules vir Afrikaans: twee is ontwikkel deur Van Rooyen (1986), een deur McDermid Heyns (2007) en een deur McKellar (2008). In ons studie het ons die geldigheid van hierdie vier formules vir die eerste keer vergelyk, en wel aan die hand van tien Afrikaanse tekste (vyf artikels uit ’n populêre tydsckrif en vyf dokumente met regeringskommunkasie). Eerstens is elke teks gemeet aan alle eienskappe wat in die vier leesbaarheidsformules ingesluit is. Daarna is daar vir elke teks vyf verskillende sluitingstoetse (cloze tests) gebruik om werklike teksbegrip te assesseer, wat vyftig toetse opgelewer het. Altesaam 149 Afrikaanssprekende deelnemers met verskillende vlakke van opvoeding het elkeen ’n stel van twee uit die vyftig sluitingstoetse afgelê. Slegs die McKellar-formule het voorspellilngs opgelewer wat beduidend korreleer meet werklike verstaanbaarheid volgens die sluitingstoetse.

Ons het ook ’n nuwe geoutomatiseerde leesbaarheidsformule vir Afrikaans ontwikkel. Om dit te kan doen, en om die geldigheid van dierdie formule ook te kan toets, is die uitkomste van sluitingstoetse oor 25 tekste by altesaam 375 deelnemers gekombineer met tekseienskappe soos gemeet aan die hand van outomatiese sinsontleders, woordsoortetiketteerders en ander taaltegnologie-instrumente wat onlangs vir Afrikaans ontwikkel is. Tot nog toe lyk dit asof ons nuwe formule baie beter werk as die vroeër formules.

Omhoog ^

- De verzwakking van de sterke werkwoorden in het Nederlands: een multifactorieel, diachroon onderzoek

Isabeau De Smet - KU Leuven FWO Vlaanderen

Taalkunde


 

In het Nederlands bestaan er net als in andere Germaanse talen twee manieren om het preteritum en participium te vormen: enerzijds is er de sterke vervoeging waarbij ablaut optreedt, zoals bij vaar – voer  - gevaren. Anderzijds hebben we de zwakke vervoeging, waar een dentaalsuffix aan de stam wordt toegevoegd, zoals bij speel – speelde – gespeeld. Door de eeuwen heen zijn echter veel van de oorspronkelijk sterke werkwoorden zwak geworden (o.a. maalde in plaats van oorspronkelijk moel, besefte in plaats van oorspronkelijk besief). Deze ‘verzwakking van de sterke werkwoorden’ is een geliefd onderwerp in de taalkunde: naast heel wat psycholinguïstische en computationeel-taalkundig onderzoek, zijn er ook vele studies waarin de factoren onderzocht worden die deze verzwakking beïnvloeden, zoals o.a. Lieberman et al., 2007 en Caroll et al., 2012 (frequentie als factor) en Knooihuizen & Strik, 2014 (ablautklasse als factor). Wat tot nu toe ontbreekt, is onderzoek dat deze (en andere) factoren samenbrengt in één overkoepelende studie over meerdere eeuwen.

Deze bijdrage brengt daar verandering in aan de hand van een corpusstudie van het Nieuwnederlands (vanaf ca. 1500). Naast frequentie en werkwoordklasse wordt onder andere gekeken naar het klinkerpatroon van het werkwoord (Van de Velde & Kestemont, 2015), de etymologie (Fertig, 2009), het aspect (Baayen & Moscoso del Prado Martin, 2012) en andere morfologische aspecten van het werkwoord in een mixed-effects regressiemodel. Resultaten uit een eerdere corpusstudie over de verzwakking van de sterke werkwoorden in vroegere eeuwen van het Nederlands (ca. 800-1400) tonen het belang van een multifactoriële aanpak: frequentie blijkt inderdaad lang niet de enige factor van belang te zijn in deze verandering (De Smet, 2017).

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^


-
Beweging in de perceptie van Standaardnederlands en tussentaal?

Laura Rosseel, Dirk Speelman, Dirk Geeraerts - KU Leuven

Taalkunde

Laura Rosseel verzorgde de presentatie


 

In de Nederlandse taalkunde heerst debat over de status van de zogenaamde tussentaal ten opzichte van het Standaardnederlands in Vlaanderen. Die tussentaal is een erg variabele en moeilijk af te bakenen taalvariëteit die de afstand tussen de traditionele dialecten en de standaardtaal overbrugt. Deze variëteit verspreidt zich snel en volgens sommige taalkundigen zou zij zelfs kandidaat zijn om een nieuwe vitale standaardvariëteit te vormen (De Caluwe, 20009; Grondelaers et al., 2011). In dat geval kan men spreken van een scenario van destandaardisering en endogene restandaardisering. Aangezien standaardtaal in sterke mate een ideologisch construct is, namelijk een variëteit met hoog maatschappelijk prestige, verdient dit vraagstuk niet enkel onderzoek vanuit een taalproductieperspectief, maar ook vanuit het oogpunt van taalperceptie (Milroy & Milroy, 1985). Wij onderzoeken de status van beide variëteiten vanuit dat laatste perspectief.

In een reeks experimentele studies werden bij Vlamingen uit verschillende regio’s zowel impliciete als expliciete attitudes gemeten met uiteenlopende methodes, van innovatieve sociaal-psychologische attitudemeettechnieken tot traditionele vragenlijsten. In een eventueel destandaardiseringsscenario verwachten we resultaten die aantonen, dat het aanzien van de standaardvariëteit taant, terwijl het prestige van tussentaal stijgt. De resultaten van onze experimenten wijzen echter niet in die richting. Respondenten staan positiever tegenover de standaardvariëteiet dan tegenover regionaal getinte tussentaal, zelfs tegenover tussentaal uit de eigen regio. Verder associëren ze Standaardnederlands met een hoge socio-economische status en formele situaties, al kan deze variëteit ook in informele contexten op een positieve evaluatie rekenen.

Hoewel tussentaal minder positief beoordeeld wordt dan Standaardnederlands, kan de variëteit wel op appreciatie rekenen in informele contexten. Sprekers die zich bedienen van tussentaal worden gezien als hip en entertainend, maar niet als prestigieus. Op basis van deze resultaten besluiten we, met enige voorzichtigheid, dat op dit moment in het hoofd van de Vlaamse taalgebruiker Standaardnederlands nog steeds de enige prestigevariant is in formele situaties en dat in deze context (nog) geen plaats is voor tussentaal.

[Bibliografie is weggelaten]


- ‘Decibelletrie’: het literaire hoorspel en de Nederlandse radio-omroepen

Siebe Bluijs, Evelien Verschueren - Universiteit Gent

Letterkunde

Siebe Bluijs voerde het woord


 

In de tweede helft van de twintigste eeuw waren tal van Nederlandse literaire auteurs betrokken bij hoorspelproducties. Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij, Willem Brakman, Jacques Hamelink en Tonnus Oosterhoff tekenden bijvoorbeeld voor vertalingen van buitenlandse scripts of leverden een origineel scenario aan.

Op een studie uit 1984 na is het Nederlandse literaire hoorspel echter nauwelijks onderzocht; de periode na 1984 is zelfs vrijwel geheel onbelicht. Ons recente onderzoek naar de hoorspelproductie in Vlaanderen laat zien dat onderzoek naar dit grotendeels buiten beschouwing gelaten genre een aanvulling vormt op literair-historische kennis.

Deze bijdrage onderzoekt hoe de relatie tussen de specifieke Nederlandse radiocultuur en het literaire veld zich ontwikkelde in de tweede helft van de twintigste eeuw door zich te richten op het hoorspel. Welke invloed hadden de verschillende zuilen (en de ontzuiling vanaf de jaren zestig) op producties voor de radio, waarbij literaire auteurs betrokken waren? Wat deden de verschillende omroepen om auteurs te engageren voor het hoorspel? Hoe keken auteurs aan tegen het genre en in hoeverre maakten zij gebruik van expertise bij de radio-omroep om zich het hoorspel eigen te maken?

Aan de hand van archivalia uit onder meer de archieven van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en het Literatuurmuseum in Den Haag – zoals correspondentie en originele scenario’s – willen wij de relaties tussen de radio-omroep en literaire auteurs in kaart brengen. Door een verkenning van de institutionele context willen wij een bijdrage leveren aan een plaats voor het hoorspel in de literatuurgeschiedenis.


- Tweetalig Brussel: worden Nederlandse sprekers wel eerlijk behandeld in het taalbeleid ten aanzien van de tweetalige Brusselse samenleving? Een culturele studie

Fajar Nugraha - Universitas Indonesia, Indonesië

Cultuur


 

Het implementeren van het in 1970 vastgestelde taalbeleid was een oplossing voor de lange geschiedenis van niet-gewelddadige conflicten in België. Op basis van de Belgische taalgebieden werd het land in drie gemeenschappen verdeeld: de Vlaamse, Franse en Duitstalige gemeenschap. Als hoofdstad van België werd Brussel aangemerkt als tweetalig gebied, waarbij de gelijkheid van het Nederlands en Frans moest worden gewaarborgd. Maar in de praktijk blijft er discriminatie bestaan in het dagelijkse taalgebruik in de Brusselse samenleving. Wat opvalt is dat Brussel boven de taalgrens ligt en dus wat geografische ligging betreft tot de Vlaamse gemeenschap behoort. Toch kreeg Brussel het voorrecht om een tweetalig gebied te worden.

Hoewel de tegenwoordige economische bedrijvigheid van het Vlaamse taalgebied in België een aanzienlijke vooruitgang laat zien, die ook kansen biedt om de onderhandelingspositie voor de eigen taal en cultuur te versterken, is men niet in staat om tegelijkertijd de minderwaardige positie van de Nederlandse spreker in Brussel te verminderen.

Waarom verkeert de Nederlandssprekende gemeenschap in Brussel in een minderheidspositie en wat kan hieraan worden veranderd? Het gaat niet om het officiële beleid dat te vinden is in de Grondwet. Maar via een culturele benadering wordt de hegemonie in sociale relaties en machtsstructuren aangewezen die het taalgebruik beïnvloedt. De vraag is hoe het collectieve geheugen, dat in een langdurig historisch proces is gevormd, een soort loyaliteit heeft gecreëerd ten aanzien van het overheersende gebruik van het Frans.

In de Grondwet is het wel duidelijk bevestigd dat Brussel een tweetalige stad is, dus bespreekt deze bijdrage hoe het in de maatschappij gaat met de niet-Franstalige bevolking.

Omhoog ^


- Over ‘Nederlandsen’, native speakers en ‘new speakers’ in tijden van globalisering

Ulrike Vogl - Universiteit Gent


KEYNOTE Taalkunde

 

Het Nederlands is een pluricentrische taal: er is Belgisch-Nederlands, Surinaams-Nederlands, Caribisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands. Bovendien zijn er tal van regionale en sociale variëteiten en wordt het Nederlands over de hele wereld als tweede of vreemde taal gesproken. In analogie met het gebruik van de term ‘Englishes’ zou men kunnen spreken van ‘Nederlandsen’. In de extramurale neerlandistiek wordt al langer nagedacht over het nut van het aanleren van de Nederlandse standaartaal (Diepeveen & Hüning, 2013). Ook in de intramurale neerlandistiek zou men zich kunnen afvragen of het streven naar het standaardtaalideaal misschien niet achterhaald is. In deze presentatie vat ik bevindingen samen van interviews met studenten aan universiteiten in Vlaanderen en Nederland. Is de huidige generatie studenten nog steeds gehecht aan de zogenaamde standaardtaalideologie? Of is er sprake van een trend richting functioneel taalgebruik met een focus op verstaanbaarheid en efficiënte communicatie (Vlgl. 2017 & 2017a)?


Conclusie uit de interviews met de Nederlandse en Vlaamse studenten

  • het Nederlands is in beweging, dynamisch karakter van normen
  • belang van normen/normautoriteiten:
    wordt erkend maar tegelijkertijd afgezwakt, in twijfel getrokken of zelfs genegeerd
  • impliciete normen zijn belangrijk voor tweede-taalsprekers, nieuwe sprekers (en ook voor de evalutaie van nieuwe sprekers)
  • meertaligheid en geografische mobiliteit hebben invloed op belang gehecht aan (verschillende soorten van) normen en normautoriteiten


Bedenking van uw rapporteur:
In welke mate kan, mag en wil men in deze materie rekening houden met de opinie van de studenten?

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^


DAG 3

 

- Het ene doen en het andere niet nalaten: de neerlandistiek en de Delta

Jolanda Vanderwal Taylor - Department of German, Nordic and Slavic, Madison, WI Verenigde Staten

KEYNOTE Cultuur

Om in de huidige wereld en universiteit te overleven moet de Nederlandist ‘grensoverschrijdend’ werken met behoud van humanistische waarden. In deze lezing ga ik in op wat deze uitdaging mogelijk inhoudt: in hoeverre is deze opdracht nieuw? Welke grenzen moeten wij dan overschrijden? Landsgrenzen – nemen wij deel aan een transnationale wereld en markt? De grenzen tussen de universiteit en de wereld? Die tussen het verleden en de toekomst? Die tussen verschillende invullingen van burgerschap en identiteit? Moeten wij andere teksten gaan bespreken of op een andere manier? Betekent dat: nieuwe teksten lezen, andere literaire theorieën bezigen, een nieuwe positie innemen of zelfs dat we afstand moeten nemen van onze manier van lezen?

In de letterkunde en in bredere zin in de geesteswetenschappen begrijpen wij de wereld vaak via beeldspraak en metafoor. De Lage Landen bevinden zich zoals bekend in een delta, een rivierenlandschap. Wat is een rivier? Een grens, ja, maar ook iets wat juist contact met de rest van de wereld mogelijk maakt. De Lage Landen staan al vanouds in contact met de rest van de wereld. Immigratie en emigratie zijn ons niet vreemd. Vernieuwing is niet nieuw in de neerlandistiek en in de Nederlandse taal. Stel je een neerlandistiek voor die zonder schroom aantoont welke moderne, praktische vaardigheden ons vak kan overbrengen, zonder dat daarbij de ons zo dierbare geest en esthetische waarden wegvallen, die contact zoekt en overeenkomsten erkent buiten ons taalgebied door de (ook niet echt nieuwe) transnationale circulatie van de literatuur en cultuur te erkennen. Die de mogelijkheid onder ogen ziet om het ene te doen, zonder het andere na te laten. Ik hoop dat deze bijdrage stof tot discussie zal bieden.


- De weg van Nederlandstalige actuele literatuur naar Italië: selectie, receptie en representatie

Paola Gentile - KU Leuven en Universiteit van Trieste, Italië

Letterkunde


 

Deze bijdrage analyseert de manier waarop Nederlandstalige actuele literatuur verspreid, gerepresenteerd en gepromoot wordt in Italië. Voor de lange weg van het Nederlandstalige boek naar buitenlandse lezers zijn de selectie van de te vertalen boeken, de promotie en de representatie ervan belangrijk. Veel studies (Heilbron, 1999; Brems, Réthelyi en Van Kalmthout, 2016; Sapiro, 2016) hebben die receptie, promotie en representatie van Nederlandstalige literatuur in het buitenland bestudeerd, maar tot op heden is er weinig aandacht besteed aan de vertaling van deze literatuur in Italië, een land waarin tussen 1990 en 2017 meer dan 557 vertaalde Nederlandstalige boeken zijn verschenen. In dit opzicht blijven verschillende vragen onbeantwoord:

  • welke selectiecriteria en –trajecten worden gehanteerd bij het bepalen van ‘te vertalen boeken’?
  • welke rol spelen de letterenfondsen, boekenbeurzen, literaire agenten en vertalers in dat proces?
  • hoe worden Nederlandstalige auteurs en literaire werken in Italië gepresenteerd?

De methodologie van deze studie is tweevoudig. Ten eerste zullen de verschillende fases en aspecten van het parcours van het Nederlandstalig boek in Italië worden geanalyseerd door middel van de resultaten uit interviews met 12 literaire vertalers. Die worden aangevuld met de tekstuele analyse van passages uit een corpus van 57 romans van hedendaagse Nederlandstalige auteurs die van 2000 tot 2017 naar het Italiaans werden vertaald.


SELECTIE                           >         RECEPTIE                   >                  BEELDVORMING

‘Het publiceren van vertalingen omvat het werk van verschillende mensen – redacteurs, literaire specialisten, agenten, vertalers – die instaan voor de selectie van de te vertalen teksten. Die groep bestaat uit al die mensen die de echte bemiddelaars zijn tussen de buitenlandse auteur en het nieuwe publiek.’

(van Es & Heilbron: 2015:302)

De schaarste aan onderzoek naar de receptie van Nederlandstalige literatuur in Italië heeft als gevolg dat er geen duidelijk idee bestaat over het beeld van de Lage Landen in Italië, als dat er al is.

(Gentile, in voorbereiding)

Een “beeld” kan worden beschouwd als een momentopname van een voortdurend dynamisch proces waarin een politiek en geografische entiteit, en de mensen die ermee geassocieerd worden, weerspiegeld worden in literatuur en kunst.

(Teszelsky 2014: 3)

 


Wat de uitgevers zeggen:

Nederlandse auteurs die in Italië gepubliceerd worden – misschien met uitzondering van Herman Koch – worden geen commerciële successen. Zelfs Grunberg is nooit echt doorgebroken. De non-fictie verhalen doen het goed, die een kosmopolitisch beeld tonen van de Nederlandstalige volken als reizeigers, die altijd openstaan voor nieuwe ontdekkingen. Misschien is dit een interessant aspect. Ik heb de indruk dat de meeste protestantse, introspectieve verhalen, de familieverhalen, minder interessant zijn voor de Italianen. Door een mediterraan volk worden die als buitenaards beschouwd.

 


Wat de vertalers zeggen:

Vertaalster, 30 jaar ervaring

Het grootste probleem met het beeld van de Nederlandstalige literatuur is dat auteurs zeer introspectief zijn. Sommige van hen schrijven stilistische oefeningen in plaats van romans. De mediterrane boekenmarkt snakt naar verhalen. Soms komen er in Nederlandse romans interessante onderwerpen aan bod, auteurs neigen ernaar zichzelf te onderzoeken, te poblematiseren, ze verkennen verhaallijnen die soms tot absurditeit leiden. Anders schrijven ze over sombere familieverhalen.  Weinig schrijvers vertellen verhalen waarin je jezelf kunt herkennen, waarmee je jezelf kunt identificeren. Sommige van de auteurs die verhalen schrijven, zoals Kader Abdolah, kunnen niet worden beschouwd als ‘typisch Nederlandse schrijvers’. Hetzelfde geldt voor Abdullah, Benali, Bouazza – Het verbaast me niet dat dat de meest succesvolle auteurs in Italië zijn. Of kosmopolitische auteurs zoals Nooteboom. Dus hoe minder “Nederlands”, hoe beter voor de Italianen.

Terugkerende thema’s in Nederlandstalige literatuur in Italië (corpus 2000-2017):
- Migrantenliteratuur met Abdollah en Benali
- Kolonialisme met Haasse, Van Dis, Van Reybrouck
- De twee Wereldoorlogen met Claus, Hertmans, De Loo, Mulisch en Anne Frank


Conclusie


Selectie



Receptie


Beeldvorming

  • Er is wel sprake van een toenemende interesse voor Nederlandstalige literatuur in Italië.
  • Er zijn verschillende manieren waarop Italië de Nederlandstalige roman probeert aan te trekken
  • Er is een degelijk aantal auteurs die een goede reputatie hebben in Italië
  • Er zijn nog verschillende opinies over welk soort roman interessant kan zijn voor de Italiaanse lezers
  • De romans van het corpus tonen aan dat migrantenliteratuur, het koloniale verleden en de twee Wereldoorlogen de meest terugkerende thema’s zijn
  • Het lijkt erop dat de pers in Italië een ander beeld van de Lage Landen weergeeft dan de literatuur zelf


[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^
‘Content and Language Integrated Learning’ onder de taalkundige, cognitieve en socio-affectieve loep

Philippe Hiligsmann, Luk Van Mensel, Kristel Van Goethem en Laurence Mettewie - KU Leuven, Université de Namur, Namen – België

PANEL Taalkunde


 

Philippe Hiligsmann en Laurence Mettewie – Inleiding

In Franstalig België volgen momenteel meer dan 30.000 leerlingen CLIL-onderwijs. CLIL is een onderwijsvorm waarbij een zaakvak, zoals wereldoriëntatie en wiskunde, in een vreemde taal wordt aangeboden. De bedoeling is de scholieren tweetalig te maken én ze tegelijkertijd vakinhoud bij te brengen.
Om het taalleerproces en de taalleeruitkomsten van die leerlingen te onderzoeken is in 2014 het GOA-project ‘Assessing Content and Language Integrated Learning (CLIL) in French-speaking Belgium: Linguistic, cognitive and educational perspectives (Hiligsmann e.a. 2017) opgestart, een samenwerking tussen onderzoekers van de Université catholique de Louvain en de Unversité de Namur.

In dit panel zal uitvoerig verslag worden gedaan van een reeks resultaten van dit multidisciplinair en longitudinaal project. De onderzoeksvragen kunnen als volgt samengevat worden: wat is de impact van CLIL-onderwijs op taalkundig, cognitief en socioaffectief vlak? Er wordt verder ingegaan op de factoren die taalverwerving in de hand werken (zijn die factoren didactisch, pedagogisch, cognitief, motivationeel van aard?) en op de onderwijsstrategieën die toegepast kunnen worden om de verwerving van nieuwe talen te bevorderen.

Aan dit breed opgezette onderzoek hebben 928 leerlingen uit 22 scholen verspreid over heel Wallonië deelgenomen. De leerders komen uit het vijfde jaar van het lager respectievelijk secundair onderwijs en hebben of het Engels of het Nederlands als CLIL-doeltaal. Als controlegroepen fungeerden naast Franstaligen uit het traditioneel, niet-CLIL-onderwijs, ook Nederlandstalige en Engelstalige leeftijdgenoten. Alle leerlingen hebben in de loop van de laatste twee jaar verschillende toetsen afgelegd, waarin hun linguïstische competentie, hun cognitieve vaardigheden en hun emoties, attitudes en motivatie gepeild werden. Daarnaast kregen de ouders en de leerkrachten ook vragenlijsten voorgelegd, onder andere over sociologische variabelen en houding ten aanzien van taalgebruik.

Het panel zal uit drie lezingen bestaan, waarin het Nederlands als doeltaal centraal staat. In de eerste lezing onderzoeken we wie voor het CLIL-onderwijs in het Nederlands kiest en wat de talige en sociologische achtergrond alsook de cognitieve kenmerken van deze leerlingen zijn. De tweede lezing gaat na hoe het Nederlands van de CLIL-leerders zich op het vlak van syntaxis, morfologie, lexicon en spelling anders ontwikkelt ten opzichte van niet-CLIL-leerders en CLIL-leerders in het Engels. In de derde lezing analyseren we of de attitudes en motivatie ten opzichte van de doeltaal alsook de emoties (angst, plezier bij het leren) anders zijn bij de CLIL-leerlingen van het Nederlands.

[Bibliografie is weggelaten]


Luk Van Mensel – Wie in Franstalig België kiest er voor CLIL in het Nederlands? Achtergrondkenmerken en cognitief profiel van de leerlingen

In deze lezing bespreken we het profiel van de leerlingen die een CLIL-programma in het Nederlands volgen in Franstalig Belgïe. We vergelijken dit profiel met leerlingen die een traditioneel (niet-CLIL)-programma volgen, maar ook met hen die voor CLIL in het Engels hebben gekozen. Aangezien we weten dat de attitudes ten opzichte van de tweede landstaal in België (Nederlands) verschillen van de attitudes ten aanzien van de ‘internationale’ taal (Engels) (Mettewie en Janssens, 2007, zie ook lezing 3) willen we graag te weten komen, of deze verschillen ook tot uiting komen in de samenstelling van het publiek van beide CLIL-programma’s.

In het eerste deel van de lezing bekijken we niet alleen enkele sociologische achtergondkenmerken van de leerlingen die betrekking hebben op de thuissituatie (socio-economische status, gezinssamenstelling); maar ook meer individuele kenmerken zoals verbale en niet-verbale intelligentie of het schoolparcours (cf. eventuele zittenblijvers). Bovendien zoeken we uit welke van deze aspecten het profiel van de CLIL-leerlingen het best karakteriseren. Uit de analyse blijkt dat CLIL in Franstalig België een sociaal geprivilegieerd publiek aantrekt, een resultaat dat des te meer geldt voor leerlingen die voor CLIL in het Nederlands kiezen (in vergelijking met CLIL Engels).

Het tweede deel spitst zich toe op het cognitief profiel van de leerlingen. Meer gericht bekijken we of de CLIL-ervaring invloed heeft op enkele specifieke cognitieve vaardigheden, zoals aandacht en mentale flexibiliteit of meer in het algemeen op intelligentie. We weten uit de literatuur, dat twee- of meertaligheid vaak een positieve invloed heeft op deze vaardigheden: het loont dus de moeite om te onderzoeken of de CLIL-context gelijksoortige voordelen oplevert. Onze bevindingen geven een genuanceerder beeld in vergelijking met de bestaande studies in die zin, dat een aantal van de algemene cognitieve voordelen, zoals op het vlak van intelligentie, ook meetbaar zijn in ons grootschalig onderzoek, terwijl de meer verfijnde cognitieve implicaties minder gemakkelijk tot uiting komen.

[Bibliografie is weggelaten]

Philippe Hiligsmann en Kristel Van Goethem – Taalkundige kenmerken van het Nederlands van Franstalige CLIL- en niet-CLILL-leerders

Onderzoek naar talige uitkomsten van CLIL heeft uitgewezen dat CLIL-leerders – dankzij de grotere native input – een stuk taalvaardiger zijn dan traditionele, niet-CLIL-leerders (zie o.a. Dalton Puffer, 2011). De laatste jaren hebben steeds meer onderzoekers echter laten zien dat CLIL niet altijd het verwachte positieve effect heeft. Hoewel CLIL-leerders wel degelijk een ‘nativelike' niveau blijken te bereiken voor de receptieve vaardigheden (lezen en luisteren), ligt het behaalde niveau voor de productieve vaardigheden (schrijven en spreken) onder dat van moedertaalsprekers (zie o.a. Bruton, 2011, Bui e.a., 2014, Seikkula-Leino, 2007).

In deze lezing vragen we ons af of deze bevindingen ook gelden voor de algemene taalvaardigheid van CLIL- en niet-CLIL-leerders. Hiervoor is gebruik gemaakt van verschillende meetinstrumenten om de syntactische en lexicale complexiteitsscore te berekenen van de schriftelijke producties van CLIL- en niet-CLIL-leerlingen in de vreemde taal (Nederlands of Engels) en in hun moedertaal (Frans).

Aan deze studie hebben vijfdejaars uit het middelbaar onderwijs deelgenomen (leeftijd: 16-17). De indeling van de populatie zag er als volgt uit: CLIL Nederlands: 132; niet-CLIL Nederlands: 100; CLIL Engels: 90; niet-CLIL-Engels: 90. Als controlegroepen fungeerden 63 moedertaalsprekers van het Nederlands en 68 moedertaalsprekers van het Engels. Het gebruikte materiaal bestaat uit e-mails die de leerders hebben geschreven over een fuif of over hun vakantie.

De resultaten laten zien dat het effect van CLIL op de vreemde taal naargelang van de taal varieert. De Nederlandse teksten geschreven door CLIL-leerders waren significant complexer dan de teksten geschreven door niet-CLIL-leerders voor de meeste variabelen. De Engelse teksten geschreven door CLIL-leerders scoorden slechts voor drie complexiteitstesten beter dan de teksten geschreven door niet-CLIL-leerders. De impact van CLIL lijkt dus belangrijker voor Nederlands dan voor Engels. Verder heeft CLIL geen invloed op de complexiteit van de moedertaal van de leerders. Daarnaast is ook geconstateerd dat CLIL-leerlingen een meer gevarieerd lexicon gebruiken dan niet-CLIL-leerders, maar dat ze toch heel vaak op hun moedertaal terugvallen en niet-nativelike verbindingen produceren (zie BULON e.a., 2017)

[Bibliografie is weggelaten]

Laurence Mettewie – Emoties, attitudes en motivatie ten aanzien van het Nederlands in de CLIL-klas

In het CLIL-onderwijs krijgen leerlingen zowel bij de vreemdetaalles als bij de inhoudsvakken uitgebreid contact met de doeltaal. Dit zorgt voor een versterkt en contextueel relevant taalaanbod alsook de onmiddellijke bruikbaarheid van de doeltaal in de leercontext. Er wordt vervolgens algemeen verwacht dat deze didactische aanpak de (taal)leermotivatie stimuleert, de taalattitudes positeif beïnvloedt, positieve emoties in de klas aanwakkert, terwijl het angst tegenwerkt (European Commission, 2014; Lasagabaster, 20009). Er bestaat echter nauwelijks grootschalig empirisch onderzoek over socio-affectieve variabelen in CLIL, en meer bepaald in niet-Engelstalige CLIL, om deze stellingen stevig te onderbouwen.

In deze lezing wordt daarom nagegaan of deze verwachtingen binnen het CLIL-onderwijs met het Nederlands als doeltaal ingelost worden door te focussen op de volgende onderzoeksvragen:

  • hoe variëren attitudes en (taalleer)motivatie bij CLIL-leerders van het Nederlands in Franstalig België ten opzichte van CLIL-leerders van het Engels en van niet–CLIL-leerlingen?
  • hebben CLIL-leerders van het Nederlands gunstigere emoties ten aanzien van het leerproces (positieve en/of negatieve emoties, met name angst) dan niet-CLIL’ers?
  • welk verband is er tussen de emotionele, attitudinele en situationele factoren?

De analyses berusten op een uitgebreide socio-affectieve vragenlijst. De kwantitatieve gegevens zijn verzameld bij 896 leerlingen uit het traditionele en het CLIL-onderwijs (Nederlands versus Engels als doeltaal) in zowel lagere als secundaire scholen. De resultaten bevestigen deels de positievere emoties, attitudes en motivatie bij CLIL-leerlingen vooral in het secundair onderwijs, maar geven tegelijkertijd aan dat als het Nederlands de doeltaal is, de positiviteit (sterk) getemperd wordt. De verklarende factoren hiervoor zijn niet zozeer te zoeken bij didactische dan wel bij maatschappelijke contextuele aspecten, waarbij het ongunstige imago van de Nederlandse taal bij Franstalige Belgen doorslaggevend is.


Samenvatting van de resultaten

  • Verschillende effecten in CLIL, maar niet noodzakelijk dankzij CLIL (er zijn andere mogelijke factoren)
  • Verschillende resultaten in Nederlands en in Engels voor de socio-affectieve en taalkundige aspecten
  • Verschillen tussen CLIL en niet-CLIL zijn groter in Nederlands dan in Engels
  • Geen negatieve impact van CLIL op de verwerving van het Frans (L1)
  • Betere verwerving van vakinhoud in CLIL

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^

- Identiteit in beweging

Jan Renkema - Universiteit Tilburg, Nederland
Mustafa Güleç - Universiteit Ankara, Turkije
Emmeline Besamusca -
Universität Wien, Oostenrijk en Universiteit Utrecht, Nederland

PANEL Cultuur

 

 

Jan Renkema –
DNA-mutaties in de Nederlandse identiteit?

Bij het leren van een vreemde taal hoort van oudsher ook ‘land- en volkenkunde’. De precieze betekenis van ‘Democraten’ en ‘Republikeinen’ in het Amerikaans-Engels is niet te doorgronden zonder kennis van de geschiedenis en het politieke systeem in de USA. Het verschil tussen de Engels tea en de Franse thé kan alleen maar gegeven worden onder verwijzing naar de verschillen in cultuur. Niet voor niets komen wereldwijd jaarlijks vele tientallen studenten Nederlands naar de Lage Landen voor een zomercursus. Voor de buitenstaander lijkt het misschien alsof er weinig taalstudie, is, maar docenten en studenten weten wel beter. Pas door hier in de Lage Landen kennis te nemen van wat ‘eigen’ is aan de Nederlanden, krijgen syntaxis en semantiek hun vaak cultureel bepaalde pragmatiek.

Een van de pijlers van de specifieke eigenheid van een cultuur is de manier waarop sprekers van een taal zich verbonden voelen. Voor die verbondenheid zijn verschillende concepten in gebruik gekomen: zelfbeeld, imago, waarden en normen, cultuur en identiteit. Na een differentiatie van de diverse concepten zal in deze lezing nader worden ingegaan op de ‘constituerende’ factoren van de identiteit: het DNA van Nederlands.

Opmerkelijk in de laatste decennia is het steeds maar weer vastlopende debat over de Nederlandse identiteit. Eind vorige eeuw strandde een poging van de overheid om meer aandacht te krijgen voor gedeelde normen en waarden. Het onderwerp werd cabaratesk weggehoond als een discussie over ‘wormen in Naarden’. En heden ten dage lopen de visies heel erg uiteen, van ‘De Nederlandse identiteit bestaat niet’ tot ‘Laten we de VOC-mentaliteit koesteren’. Ook wordt de identiteit gebaseerd op de Calvinistische werkmentaliteit waarbij dan gemakshalve vergeten wordt dat Nederland voor een belangrijk deel ook rooms-katholiek of humanistisch is. Opmerkelijk is ook dat het begrip identiteit gekaapt wordt door rechtse politici in het debat over immigratie, en zelfs dat extreem-rechts de jaarlijks oplaaiende zwartepietendiscussie inkadert in discussies over identiteit. Tot enkele decennia geleden werd binnen en buiten Nederland onze identiteit vooral geschetst als tolerant, zo niet ‘permissief’. Maar de laatste jaren lijkt zich een verandering af te tekenen: eerder onverschillig dan tolerant, met een toenemend protest tegen permissiviteit.

In deze lezing wil ik proberen te verklaren waarom in Nederland zoveel ‘niet-inclusieve’ aandacht is voor onze identiteit, en hoe de gesignaleerde veranderingen zijn te duiden. Dit gebeurt aan de hand van een schema van zeven constituerende factoren. Het doel is om een kader te scheppen voor het identiteitsdebat. Daarna wordt ook gekeken in hoeverre NT2-leerders uit andere talen in hun perceptie van de Nederlandse identiteit gekleurd worden door hun eigen culturele achtergrond. De lezing kan uitmonden in een workshop waarin studenten Nederlands bijvoorbeeld Duitsland en Polen of China en Indonesië vanuit hun achtergrond kritiek of aanvullingen kunnen geven op het schema van de zeven factoren.

Het DNA van Nederland
Geografisch 1. lager dan water
Saamhorigheid
'De boel bij elkaar houden'

  2. vlak
Gelijkheid
'Doe maar gewoon'

  3. open

Vrijzinnigheid
'Moet toch kunnen'

Demografisch 4. land van minderheden
Tolerantie
'Je doet maar'

  5. dicht bevolkt
Individualisme
'Ik en mijn tuintje'

Historisch 6. onafhankelijk
Vrijheidslievend
'Dat maak ik zelf wel uit'

Economisch 7. doorvoerland
Ondernemend
'Wat levert het op?'


Mustafa Güleç –
Bewegende Nederlandse cultuur in een literaire tekst:
Yemma van M. Benzakour


De discussie over identiteit en groepstegenstellingen wordt druk gevoerd door politici, schrijvers, columnisten en bestuurders. Men zegt over het algemeen dat er sprake is van een beweging in de Nederlandse maatschappij en cultuur. In zijn zoektocht naar identiteit constateert Verkuyten dat de bijdrage van gedragswetenschappers aan deze discussie opvallend genoeg relatief klein is (Verkuyten, 2010: 13). Lange tijd was het problematisch om een discussie te voeren over de Nederlandse cultuur en identiteit. Tegenwoordig is de definitie van de Nederlandse identiteit van een aardig tijdverdrijf een serieuzere aangelegenheid geworden, voornamelijk als gevolg van de multiculturele eigenschap van de bewegende Nederlandse samenleving. De betreffende discussiepunten zijn echter bij uitstek onderwerpen die in het werkveld van sociaal-psychologen liggen. Historische, theologische, politicologische analyses liggen meestal in de periferie of in de achtergrond van de problematiek. Daarom hebben de meeste burgers in de samenleving daar weinig aan in het dagelijkse leven. In het echte leven worden continu vragen gesteld over jezelf en anderen, relaties van andere mensen en de mate van succes in omgaan met culturele diversiteit. Iedere mens beschikt over bepaalde patronen van denken, handelen en voelen, die mentale programma’s oftewel cultuur heten. Cultuur is een sociaal proces, wordt aangeleerd en is niet erfelijk (Hofstede, 2005:3). In alle samenlevingen zijn er regels die de inter- en intra-groep harmonie, zorg voor kinderen en socialisatie bepalen.

Er zijn dus verschillen, maar ook overeenkomsten tussen culturen. Die gemeenschappelijke aspecten kunnen meer door gelijksoortige functionele relaties van gedrag in verschillende culturen komen dan door een gedeelde biologische structuur (Kagitçibsi, 2012: 44).

Aan de hand van deze theoretische gegevens zal deze lezing de manier behandelen waarop literaire teksten de bewegingen in de cultuur onder woorden brengen en bediscussiëren. In dit kader wordt het boek Yemma van M. Benzakour behandeld door middel van de bewegende dynamische eigenschappen van cultuur in de samenleving.


Conclusie

  • De waarnemingen laten zien dat de stelling van Scheffer (dat vooral de welvaart veel immigranten voor ogen staat, dat ze zich onbehaaglijk voelen bij de vele vrijheden van de westerse landen, dat de normen en gewoonten van de liberale samenleving als een obstakel zien) te relativeren valt.

  • Globale getallen wijzen erop dat de interculturele beweging in de vorm van conflict en heterogene intraculturele beweging twee derde van de totale waargenomen gevallen (en een derde voor interculturele toenadering en intraculturele homogeniteit) zijn. Yemma, dat gebaseerd is op actuele belevenissen van de schrijver, is een micro-indicator van de snelle verandering van de homogene structuur binnen de Marokkaanse (allochtone) cultuur en ook van het tekort aan toenadering tussen autochtone (Nederlandse) en Marokkaanse (allochtone) cultuur.

  • Lotsbestemming en individuele vrijheid zijn samen te zien in een intraculturele heterogene structuur, zelfs Yemma. Als we kijken naar de toestand van de Nederlandse zorgsector in Yemma, dan lijkt het woord lotsbestemming geschikter, waarbij iedereen aan zijn lot overgelaten is. In die zin lijken de rollen van Scheffer (lotsbestemming en individuele vrijheid) omgedraaid te zijn.

  • Scheffers stellilng “De vrijheden van het nieuwe land worden niet gulzig omarmd, ze worden als een bedreiging ervaren” kan misschien in het geval van Yemma omgezet worden als “De beperkingen van het nieuwe land worden niet gulzig omarmd, ze worden als een bedreiging ervaren”. Vrijheden leveren ook verplichtingen op en die verplichtingen moeten de Staat stimuleren om de beperkingen weg te werken.
  •  De migratiecontext zorgt ervoor dat er meer conflictsituaties en heterogene culturele structuur ontstaan. Ten einde een homogene (lees: stabiele) structuur te vormen, moet er van beide kanten naar toenadering gestreefd worden.

 


Emmeline Besamusca – Shouf Shouf Habibi : standaard stereotypen of intelligent integratieportret?

Met de in 2004 verschenen film Shouf Shouf Habibi (2004) heeft Albert ter Heerdt (regie) de basis voor de Nederlandse ‘multiculti-komedie’ gelegd. De film was de best bezochte bioscoopfilm in 2004 en werd voortgezet als televisieserie onder dezelfde titel. Na het muticulturele drama van Paul Scheffer en grimmige debatten na de moord op Theo van Gogh leken Marokkaanse Nederlanders met gevoel voor zelfspot ‘een verademing’, aldus Anil Ramdas (2011).

In de film worden de zes leden van het Marokkaans-Nederlandse gezin Bentarik geportretteerd. Uiteraard laat het genre ‘komedie’ weinig ruimte voor nuance, in diverse filmzalen ontstond nogal wat ophef onder Marokkaans-Nederlandse bezoekers vanwege de in hun ogen al te stereotiepe en onjuiste representatie van een Marokkaans-Nederlands gezin. Uit de manier waarop de gezinsleden in de film invulling geven aan hun leven ontstaat ook een beeld van hun integratie in Nederland. Sinds 2004 zijn er in het maatschappelijk discours rond het complexe begrip ‘integratie’ (o.a. Entzinger & Dourleijn, 2008) nogal wat bakens verzet (o.a. Dagevos &Grundel, 2013, Eijbeerts & Ghorashi, 2017, Slootman & Duyvendak, 2015). In deze bijdrage zal ik de representatie van Marokkaanse Nederlanders en de manier waarop hun integratie gestalte krijgt in het veertien jaar oude Shouf Shouf Habibi nagaan, tegen de achtergrond van het steeds veranderende integratiediscours. Deze bijdrage bouwt voort op mijn bespreking van de film Rabat (2011) op het Comenius Colloquium in Wroclaw in mei 2017.

[Bibliografie is weggelaten]


Omhoog ^


-
De representatie van de middenklasse en het verband met literaire identificatie en literatuuronderwijs

Melchior Vesters - Universiteit Leiden, Nederland

Letterkunde



 

Bepaalde vragen waarvoor de neerlandistiek staat, vertonen echo’s van vragen die voor de hele samenleving gelden in deze tijd van globalisering en economische rationaliteit. Concreet: wat is bijvoorbeeld het maatschappelijk gewicht van literatuur en Bildung en wat betekent dit voor het voortbestaan van de neerlandistiek? Zo staan de gekelderde studentenaantallen Nederlands vermoedelijk in verband met de ondermaatse realisering van literatuuronderwijs (Oberon, 2016), hetgeen op zich weer een uiting is van schoolbesturen die kiezen voor extra examentraining om het gemiddelde en dus het imago op te krikken.

Het is uiteindelijk de samenleving die de economische rationaliteit een antwoord moet bieden. Om waar nodig verandering te bewerkstelligen is het van belang dat de grootste groep, de ‘middenklasse’, méér in termen van economische klasse gaat denken. Klasse is een waardevol begrip, omdat het mensen in staat stelt hun leefsituatie te begrijpen als het product van macro-economische factoren: vooral in tijden van globalisering en economische instabiliteit – voornamelijk voor de middenklasse, in dit kader is dan ook wel gesproken over het verdwijnen ervan – is dit een nodige nuancering van nationalistische of populistische analyses.

Het vertrekpunt van mijn presentatie is, dat een analyse van de representatie van de middenklasse in hedendaagse romans (...) een waardevol inzicht biedt in het huidige zelfbeeld van de middenklasse, waarbij kan worden benaderd in welke mate klassendenken deel uitmaakt van deze zelfidentificatie. Kerngedachte in mijn analyse is Fredric Jamesons stelling dat klassenbewustzijn pas kan ontstaan als er narratieven zijn van abstracte structuren en daarmee concrete verbeeldingen. Tegenwoordig identificeren mensen zich als individu veel minder als deel van een collectief of abstracte sociale structuur, onderzoek naar de huidige zelfidentificatie van de middenklasse zal dan ook juist een grondige analyse zijn van wat ideeën en fantasieën (of nachtmerries) bij personages precies representeren.

Kortom: ik analyseer de (individualistische) zelfidentificatie van de middenklasse om hierin houdingen tegenover contemporaine collectieve vraagstukken te vinden. Bovendien is mogelijk uit individuele personages een meer algemeen narratief te destilleren dat herkenbaar is voor de meerderheid van de samenleving – de middenklasse, die zich momenteel weinig in klassetermen beziet.

'Alles wat je meemaakt, verandert je op een of andere manier.
Alles, de afbraak van een gebouw waarover je leest, (...) het vormt je allemaal, het stuurt je voortdurend bij.' (p. 317)


Klasse in het literatuuronderwijs:
een onmisbaar aspect?

  • Training: identificatie met personages
    - Eerst gevoelsmatig, daarna meer analytisch

  • Witte (2008) niveau 3: ‘reflecterend lezen’
    - Maatschappelijke onderwerpen
    - Verwoording emotioneel oordeel ontwikkelen?

  • Witte niveau 4: ‘esthetisch lezen’
    - Begin van analyse van diepere lagen
    - Representatie van klasse in relaties als diepere laag?


[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^


DAG 4

 

- TPRS in de NT2-les: wat, waarom en hoe?

Myra Arends - Universiteit Leiden, Nederland

Didactiek


TPRS (Teaching Proficiency by Reading and Storytelling) is een methode voor het leren van vreemde talen. TPRS gaat ervan uit dat het leren van een vreemde taal sterk lijkt op hoe jonge kinderen hun moedertaal verwerven (Krashen, 1981). Begrijpelijke input, herhalingen en interessante, persoonlijke verhalen zorgen ervoor dat leerders de taal op een natuurlijke manier verwerven (Plante, 20009).

In mijn lezing zal ik ingaan op de vraag wat TPRS precies is en op welke theoretische inzichten met betrekking tot taal leren en verwerven deze methode is gebaseerd. Vervolgens zal ik een overzicht geven van (buitenlands) onderzoek naar de effecten van TPRS op het leerproces en de resultaten van vreemde- en tweedetaalleerders. De meeste onderzoeken laten zien dat TPRS-leerders op een aantal gebieden beter presteren dan traditionele taalleerders (Hol & Hoevenaars, 2015; Lichtman, 2012; Oliver, 2012). Tot slot zal worden ingegaan op de vraag hoe TPRS in de praktijk kan worden ingezet in de lessen NT2 of NVT, ook in combinatie met traditionelere lesmethodes (Ray & Seely, 2011).

Wat is TPRS?

  • Teaching Proficiency by Reading and Storytelling
  • TPR (Total Physical Response) < - > tprs
  • Doel: het automatiseren van frequente woorden en (grammaticale) structuren
  • TPRS is gebaseerd op de theorie over tweede taalverwerving van Stephen Krashen (begrijpelijke input)

Drie pijlers

  • Begrijpelijkheid
  • Interesse
  • Herhaling

Storytelling

Het vertellen van verhalen is een bekende techniek voor versterking van het langetermijngeheugen, omdat ze beelden oproepen gekoppeld aan emoties.
Een verhaal met rare wendingen en grappige details zorgt voor hilariteit tijdens de les.

Verbindingen maken

Voor je brein geldt: hoe meer verbindingen maken rondom één bepaald stukje informatie, hoe beter. Een woord leren uit een woordenlijst levert één verbinding op (en wordt dus vaak snel weer vergeten).

Maar hetzelfde woord in een grappige of spannende context, doorspekt met emoties, beweging en beeld, levert zoveel verschillende verbindingen op, dat het stevig in het brein verankerd raakt. TPRS stimuleert het brein tot het aanleggen van vele verbindingen. TPRS is taalonderwijs met verhalen, emotie en beweging
[ https: //tprsacademy.com/35-2/ ].

Onderzoek naar TPRS

Veel studies waarin resultaten van TPRS-groepen vergeleken worden met groepen die op een andere manier taalles hebben gehad (bijv. communicatieve methode) laten zien dat de TPRS-studenten beter presteren op de geteste (deel)vaardigheden.

Hoe ziet een TPRS-les eruit?

  • Van tevoren bedenk je een mini-verhaal
  • Dat verhaal bestaat uit statements met frequente woorden en/of nuttige structuren
  • Per statement maximaal 1 nieuwe structuur of 1 nieuw woord
  • Tijdens de les vertel en bevraag je dat verhaal
  • Dit bevragen noemen we CIRKELEN
  • Je schakelt een of meer acteurs (studenten) in

Statements

  • Je begint met een STATEMENT
  • Hierop wordt een reactie gevraagd (wat leuk! ; wat vervelend! ; wat interessant!)
  • Elk statement wordt gecirkeld door middel van vragen (dus nooit twee statements achter elkaar)
  • Er is een probleem + tegenslag + oplossing
  • Studenten vullen details aan
  • Bizarre/grappige elementen (hersenen)

Voorbeeldverhaal (Marijke Baart)

Anne is een meisje.
Ze heeft een computer.
Haar computer heeft een probleem.
Hij is alleen en depressief. (= bizar)
Hij heeft geen vrienden.
Anne gaat met haar computer naar de computerwinkel. (Hoe …?)
Helaas is de computerwinkel gesloten. (tegenslag)
Nu gaat Anne met haar computer naar een dierenwinkel.
Wat koopt zij voor haar computer in de dierenwinkel?
Zij koopt een … voor haar computer! (is onverwacht, grappig)
Nu is haar computer blij, want hij heeft een vriend. (= opgelost!)

  • Statement -  reactie – vragen stellen – herhaling statement na vraag

Meer informatie

Als je de hand-out met onderzoeken naar TPRS wilt ontvangen of andere vragen hebt, stuur dan gerust een e-mail naar m.arends@hum.leidenuniv.nl

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^
- Uitspraakonderwijs in Centraal-Europese context anno 2018

Zuzanna Czerwonka-Wajda - Uniwersytet Wraclawski, Wroclaw, Polen
Roland Nagy - Eötvös Loránd Universiteit (ELTE), Budapest, Hongarije

PANEL Didactiek

 

Het Regionaal Colloquium Neerlandicum 2017 in Wroclaw werd afgesloten met een lezing over de recente maatschappelijke ontwikkelingen, waardoor de taalindustrie een steeds belangrijkere plaats in de globaliserende wereld is gaan innemen. Een van de kerngedachten van de lezing was dat glocalisering niet meer houdbaar is in zijn traditionele vorm, maar dat zij steeds plaatselijker moet worden aan- en toegepast.

In onze visie is glocalisering – het adapteren van de goede globale internationale praktijken aan de lokale behoeftes door middel van professionele expertise – niet alleen een essentieel element van het globale zakenleven maar ook van het extra-murale taalonderwijs.

In dit panel willen we een pleidooi houden voor een geglocaliseerd uitspraakonderewijs in Centraal-Europese context. Gezien het relatief kleine aantal lesuren gewijd aan uitspraakonderwijs in de studieprogramma’s, lijkt glocalisering een onontbeerlijk element van een efficiënt NVT-onderwijs. We menen dat een methode waarin de globale en de lokale expertise aan elkaar zijn gekoppeld, efficiënter is dan de traditionele algemene en contrastieve methoden. Zo’n methode berust dan op gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek en is toegespitst op de specifieke behoeftes van onze NVT-studenten. In ons panel willen we laten zien hoe glocalisering op vier verschillende vlakken kan worden toegepast: op segmenteel niveau, op suprasegmenteel niveau, in de uitspraakcorrectie en in de keuze van lesmateriaal.

Zuzanna Czerwonka-Wajda –
Uitspraakfouten beter (helpen) aanpakken? Over glocalisering en individualisatie in het uitspraakonderwijs en de uitspraakcorrectie


De laatste jaren is er veel positiefs in de uitspraakdidactiek van het Nederlands gebeurd. Er is geen gebrek aan omschrijvingen van het Nederlandse klanksysteem noch aan praktische uitspraakleerboeken (vgl. bv. Bomme et al., 2009, Sleeuwen & Spaan, 2013, Kampen et al., 2011a, 2011b, Thio & Verboog, 2013). Toch weet elke docent die ooit een uitspraakcollege heeft moeten geven, hoe moeilijk het is materiaal te vinden dat toegespitst is op gebruikers met een bepaalde moedertaal. Al de bovengenoemde publicaties hebben echter meer een universeel karakter. De docent moet vaak informatie en oefeningen uit een paar bronnen combineren om aan ‘geglocaliseerd’ lesmateriaal voor zijn studenten te komen.

Om die reden wil ik in mijn bijdrage het probleem van glocalisering en individualisering in het uitspraakonderwijs ter discussie stellen als een alternatief voor de globale of taaltypologische aanpak die resp. in NVT en taalkunde wordt aangeboden. Dat glocalisering in het uitspraakonderwijs wel mogelijk is, toont het uitspraakleerboek Klink klaar. Uitspraak van het Nederlands voor Franstaligen van Blomme & Timmermans (2016) aan, dat in feite een versie is van het standaardwerk Klink klaar. Uitspraak- en intonatiegids voor het Nederlands van Timmermans (2013) geglocaliseerd voor een specifiek publiek, namelijk Franstaligen die Vlaams-Nederlands willen leren.

Maar glocalisering kan ook in andere vormen in de uitspraakles toegepast worden, d.w.z. in verband met uitspraakcorrectie. Op basis van uitspraakproblemen op segmentaal niveau van Poolse studenten Nederlands wil ik laten zien, hoe soortgelijke uitspraakfouten in verschillende mate geglocaliseerd kunnen worden ten opzichte van de moedertaal, beginnend met het proces dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van fouten (bijvoorbeeld modificatie of substitutie), door analyse van gebreken in de articulatorische substantie van de klank (bijvoorbeeld verkorting of kwaliteitsverlies) in relatie tot andere factoren die de uitspraak op klankniveau kunnen beïnvloeden (bijvoorbeeld spelling of klemtoon). Ook zal er plaats zijn voor individualisering onder andere op basis van taalniveau in het Nederlands en kennis van andere vreemde talen die voor of parallel met het Nederlands worden geleerd.

Met dit idee hoop ik een aanpak uit te werken die beter in de didactiek toe te passen valt, omdat het beter helpt de uitspraakfouten te begrijpen en aan te pakken, zowel vanuit het standpunt van de docent als van de student.

[De presentatie over articulatorische settings in het NVT-uitspraakonderwijs in Tsjechië is moeten wegvallen.]


Roland Nagy –
Prosodische perceptie bij Hongaarse NVT-studenten


Intonatie is een van de meest universele en tegelijkertijd meest taalspecifieke aspecten van taal (Hirst & Di Cristo, 1998). Uit onderzoek blijkt dat prosodische kenmerken, en in het bijzonder intonatie, belangrijke functies hebben bij spraakperceptie. Niet alleen spelen ze een rol bij begrijpelijkheid (Heuven & Vries, 1983), maar ze dragen ook veel extra informatie over in verband met een aantal kenmerken van de spreker, zoals sekse, leeftijd, regionale achtergrond enz. (Pisoni & Remez, 2008, p. 237).

Naar aanleiding van Gooskens onderzoek (1997), waarbij Nederlandse standaardtaalsprekers en regionale sprekers fragmenten moesten identificeren en beoordelen qua regio en standaardtaligheid op basis van prosodische kenmerken, voer ik een onderzoek uit naar de prosodische perceptie van Hongaarstalige studenten Nederlands.

In het lopende onderzoek worden Hongaarstalige universiteitsstudenten Nederlands met afwijkende taalniveaus gevraagd om gemanipuleerde fragmenten in het Nederlands, Hongaars en nog een aantal andere talen te identificeren louter op basis van de prosodie. Verondersteld wordt dat Hongaarse NVT-studenten de Hongaarse fragmenten gemakkelijker gaan identificeren dan de Nederlandse en die uit andere talen en dat beginners meer moeite gaan hebben met de herkenning dan gevorderde studenten.


Methode

Herkenningstoets

  • met 2x7 gemanipuleerde geluidsfragmenten (7 uit het journaal, 7 uit interviews met een bekende zangeres)
  • in 7 verschillende talen: Hongaars, Nederlands (Ned.Ned. en Vl. Ned.), Engels, Frans, Duits, Hebreeuws
  • in een online enquête

 


Conclusie uit de herkenningstoets

  • Tijdens het leerproces blijken vreemdetaal-leerders impliciet passieve kennis op te doen over de prosodie van de geleerde taal.
    - >Hongaarse NVT-studenten identificeerden Nederlandstalige fragmenten beter dan Hongaarstaligen, maar minder goed dan Nederlandse native-speakers

  • Prosodische perceptie lijkt te verbeteren met de ontwikkeling van taalkennis
    - >studenten uit hogere jaren presteerden beter dan studenten uit de lagere. (VLNL?; Ma1?)

  • - >respondenten hebben de beheerste talen niet beter geïdentificeerd (Frans?)


Zonder de ontwikkeling van spraakperceptie is de ontwikkeling van een goede uitspraak onvoorstelbaar. Daarom wordt verwacht dat de resultaten van het onderzoek niet alleen bijdragen tot een beter begrip van prosodische perceptie in het algemeen, maar ook tot waardevolle inzichten gaan leiden voor een meer ‘geglocaliseerd’ uitspraakonderwijs.

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^

- Taalprescriptivisme in beweging in de Lage Landen

Christine Sas - University College London, Verenigd Koninkrijk

Taalkunde


 

De afgelopen tientallen jaren is er een bewuste verschuiving vast te stellen van een eerder hiërarchische en monocentrische vorm van taalprescriptivisme (vanuit bijvoorbeeld de Taalunie, Van Dale lexicografie en de VRT) naar een meer pluricentrisch model, dat ogenschijnlijk opener staat tegenover variatie en bottom-up processen van taalverandering. Dat laatste drukt zich specifiek uit in de taalvariatie in Vlaanderen.

In deze lezing geef ik eerst een aantal voorbeelden van deze trend, op het gebied van lexicografie, grammatica en uitspraak, gevolgd door een onderzoek betreffende het discours dat er omheen hangt, zoals gebezigd door zowel bovengenoemde 'instituten’, als in de bredere maatschappij, in onder andere de politiek en het onderwijs. Dat zal ik uitvoeren aan de hand van een kritische discoursanalyse van persberichten, inleidingen van codificatiemateriaal, publieke debatten en discussies in de media.

In mijn analyse evalueer ik deze potentieel tegenstrijdige pogingen tot het betrekken van bottom-up veranderingen in wat toch eerder top-down institutionele processen lijken en ga ik op zoek naar mogelijke discrepanties tussen de intentie en de uitvoering van bepaalde veranderingen en mogelijk niet geheel verdwenen hegemonische neigingen. Daarbij bespreek ik ook de rol van taalkundigen en professionele taalgebruikers in taalstandaardiseringsprocessen en het vastleggen van verandering en probeer ik te achterhalen wie de spraakmakende gemeente precies is.

Voor al het bovenstaande zal ik verwijzen naar een taalideologisch referentiekader en noties van historiciteit, authenticiteit en legitimiteit om zo tot een conclusie te komen over het huidige discours rond de Nederlandse standaardtaal en de rol en ideologische houding van Nederlandstalige taalinstituten daarin.


Conclusie

Spraakmakende gemeente?

  • Spraakmakende gemeente in Vlaanderen
    -
    mogelijk breder dan typisch verondersteld
    - dominerende aanwezigheid van bepaalde professionele taalgebruikers die het idee van een geïdealiseerde, anonieme taal bestendigen
  • Huidige discussies in Vlaanderen wijzen op nood aan een standaard die dichter bij de mensen staat; authentieker

Pluricentrische taal?

  • Gebaseerd op Herderiaanse notie van taal/natie (?)
  • Nederlandse dominantie nog steeds prominent; a-symmetrisch pluricentrisme (De Caluwe 2017); zijn taalzorgen louter een Vlaamse kwestie?

Nood aan een gevestigde norm?

  • Emancipatorische aard van de standaardtaal – meningen verschillen
  • Vlaams nationalistisch discours: Vlaams = zootje rommelige dialecten; Nederlands = cultuurtaal
  • Een taal / een natie discours: Nederland - > Nederlands; België / Vlaanderen - > ?
  • Een Nederlands standpunt: “Dat betekent niet dat mensen hun taal niet meer op elkaar afstemmen – ze willen wel met elkaar praten – maar wel dat er minder behoefte is aan autoriteit die weet hoe het zit. (…) Het internet, het wereldwijde internet voldoet als bron eigenlijk veel beter aan dit idee over wat taal is, het eigendom van ieder van ons, en iets waarin we geheel of gedeeltelijk overlappen met andere burgers. Een vastomlijnd woordenboek over een eenheidstaal past daar juist minder goed bij.” (Van Oostendorp, 2015, over de laatste uitgave van van Dale)

Bedenking van uw rapporteur: vooral in het onderwijs is er behoefte aan een gevestigde taalnorm. Standaardnederlands.


[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^

- ‘Het boek is bont …’: een nieuw licht op de genrepositie van de Max Havelaar

Jerzy Koch - Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan, Polen

Letterkunde


 

In het slot van de Max Havelaar bedient Multatuli zich van de volgende retorische greep: ‘Het boek is bont … er is geen geleidelijkheid in … jacht op effect … de stijl is slecht … de schrijver is onbedreven … geen talent … geen methode …’ Goed, goed, alles goed! Maar … DE JAVAAN WORDT MISHANDELD! Want wederlegging der HOOFDSTREKKING van mijn werk is onmogelijk!’ In deze eerste evaluatie van de roman kruipt de schrijver zelf in de huid van een criticaster. Hierdoor wil hij potentiële verwijten na de publicatie ontkrachten, maar gaat hij tegelijkertijd in op de wankele status van het boek als concrete realisatie van het romangenre. Multatuli benadrukt met opzet de spanning tussen de formele kwestie van de literaire gestalte (‘het boek is bont … de stijl is slecht’) en de eenduidige politieke en tevens morele boodschap (‘De Javaan wordt mishandeld.’). Kunnen we iets aflezen uit deze retorische greep, waarin de auteur zelf onze aandacht richt op de verwarde en verwarrende vorm van het boek?

Het dynamische idee van genericiteit wordt vandaag meestal toegepast op de intermedialiteit van de nieuwe kunst- en literatuurpraktijken (essay-roman, graphic novel, filmessay e.a.). Welke formele en inhoudelijke criteria realiseert de Max Havelaar als een ontmoetingsplaats van verschillende literaire en niet-literaire vertogen en als een hybride genre dat aansluiting probeert te vinden bij de oude en deels vergeten literaire traditie.

In de nadere beschrijving van de Max Havelaar als literair genre en in de betere precisering van de genologische status van deze subversieve roman ligt volgens mij de sleutel tot de verklaring van zijn succes en een beter begrip van de roman vandaag. De Max Havelaar wordt dus in mijn referaat in een bepaalde traditie geplaatst, waarin deze roman nog nooit werd gepositioneerd en van waaruit een ander licht op het boek en het engagement van Multatuli valt.

Menippea

Bij een eerste benadering van het genre stelt J. Koch dat de Max Havelaar zou kunnen zijn:
een autobiografie, een romantische roman, een geëngageerde roman, een strekkingsroman, een pamflet, een parabel, een parodie, een satire, of nog wat anders.

Volgens hem is het een menippea of een menippeïsche satire.

De Max Havelaar als genus mixtum bevat: roman, brief, toneelstuk, pamflet, verhaal, sprookje/parabel, monoloog/dialoog, toespraak, gedicht, lied, enumeratie, preek, opmerkingen van de auteur.

De menippeïsche satire ontstaat in Griekenland bij Menippus van Gadara in de 3e eeuw voor Christus, komt voor bij Romeinse auteurs als Marcus Terentius Varro en Lucianus en ook in de vroeg-moderne tijd bij Justus Lipsius en Daniël Heinsius. Vooral de Russische filosoof, literatuurcriticus en semioloog Michail Bachtin bespreekt in de 20ste eeuw het genre.

Als raakpunten tussen de menippea en Havelaar kunnen worden genoemd: de combinatie van diverse stijlen en klimaten, de dialogische en polyfone vormen, de ernst vermengd met een komische toon, journalistieke sensitiviteit voor de eigentijdse problemen, elementen van avontuur als provocatie en ter illustratie van de kerngedachte.

Een twaalftal karakteristieken kunnen worden aangetoond voor het menippeïsch karakter van de Max Havelaar:
1. Komische elementen (+)
2. Grote vrijheid van plot en filosofische idee (+)
3. Avonturen gesanctioneerd door het ideële doel (uitzonderlijke situaties dienen ter provocatie (+/-)
4. Organische koppeling van het losse, symbolische en extreme met een ruw naturalisme (+/-)
5. Behandelt definitieve zaken (-)
6. Drieledige constructie (+)
7. Waarneming vanuit een ongewoon punt (+/-)
8. Ongewone psychische toestanden, het moreel-psychologisch experiment (+)
9. Verstoring van het gewone, excentriek gedrag (+)
10. Scherpe contrasten, boven en beneden, ups-en-downs (+)
11. Sociale utopie (+/-)
12. Vermenging van genres (+)

Omhoog ^

- De eerste Nederlander in Korea: Jan Jansz Weltevree (‘Park Yon’)

Jihie Moon - Hankuk University of Foreign Studies, Seoul, Zuid-Korea

Cultuur



 

Hendrik Hamel en de andere opvarenden van de Sperwer waren niet de eerste Nederlanders in Korea. In 1627 werden drie foeragerende Nederlandse zeelieden aan de kust gevangen genomen. Onder hen was de eerste Nederlander die genaturaliseerd werd tot Koreaan. Zijn naam was Jan Jansz Weltevree, ook wel ‘Park Yon’ genoemd in het Koreaans. Hij leerde Korea hoe kanonnen (hong-ie-po) gemaakt konden worden, hetgeen belangrijk was voor Korea’s nationale verdediging. Hij heeft zijn leven toegewijd (aan Korea) tot zijn dood, maar vergeleken met Hendrik Hamels heroïsche avontuur in Korea, is zijn erkenning maar gering. Slechts twee keer wordt zijn naam genoemd in het officiële document ‘Choson Dynasty Annalen’. We kunnen meer informatie verkrijgen uit verscheidene privédocumenten, waaruit blijkt dat hij getrouwd was met een Koreaanse vrouw en een zoon en een dochter had. In 1991 bezocht een nazaat van Weltevree Korea, op zoek naar zijn verwanten (namelijk de nazaten van Weltevree van de Koreaanse kant). Later zijn er verschillende boeken en artikelen over hem gepubliceerd, bijvoorbeeld de roman Een millennium koninkrijk (2007), de roman Park Yon, een Koreaan (2013 Tamranundoda  en de musical Blauwoog Park Yon. In Nederland en Korea zijn er twee (bijna) dezelfde standbeelden van Weltevree ter nagedachtenis aan de eerste Nederlander in Korea en de eerste ontmoeting tussen Nederland en Korea. In deze presentatie zal de invloed van Weltevree op Korea worden besproken op basis van de geschiedenis en de historische representatie hiervan.

In Nederland is er de Stichting Jan Jansz Weltevree. Op de thuispagina staan de twee standbeelden van Weltevree of Park Yon in Rijp en in Seoul.


Omhoog ^
- Nieuwe studie Taalunie: talenbeleid onder de Europese loep. Wat valt er te leren?

Annelies de Jonghe - Albert-Ludwigs-Universität Freiburg, Duitsland /
Karlijn Waterman - De Taalunie Den Haag


Cultuur

 

 

Annelies de Jonghe - Karlijn Waterman

Sinds 2010 is in Duitsland het budget voor het internationale cultuur- en onderwijsbeleid flink gestegen. Uit het rapport van de IVN daarentegen blijkt dat er in Nederland en Vlaanderen de afgelopen jaren steeds minder geïnvesteerd is. Met het onderzoek in vijf geselecteerde Europese landen wil de Taalunie meer inzicht krijgen in het talenbeleid als instrument voor een succesvolle buitenlandse politiek. Enquêtes en interviews met contactpersonen van intermediaire organisaties in Duitsland, Hongarije, Polen, Portugal en Zweden vormen de ruggengraat voor de studie.

Om de ontwikkeling binnen het Europese talenbeleid van de afgelopen jaren te kunnen vatten, werden de onderzoeksvragen uit een eerdere studie van 2010 overgenomen.

  • Wat doen andere Europese landen om het onderwijs van hun eigen taal in Europa en de wereld te promoten?
  • Wat doen Nederland en Vlaanderen om het onderwijs van hun eigen taal in Europa en de wereld te promoten?
  • Op welke manier ondersteunen de geselecteerde landen het Nederlands?
  • Wat is de staat van het vreemdetalenbeleid in Nederland en Vlaanderen?

In deze lezing worden de resultaten van het onderzoek in vergelijking met de voorloperstudie van 2010 gepresenteerd.

Daarnaast gaan we graag in gesprek over de mogelijke argumenten voor het beleid voor de ondersteuning van het onderwijs Nederlands buiten het Nederlandse taalgebied.

Omhoog ^

- Project Mikado – Tone Brulin in de wereld

Geert Buelens - Universiteit Utrecht

Cultuur


 

De plek van de Nederlandstalige cultuur in de wereld wordt veelal onderzocht door te kijken naar de receptie van Laaglandse schilders en auteurs in andere culturen of naar hun invloed op het internationale denken. Van Erasmus tot Anne Frank, van Bruegel tot Ivo Van Hove – zoiets. Een andere vraag die in dit verband gesteld kan worden betreft de houding van de Laaglandse tegenover andere culturen, zijn of haar omgang ermee. In deze lezing probeer ik die laatste vraag aan te snijden door me te richten op de Antwerpse kosmopoliet, Tijd & Mens-medeoprichter, experimentele auteur en theatermaker Tone Brulin (1926). In de neerlandistiek is hij altijd een marginale figuur gebleven, hoewel hij als geen ander internationaal heeft gefunctioneerd en hij daarbij heeft gewoond en gewerkt in nagenoeg alle gebieden die in onze gedeelde of gezamenlijke geschiedenis een rol hebben gespeeld (België, Nederland, Zuid-Afrika, de Antillen, Suriname, Indonesië en de Verenigde Staten). Brulin was bereisder en wereldwijzer dan nagenoeg iedere andere Vlaamse cultuurdrager uit zijn generatie en met zijn scherpe oog voor machtsverhoudingen de ideale gids om te onderzoeken binnen welke mentale grenzen de wereld tijdens de decennia van dekolonisatie veranderde. Want geldt ook voor hem wat voor die dekolonisatie in het algemeen geldt in de beschrijving die hij in zijn sleuteltekst over de Congolees Potopot van het “Mikado Spel” gaf. Het moeilijke spel dat de meeste mensen nooit ten einde voeren?

De volledige tekst van Geert Buelens' lezing


Omhoog ^

DAG 5

 

 

‘Broeder, die dit boekske leest, ‘k Heb gerekend op uw geest’ (De Genestet).
Over de receptie van de Nederlandstalige literatuur in Rusland

Irina Michajlova - Staatsuniversiteit St.-Petersburg. Rusland

KEYNOTE Letterkunde

Als een auteur een boek schrijft, heeft hij een of ander beeld van de lezer voor ogen (‘broeder’) en doet hij een beroep op de min of meer gemeenschappelijke culturele en artistieke bagage die de lezer moet activeren bij het lezen (‘geest’). Maar als de reële lezer ver van de auteur verwijderd is in ruimte en tijd en een andere culturele bagage heeft, hoe reageert hij op de tekst? Om deze vraag te beantwoorden, nemen we de receptie van de Russische vertaling van een aantal Nederlandstalige teksten onder de loep.
Multatuli’s Max Havelaar werd kort voor de Oktoberrevolutie van 1917 en in de Sovjet-tijd herhaaldelijk uitgegeven. De officiële Sovjet-propaganda zag dit boek als uitbeelding van onrechtvaardigheid van het imperialisme, maar ook de dissidenten die tegen de Sovjet-autoriteiten optraden, beschouwden Multatuli als hun held, als strijder tegen de overheid.

Herman Heijermans’ Op hoop van zegen genoot grote populariteit in Rusland rond 1917 en was een enorm succes in 2013-2015. Rond 1917 werd vooral het sociale aspect benadrukt; in 2013-2015 stond de algemeen menselijke problematiek centraal.

Toen in 1980 Mijn kleine oorlog van L.P. Boon in Moskou verscheen, werden in het nawoord typische Sovjet-clichés gebruikt zoals ‘Boons genadeloos realisme en socialistische overtuigingen’. Moderne Russische lezers horen meer de anarchistische klank en menen dat de slotzin ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’ dé lijfspreuk van onze tijd moet worden.

Toen de Russische dichter V. Toporov in de jaren zeventig Lucebert vertaalde, was het voor hem vooral belangrijk om zijn eigen anti-totalitaristische houding te uiten. Hij vertaalde zeer vrij en onder de Russische lezers was er sprake van een echte cultus rond Lucebert.

De illustraties voor de Russische vertaling van Het zakmes door Sjoerd Kuyper (2006) zijn door de Peterburgse graficus A. Portnov gemaakt. Op de omslag zie je een typisch Petersburgs stadsgezicht met twee Russische jongens op de voorgrond. Het is en blijft een heel geliefd boek van veel Russische kinderen.

***

Mevrouw Michajlova pakte de behandeling van het thema chronologisch aan: eerst verdeelde ze moderne geschiedenis van Rusland in belangrijke episodes. De Nederlandse literatuur in Rusland behandelde ze in omgekeerde volgorde met de laatste episode het eerst.


Een beetje geschiedenis
  • 1917 Oktoberrevolutie

  • 1941-1945 Grote Vaderlandse oorlog

  • 1953 Stalins dood

  • 1956 XXCongres van de CPSU.
    Destalinisatie

  • 1962-1971 de Dooi

  • 1964 Chroestjov afgetreden

  • 1964-1982 Brezjnev

  • 1982-1990 na Brezjnev


In omgekeerde chronologische volgorde

  • 1990 – NU Kinderboeken A.M.G. Schmidt – Toon Tellegen – Joke van Leeuwen – Sjoerd Kuiper – Peter van Gestel / voor volwassenen Anne Frank – Nooteboom – Gerard Reve – Herman Koch – auteurs rond 1900. Literaire wedstrijden – non-fictie over Rusland – initiatief van vertalers
  • 1972 – 1990 ‘Verlichting’ – Lucebert. Vertaald door Victor Toporov – Verboden auteurs
  • 1960 – 1972 de Dooi – Anne Frank – Arthur van Schendel. Het Fregatschip Johanna Maria (1966) – Het lied der achttien doden vertaald door J. Brodsky (1970)
  • 1945-1960 Multatuli. Geliefd door de autoriteiten en door de dissidenten
  • 1917- 1945 – ideologie  
  • 1900-1917 ontspanning avontuur Maarten Martens, Herman Heijermans (Zeerovers) – sociale bewogenheid: Multatuli, Henriëtte Roland Holst, Herman Heijermans – Russisch symbolisme: belangstelling voor mystiek: Beatrijs, Ruusbroek (via Maeterlinck)

Conclusie

Russische lezers van verschillende generaties bekijken de vertalingen uit het Nederlands vanuit hun eigen achtergrond en zien er steeds andere facetten van, die meestal aanmerkelijk verschillen van wat de Nederlandse lezers in de brontekst zien. Maar per slot van rekening gaat het erom dat een bepaalde tekst de geest van de lezers blijft boeien.

Omhoog ^
- Representaties van een Ander in Nederlandse nieuwsmedia

Emmeline Besamusca - Universiteit Utrecht, Nederland

Taalkunde

 

Onderzoek naar beeldvorming over culturele en nationale identiteiten kiest vaak voor een imagologische benadering zoals die vanuit de vergelijkende literatuurwetenschap is ontwikkeld (cf. Beller & Leerssen, 2007). Wij kiezen in deze bijdrage voor een functioneel pragmatische benadering; deze reconstrueert de werking van bepaalde talige middelen bij de vorming van kennisstructuren (Ehlich & Rehbein, 1993), die ten grondslag liggen aan de beeldvorming over Zelf en Ander.

In deze bijdrage zullen we deze benadering presenteren en kritisch bespreken. Ter illustratie dienen afstudeeronderzoeken van studenten uit de masteropleiding Interculturele Communicatie in Utrecht, waarin vanuit deze benadering representaties van een Ander in diverse Nederlandse nieuwsmedia werden nagegaan, bijvoorbeeld de manier waarop er in verschillende Nederlandse talkshows na de aanslag op Charlie Hebdo in januari 2015 gesproken werd over moslims, de verschuiving van de representatie van Polen in Nederlandse kranten in 1989 en 2014 of een vergelijking van de representaties van Israeli’s en Palestijnen in het achtuurjournaal.

 

Onze hoofdvraag

  • Hoe kan de cognitieve interpretatie van de Ander worden gereconstrueerd op basis van de talige realisatie?

  • We beperken ons hier tot talige realisaties in traditionele landelijke dagbladen (Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad, Trouw, De Volkskrant) - maatschappelijk apparaat: kranten als agenten, lezers als cliënten

    - nationale verspreiding
    - anoniem publiek
    - nieuws / actualiteit
    - bepaalde ideologie
    - redactie

[Bibliografie is weggelaten]

Omhoog ^

- De studie van het Nederlands op universitair niveau in Brazlië

Julio Monteiro - Universiteit van Brasilia, Brazilië

Taalkunde


 

Het vak Nederlands als vreemde taal op universitair niveau in Brazilië is zeer recent en biedt ondanks de ondervonden moeilijkheden veelbelovende mogelijkheden. Ik zal het specifieke geval van het vak Nederlands aan de Universiteit van Brasilia presenteren, die momenteel als enige Braziliaanse universiteit dit vak aanbiedt. Het vak Nederlands is optioneel en staat open voor alle studenten van de Universiteit van Brasilia. Studenten komen uit alle opleidingen, met name Letterkunde, Economie, Geschiedenis,
Internationale Betrekkingen en Engineering. Studenten komen om verschillende redenen naar het vak: bijvoorbeeld om het ‘exotische’ karakter van de Nederlandse taal of uit nieuwsgierigheid naar het Nederlandse koloniale verleden in het noordoosten van Brazilië. Wat alle studenten gemeen hebben, is de overtuiging dat Nederlandse kennis een significant verschil zal maken in hun persoonlijk en professioneel leven. Tot de problemen of uitdagingen behoren het gebrek aan adequaat lesmateriaal en het gebrek aan personeel.

 

De studie Nederlands aan de Universiteit van Brasilia

Afdeling Vreemde talen en Vertaalwetenschap

  • Nederlands als bijvak:
  • 1 docent: Doctor in de Literatuur, Hoogleraar Vertaalwetenschap
  • gericht op alle bachelorstudenten
  • 3 niveaus: Nederlands 1, Nederlands 2, Nederlands 3
  • 3 semesters (180 uren)
  • ongeveer 50 studenten per semester
  • taalverwerving


Omhoog ^

Middagsessies dag 5

 

- Eén uur werd voorzien voor de Taalunie. De algemeen secretaris Hans Bennis en de beleidsmedewerkster Karlijn Waterman gaven aan hoe de relatie tussen IVN en de Taalunie nu uitstekend loopt en ze lichtten veelzijdig het nieuwe beleid toe van de Nederlandse Taalunie sinds het aantreden van algemeen secretaris Hans Bennis.

- Het tweede middaggedeelte werd besteed aan de Algemene ledenvergadering van de IVN.
Bijzonder was de plechtige verlening van het ere-lidmaatschap aan een vroegere voorzitter van de IVN em. prof. dr. Jos Wilmots van Hasselt omwille van zijn aanzienlijke verdiensten voor de vereniging gedurende vele jaren.

Omhoog ^


Culturele avondprogramma's


 

Op dinsdag 28 augustus was er een literaire avond met schrijfster Lize Spit, die vertelde over haar succesvolle debuutroman Het smelt en er treffende passages uit voorlas.

Op woensdag 29 augustus organiseerde het tijdschrift Ons Erfdeel onder de bloemrijke titel Laat duizend bloemen bloeien? een debat over taalvariatie in Vlaanderen en Nederland.


Hoogleraar Wim Vandenbussche, sociolinguïst aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB), leidde het debat over dat thema in met een zinvolle en belangrijke lezing, waarbij hij een overzicht bracht van het huidige discours rond het gesproken Nederlands binnen het taalgebied en vooral in Vlaanderen.

Zijn tekst is nu op de blogpost van Ons Erfdeel te lezen.

Twee stellingen markeren zijn tekst:
- ‘Tussentaal is een volstrekt normale en natuurlijke taalvariëteit die bestaat omdat de taalgebruiker er behoefte aan heeft’
- ‘Er ligt een wijd gapend gat open voor een spreekbuis en pleitbezorger van de standaardtaal.’


Op donderdag 30 augustus zong het diversiteitskoor Koruso bekende Nederlandstalige liedjes.

Vrijdag 31 augustus werd het colloquium afgerond met een feestelijk slotdiner in de oude maar gerestaureerde brouwerij De Hoorn met danktoespraken van IVN-voorzitter Henriëtte Louwerse en van prof. dr. De Geest, die de organisatie coördineerde met de ontvangende KU Leuven.

Omhoog ^


Interview met Iris van Erve, directeur Internationale Vereniging voor de Neerlandistiek

Michaël Vandamme

12-9-2018


“Intensief en tegelijkertijd ontzettend boeiend en verrijkend”, zo omschreef directeur Iris van Erve het zopas afgeronde Colloquium Neerlandicum, inmiddels al het twintigste in zijn soort.

Lees het interview in Voertaal waarin Van Erve een vijftal vragen beantwoordt over het colloquium en over het succes van de Neerlandistiek ‘wereldwijd’.

Omhoog

De recente berichten op de Facebookpagina van het NDN

De onderwijskundige actualiteit Nederlands in informatieve berichten
taal, didactiek, literatuur...


Klik op >
LEES DE BERICHTEN
of hieronder:

 
 


NDN-Facebookpagina


We vestigen de aandacht op de vele interessante artikelen op de Facebookpagina van het NDN. Het gaat hier om tien berichten vanaf 19 tot 25 september 2018. Het nieuwste bericht staat eerst, het oudste laatst.

Klik op het Facebookicoontje of log in met je Facebookaccount. Vanaf 8 februari 2018 hebben we een nieuwe pagina gecreëerd 'Netwerk Didactiek Nederlands-2'
.
U bereikt ze ook via @netdidned.be.




  • ATTITUDE TEGENOVER HET NEDERLANDS

    25-9-2019

    Een terechte protestbrief verschenen in Het Parool.
    Geen wonder dat het Nederlands onder druk staat als we dagelijks in de praktijk tonen dat onze eigen taal niet belangrijk is. Ik moet altijd denken aan de woorden van Willem Frederik Hermans, die zei: "Ik ken geen één volk dat zijn eigen taal zo minacht als het Nederlandse volk."
    Zijn we in Vlaanderen in hetzelfde straatje ziek?
    https://www.parool.nl/…/-maak-nederlands-de-voertaal-in-on…/


     
  • BIJ FOKKE & SUKKE AAN TAFEL VOOR SPECIFIEK NEDERLANDSE HUMOR

    25-9-2018

    Drie kleppers van jewelste !
    https://www.nrc.nl/…/we-doen-het-helemaal-niet-voor-mensen-…



  • HET GROTE TIJDSONDERZOEK VAN LERAREN

    20-9-2018

    Leraren verklappen hun functioneren.
    Gedurende een week lang hebben ze hun tijdsbesteding genoteerd.
    Video: 3’42”
    https://www.hetgrotetijdsonderzoek.be/
    Het onderzoek
    http://onderwijs.vlaanderen.be/onderzoek-tijdsbesteding-ler…
    Op welke vragen moet dit onderzoek een antwoord bieden?
    • Hoeveel tijd besteden leerkrachten per week aan hun beroepstaken? Welk gedeelte daarvan besteden zij aan hun kerntaken respectievelijk randtaken?
    • Hoe is de tijd verdeeld over de dagcyclus en over de weekcyclus. Met andere woorden: werken ze overdag, 's avonds of ’s nachts? Werken ze op gewone weekdagen of in het weekend? Werken ze ook tijdens je vakanties?
    • In welke mate zijn de beroepstaken versnipperd? In welke mate is er sprake van multitasking?
    • Is de verhouding tussen werk en privé nog in balans? Houden ze nog tijd genoeg over voor zichzelf of hun gezin?
    • Zijn er verschillen in arbeidstijd tussen leerkrachten naargelang statuut (tijdelijk of vastbenoemd), onderwijsvorm (ASO-TSO-BSO-KSO), onderwijsorganisatie, onderwijservaring, lesopdracht, lesinhoud (vak) …?
    • In welke mate ervaren ze tijdsdruk? Hoe zwaar weegt het beroep op het psycho-sociaal welbevinden?
    • Is er de laatste jaren een evolutie in de manier waarop leerkrachten hun tijd besteden? Wat zijn de oorzaken hiervan (bijvoorbeeld digitalisering, verhoogde maatschappelijke verwachtingen,…) ?
    De belangrijkste conclusies
    https://www.klasse.be/…/onderzoek-tijdsbesteding-leraren-d…/
    Wat zit er achter de cijfers van Het Grote Tijdsonderzoek?
    De onderzoekers geven hun duiding
    https://www.klasse.be/…/wat-zit-er-achter-de-cijfers-van-…/…
    Hoe de veerkracht van de leerkracht vergroten?
    Didacticus Kris Vanden Branden aan het woord op zijn blog Duurzaam Onderwijs
    https://duurzaamonderwijs.com/…/hoe-de-veerkracht-van-de-l…/



  • NT2 HANDREIKING VOOR DOCENTEN REGULIER ONDERWIJS VO EN MBO

    20-9-2018

    O jee, een NT2-leerling in de klas!
    Leerlingen die vanuit de ISK het reguliere onderwijs instromen, zitten nog midden in hun tweedetaalverwervingsproces. In de ISK is een goede basis gelegd voor het Nederlands, binnen het regulier onderwijs kan én moet hun Nederlandse taalvaardigheid zich verder ontwikkelen. De leerling moet zich ook de inhoud van veel vakken eigen maken. Elke docent kan de leerling ondersteunen en begeleiden. Deze handreiking kan bijdragen aan de nodige expertise en is bedoeld voor alle theorie- of praktijkdocenten die lesgeven in het VO of MBO en is gratis te downloaden.
    https://www.lowan.nl/…/nt2-handreiking-voor-docenten-regul…/



  • MOOC MIDDELNEDERLANDS UANTWEPEN ONTVANGT JAARPRIJS WETENSCHAPSCOMMUNICATIE

    20-9-2018

    Door redactieteam MOOC Middelnederlands
    Zowat een jaar geleden stelden we MOOC Middelnederlands aan u voor, een reeks online-colleges over de hoogtepunten van de Middelnederlandse literatuurgeschiedenis. Het project heeft een vliegende start genomen: de colleges worden in Vlaanderen en Nederland veelvuldig bekeken en – vooral – op structurele wijze ingezet in het onderwijs. Sinds de lancering vonden zo’n 60.000 geïnteresseerden hun weg naar de website!
    Lees verder
    https://www.neerlandistiek.nl/…/mooc-middelnederlands-ontv…/



  • PROF VAN KEYMEULEN GEVIERD

    20-9-2018

    Bemiddelaar tussen wetenschap en maatschappij

    Prof. dr. Jacques Van Keymeulen ontving de Matthias de Vriespenning uit handen van prof. dr. Frieda Steurs op zijn emeritaatsviering in Gent op vrijdag 14 september 2018. De penning heeft als randschrift: Prof. dr. Jacques Van Keymeulen, gedreven bemiddelaar tussen wetenschap en maatschappij.
    Professor van Keymeulen heeft zich gedurende heel zijn werkzame leven aan de Universiteit Gent ingezet voor de verzameling, beschrijving en ontsluiting van de Vlaamse dialecten, meer bepaald als redacteur en promotor van het project Woordenboek van de Vlaamse Dialecten. Vervolgens heeft hij het initiatief genomen om allerlei dialectcollecties te digitaliseren. In de eerste plaats de data van het Woordenboek van de Vlaamse dialecten zelf. Hij heeft het initiatief genomen om de dialecten van de zuidelijke Nederlanden, zoals beschreven in drie grote regionale woordenboeken (Woordenboek van de Vlaamse, Brabantse en Limburgse Dialecten), aan elkaar te koppelen in één grote database (Dictionary of the Southern Dutch Dialects) zodat de data bruikbaar worden voor alle soorten dialectonderzoek. Het Instituut voor de Nederlandse Taal ontwikkelt de database en de publieksapplicatie (en zorgt voor het beheer na afloop van het project), waarbij de Universiteit Gent het cartografische deel van de applicatie op zich neemt.
    Lees meer op de site van Neerlandistiek
    https://www.neerlandistiek.nl/…/prof-dr-jacques-van-keymeu…/



  • DE SCHOONHEID VAN ROKEN

    20-9-2018

    Esther Naomi Perquin

    Kijk, een man die rookt, dat is niks.
    Zijn het er twee, ze liggen te smoken in bed,
    dat is aardig.

    Maar betreft het een heer, gezet en op jaren,
    ja, dan wordt het mooi.
    Wandelt hij onder oranje platanen, het regent
    niet meer, de dood is het laatste waaraan
    hij denkt, kijk, dat is schoonheid.

    Het gedichtje is niet van de dichteres bovenaan genoemd.
    Zij citeert hier Juliën Holtrigter.
    Haar verhaaltje over de eerste sigaret die ze als kind zag is mooi en ook het vervolg van haar tekst. Ook wat tegendraads, niet?
    https://www.groene.nl/artikel/hosanna…



  • JOHAN VAN ISEGHEM OVER LEZEN VAN LITERAIRE TEKSTEN OP SCHOOL

    20-9-2018

    De emeritus hoogleraar doceerde literatuur in Leuven en in Kortrijk. Hij is een eminent Gezellekenner en ook een bekwaam didacticus Nederlands, die generaties studenten opleidde tot leraar Nederlands.
    Zijn antwoord op de vragen die hem via Knack werden gesteld zijn adviezen:
    - zeker geen uurtje Nederlands afknijpen in de lessentabel
    - actief literaire teksten behandelen in de klas
    - ook andere teksten dan canonteksten in de klas aan de orde stellen
    - luisterboeken zijn waardevol, maar kunnen het lezen van het blad zeker niet vervangen.
    https://www.knack.be/…/een-uur…/article-normal-1198999.html…



  • +++PLUSNEDERLANDS

    19-9-2018

    NIEUW!

    Iets voor jullie school?
    PlusNederlands is bedoeld als aanvulling op de reguliere lesuren in het schoolvak Nederlands. Het programma beoogt uitdaging te bieden, creativiteit aan te wakkeren en de kennis van de leerlingen over onderzoek naar de Nederlandse taal en cultuur (‘de neerlandistiek’) te vergroten. Leerlingen leren vanuit meerdere perspectieven onderzoek te doen naar taalsysteem, taalgebruik en literatuur. Ze onderzoeken de communicatieve, conceptualiserende, expressieve en esthetische functie van de Nederlandse taal en leren over dat onderzoek schrijven. De onderdelen Olympiade en Schrijfakademie worden landelijk georganiseerd door wetenschappers, organisaties als de Taalunie en uitgevers. Het onderdeel Verkenningen kan de school zelf vormgeven. Onderdelen van PlusNederlands staan open voor leerlingen van alle schooltypen.
    Lees meer
    Verken de aanpak van PlusNederlands
    https://plusnederlands.nl/voor-docenten/



  • JAARLIJKSE NETWERKMIDDAG NDN 10-10-2018

    19-9-2018

    Dit bericht staat ook op de NDN-website – pagina Activiteiten:
    http://www.netdidned.be/activiteiten.html#NETWERKMIDDAGSOL

    ‘Studenten Ontmoeten Leraren [SOL]’

    Arteveldehogeschool Gent - 10 oktober 2018
    Campus Kattenberg – Kattenberg 9 – 9000 Gent


 
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • José Vandekerchove, voorzitter
  • Ghislain Duchâteau, vicevoorzitter
  • Carl Brüsewitz, secretaris
  • Nora Bogaert , bestuurslid
  • Tamara Bollaert, bestuurslid
  • Jan Lecocq , bestuurslid
  • André Mottart, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe +, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 20
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB van NDN, Wilrijk

Voor (onderwijs)instellingen en vakgroepen is een groepslidmaatschap mogelijk.
Dat houdt in:
- Om van een groepslidmaatschap te genieten moeten minimum drie (3) leden van een instelling toetreden.
- Per lid wordt binnen het groepslidmaatschap 2,5 euro korting gegeven, dus per lid wordt het dan 17,5 euro.
- Voor drie leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat de storting van 17,5 euro x 3 = 52,5 euro
- Voor vijf leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat 17,5 euro x 5 = 87,5 euro.

Het lidmaatschap loopt van 1 januari tot 31 december 2019.

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be
 
Afmelding
Wie deze nieuwsbrief liever niet ontvangt, kan zich afmelden met een berichtje naar info@netdidned.be