Contact: info@netdidned.be
Correspondentieadres: Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
Verantwoordelijke uitgever: G. Duchâteau, Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
28-3, mei-juni 2016
     
In deze nieuwsbrief:

NDN-Facebookpagina




Redactioneel
Terugblik op de NDN-Lenteconferentie Bewust taalvaardig 15-4-16 Stadscampus UAntwerpen
Taal en leren - Nora Bogaert
Nederlands fundament voor duurzaam onderwijs
Kruistocht in spijkerbroek herbekeken
Alweer - weeral /taaltip
Drie artikels in Tijdschrift Taal
Meg Rosoff wint Astrid Lindgrenprijs 2016
Kloof onderwijsonderzoek onderwijspraktijk
De vaste benoeming
Poëzie schrijven, poëzie lezen
Focus op taal - Basisboek Nederlands 2e taal
Kort verhaal
Astrid Lindgren in de Lage Landen
Lesvoorbeeld: twee liefdesgedichten
Mijn pleidooi voor de leraar
Het Taalmuseum Leiden
Over taal gesproken - Artikels over taal op Kennislink
Taalunie: Bericht - editie juni 2016
Blog en boek over binnenklasdifferentiatie
De NT²-leermiddelen
in Nederland en Vlaanderen

Staat onderwijs Nederlands in het buitenland
Neder-L werd Neerlandistiek.nl
Recent op de NDN-Facebookblog
 
Beschikbaar in ons NDN-archief -NDN-site pagina Nieuwsbrief
 
NDN-Nieuws 28-2
 
NDN-Nieuws 28-1
 
NDN-Nieuws 27-4
 
NDN-Nieuws 27-3
 
NDN-Nieuws 27-2
 
NDN-Nieuws 27-1
 
NDN-Nieuws 26-4
 
• NDN-Nieuws 26-3
 
• NDN-Nieuws 26-2
 
• NDN-Nieuws 26-1
 
• NDN-Nieuws 25-5
 
• NDN-Nieuws 25-4
 
• NDN-Nieuws 25-3
 
• NDN-Nieuws 25-2
 
• NDN-Nieuws 25-1
 
• NDN-Nieuws 24-4
 
• NDN-Nieuws 24-3
 
• NDN-Nieuws 24-2
 
• NDN-Nieuws 24-1
 
• NDN-Nieuws 23-4
 
• NDN-Nieuws 23-3
 
• NDN-Nieuws 23-2
 
• NDN-Nieuws 23-1
 
• NDN-Nieuws 22-4
 
• NDN-Nieuws 22-3
 
• NDN-Nieuws 22-2
 
 
 
 
Redactioneel
 

L.S.

Beste lezers,



Niet minder dan 22 artikels bieden wij aan in deze derde editie van jaargang 28. We brengen ze in een tijdsperiode dat vele lerarenopleiders en docenten in beslag genomen worden door de lopende examentijd. We zitten daaraan te denken, maar toch durven wij uw aandacht vragen voor die reeks artikels die zorgvuldig werden gekozen binnen het belangstellingsveld van de NDN-leden en de sympathisanten uit het onderwijsveld in Vlaanderen en Nederland. U kunt deze editie vluchtig doornemen of ze voor later in rustiger tijden bewaren. U kunt ze tussendoor lezen als prettige afwisseling voor het vragen- en antwoordspel van de examens. In elk geval durven we rekenen op een aandachtige lectuur van het belangrijkste dat we hieronder bieden.

De diversiteit van artikels en teksten is zoals in vorige edities behoorlijk groot.
Bij de 22 zitten er ook een aantal die louter informatief zijn en waarvan het enkel nodig is kennis te nemen. In de langere teksten zit ook ideeëngoed met betrekking tot ons onderwijs zowel in de richting van de literatuur als in de richting van het taalonderwijs zelf. Zo wekken wij belangstelling voor een nieuwe ingang tot het jeugdboek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ van Thea Beckman, die berust op recente nieuwe inzichten. Met genoegen presenteren wij voor het onderwijs zelf de tekst van NDN-bestuurslid Nora Bogaert ‘Taal & leren – Ontwikkeling van een visie op theorie en praktijk’ waarin als doelen taaltaken, krachtige leeromgevingen en exemplarisch lesmateriaal beoogd worden vanuit een visie die bijzonder actueel geacht kan worden voor het taalonderwijskundig denken en de praxis. We volstaan met die voorbeelden om u, beste lezers, te sensibiliseren om voor die nuttige artikels de tijd te reserveren om daarover te reflecteren en misschien meer.

Uit het geheel van deze editie zou ook kunnen blijken hoe het Netwerk Didactiek Nederlands zich ijverig en consequent inzet voor de bevordering van het onderwijs in onze taal op alle niveaus van lager tot hoger onderwijs.
Met uw blijken van belangstelling en mogelijk van uw constructieve medewerking hopen wij dat nog enige tijd verder te zetten.

Reacties over deze editie van de NDN-Nieuwsbrief zijn uiteraard welkom.
Suggesties voor bijdragen voor een volgende editie stellen wij evenzeer op prijs.

Tot slot wensen wij u vanuit het NDN-bestuur een zinrijke en vruchtbare examenperiode toe met uiteraard veel innerlijke voldoening als de resultaten meevallen.


Ghislain Duchâteau

namens het hele NDN-bestuur



 


Terugblik op de NDN-Lenteconferentie "Bewust taalvaardig"
Vrijdag 15 april 2016 Stadcampus UAntwerpen

 

De 34 deelnemers kwamen uit Nederland en Vlaanderen. Het waren lerarenopleiders, begeleiders, ontwikkelaars en een uitgever. De lerarenopleiders kwamen uit de universiteiten en de hogescholen zowel uit de bacheloropleidingen kleuter-, basis- als uit die van het secundair onderwijs.





 

Het organiserend NDN-bestuur is bijzonder tevreden over het verloop van de conferentie. De keynotepresentatie van Kris Van den Branden was rijk en ze werd heel expressief gebracht, zodat de belangstelling opvallend intens bleek. De reflectieronden in de namiddag in groepjes met terugkoppeling vereiste heel wat denkinzet en initiatief. De ene groep kon al meer resultaat naar de andere groepen toe brengen dan de andere.

We verwijzen hier graag naar de pagina NDN-activiteiten van onze website.

Daar treft u aan: het programma, de thema’s die aan de orde kwamen in vraagvorm gesteld, een overzicht van de reflectieronden eveneens in vraagvorm. Een fotorapportage met een tiental foto’s moet het sfeerbeeld van de conferentie weergeven. Onder de foto’s kunt u ook de concepttekst van de conferentie nalezen.

Keynotespreker Kris Van den Branden betitelt zijn keynotepresentatie “Bewust taalvaardig in de 21ste eeuw” Ze is rijk en betekenisvol en verstrekt een indringend perspectief van wat we van dat onderwijs in de 21ste eeuw moeten verwachten.

Leerlingen moeten leren hoe ze taal en informatie, kennis, verbeelding, moderne technologie, sociale media, verandering, eigen ‘leer-kracht’, hun eigen leven doen werken en hoe ze het leven op deze planeet doen werken. We bevelen aan de powerpointpresentatie van Kris Van den Branden eens grondig na te lezen of zeker zijn recente boekpublicatie “Onderwijs voor de 21ste eeuw” (uitg. Acco 2015) te bestuderen.


Taal en leren - Ontwikkeling van een visie op theorie en praktijk - Nora Bogaert


In de hier voorliggende tekst schetst Nora Bogaert een beeld van de werking die het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO) van de KU Leuven in de periode 1991-2012, de periode toen zij zelf werkzaam was bij het centrum, opzette ten behoeve van de ontwikkeling van academische taalcompetenties in het secundair onderwijs.

De tekst bestaat uit de volgende drie delen:

Deel 1: Leren en Taal, waarin zij de essentie van cognitief-academisch ‘discourse’ en van de cognitief-academische taalcompetentie(s) nader bepaalt;

Deel 2: Cognitief-Academische Taal en Didactiek, waarin zij de visie van het CTO uiteenzet met betrekking tot succesvolle ontwikkeling van cognitief-academische taalcompetentie(s) in het onderwijs, enerzijds in het vakgebied taal en anderzijds in de niet-taal vakken;

Deel 3: Beleidvoering voor de ontwikkeling van de Cognitief-Academische Taalcompetentie(s), waarin zij de visie van het CTO op succesvolle implementatie van innovatiepraktijken preciseert.

De auteur, die heel actief bestuurslid is van het Netwerk Didactiek Nederlands, stelt de tekst vrij ter publicatie ter beschikking.

Klik door naar de tekst

 

 
Omhoog ^


De inbreng van het Netwerk Didactiek Nederlands in het discours over de eindtermen in Vlaanderen


Nederlands als fundament voor duurzaam onderwijs


 

Taal en maatschappij, burgerschap en cultuur zijn sterk met elkaar verweven. Nederlands speelt een onvervangbare rol in de persoonlijke ontwikkeling, het persoonlijke en maatschappelijke succes en de sociale cohesie. Omgekeerd heeft de samenleving in een veranderende wereld van kennis, wetenschap en technologie behoefte aan mensen met een degelijke en omvattende talige en literair-culturele geletterdheid. Daarom verdient Nederlands bijzondere aandacht in het onderwijs van de toekomst.

Alle leerlingen

Alle leerlingen hebben recht op gelijkwaardige vorming in talige en literaire competentie, op volwaardig onderwijs Nederlands. Vandaar het belang van een talig kerncurriculum met voor iedereen geldende competenties die verder per niveau en onderwijsvorm gedifferentieerd uitgewerkt moeten worden. In alle richtingen in het s.o. behoort Nederlands tot de kern, ook als ze zich richten op exacte wetenschap en technologie (cfr. STEM). Ook de leerlingen in het bso, waar de eindtermen/ontwikkelingsdoelen uit de jaren 90 – kennelijk vanuit een achterhaalde deficiëntieopvatting – een uiterste versmalling tot een te beperkte functionele taal- en informatievaardigheid vertonen, hebben recht op evenwaardig en volwaardig onderwijs Nederlands. Zo zouden ontwikkelingsdoelen niet wenselijke maar vereiste doelen kunnen worden (Zie ook de blog van Ruth Lasters).


Geletterdheid

In de meervoudige geletterdheid waar onze tijd behoefte aan heeft, staat talige geletterdheid centraal. Talige geletterdheid heeft te maken met drie grote functies. (1) De cognitieve of conceptualiserende functie: via taal greep krijgen op de werkelijkheid. (2) De communicatieve of sociale functie: communiceren met anderen (en zichzelf) en relaties met anderen aangaan. (3) De expressieve en affectieve functie: via taal de werkelijkheid beleven; gevoelens uiten, bespreken en verwerken. Met die drie functies zijn er nog andere nauw verbonden, onder meer de esthetische, religieuze of filosofische en metatalige functies.
De talige geletterdheid behoort ontwikkeld te worden zowel in het vak Nederlands, dat zijn eigen specifieke opdracht heeft, als in de andere vakken en leerdomeinen. Geletterdheid Nederlands dient immers ook gezien te worden als een belangrijke component van de vakoverschrijdende eindtermen, maar ze moet volgens ons tegelijk uitdrukkelijk in de eindtermen van elk leergebied of vak zelf worden verwerkt. (Voor de leesbaarheid gebruiken we hier de term 'eindterm' voor zowel resultaatsgerichte eindtermen als inspanningsgerichte ontwikkelingsdoelen.)


Taalcompetentie bij het vak Nederlands

Bij de actualisering van de eindtermen voor het vak Nederlands moet veel meer dan voorheen aandacht zijn voor de onderlinge samenhang van de vaardigheidsdomeinen (spreken, luisteren, mondelinge interactie, schrijven, lezen), maar ook voor de samenhang tussen vaardigheden, kennis en inzicht en de attitudes. Vaardigheidsontwikkeling vergt bewuste kennis over taal en taalgebruik. Tegelijk moet kennis over taal en taalgebruik ook een bijdrage leveren aan de algemene sociale en culturele vorming, met vragen als: hoe zit taal in elkaar? welke regionale en sociale taalvariatie hebben we? welke functies hebben taalvariëteiten? welke normen, waarden, conventies worden via taal doorgegeven?

Attitudes die samenhangen met de taalvaardigheden en de bewuste kennis, moeten in de herziene eindtermen veel rijker uitgewerkt en omschreven worden dan het aspect 'bereidheid tot' waartoe ze nu veelal beperkt zijn: houdingen zoals overtuigd zijn van, plezier hebben in, belangstelling hebben voor, zich bewust zijn van, een houding aannemen tegenover, zich inspannen voor, … Het gaat er bijvoorbeeld om aandacht te besteden aan de kwaliteit van eigen of andermans taalgebruik, te reflecteren op eigen taal- en communicatiegedrag, onbevooroordeeld en met inzicht taalvarianten of de gebruikers ervan te benaderen, zich in te spannen om het passende taalregister te kiezen en juist te hanteren.

Zowel bij Nederlands als bij andere vakken moeten de eindtermen goed inspelen op de sociale en culturele diversiteit in ons onderwijs en de daarmee samenhangende taalvariatie: veel leerlingen hebben als moedertaal een andere taal (allerlei variëteiten van Nederlands, een vreemde taal) dan de onderwijstaal, waarbij de standaardtaal een bijzondere plaats bekleedt en speciale aandacht verdient. De recentelijk ingevoerde geactualiseerde eindtermen voor taalbeschouwing (2010 – 2014) besteden terecht aandacht aan het fenomeen van taalvariatie.


Taalcompetentie bij niet-taalvakken

Taal is in alle andere leergebieden en vakken op een dubbele in elkaar vervlochten wijze aanwezig: als medium en als doel. Taal is het medium bij uitstek voor vaardigheids- en kennisverwerving, voor begripsvorming en communicatie in alle leerdomeinen en vakken. Leerlingen moeten tegelijk ook de taal en de talige vaardigheden die daarbij horen, verwerven. We spreken in dit verband van vaardigheid in de cognitief-academische taal, met een ander woord de 'schooltaal'. In zulk taalregister wordt op een cognitief complexe, meer abstracte, gedecontextualiseerde manier gedacht en gesproken, met gebruikmaking van schrijftalige algemeen intellectuele of 'geleerde' woorden, schooltaalwoorden, vaktaalwoorden, alledaagse woorden met een andere betekenis. Daarbij ook dito uitdrukkingswijzen en formuleringen. Verder horen hier typische taalhandelingen bij als vakspecifieke begrippen benoemen, definities formuleren, uitleggen, vergelijken, conclusies trekken.

In zekere mate moet die cognitief-academische taalvaardigheid in het vak Nederlands worden verworven, en daarnaast ook heel specifiek in elk van de andere vakken. Van alle leraren wordt verwacht dat zij in hun vakonderwijs taalondersteunend (medium) en taalontwikkelend (doel) te werk gaan. Daarom ook is het van belang dat cognitief-academische taalvaardigheid uitdrukkelijk opgenomen wordt in de herziene eindtermen van elk van de leerdomeinen en schoolvakken.


Literaire competentie

We citeren met instemming het Nederlandse 'Manifest Nederlands op school': "Het lezen van fictie en literatuur is niet alleen een plezierig tijdverdrijf, maar het bevordert ook een esthetische, emotieve, sociale, intellectuele en talige ontwikkeling. […] Meer dan andere teksten dwingen gedichten, verhalen, en romans leerlingen tot 'slow reading', concentratie en reflectie. Literatuur confronteert de lezer bovendien met de grenzen van het historisch en cultureel denk- en zegbare en stimuleert zo tot creativiteit, reflectie, empathie en kritiek."


Leerlijnen

Zowel bij de talige als de literaire competentie is er bijzondere aandacht nodig voor doorlopende leerlijnen vanaf het kleuteronderwijs tot aan het einde van het leerplichtonderwijs. De eindtermen moeten rekening houden met het ontwikkelingsniveau van de leerlingen door heel het traject heen. Bij het literatuuronderwijs kunnen de eindtermen voor het secundair onderwijs zich inspireren aan de zes leesniveaus ontworpen door Theo Witte, gaande van zeer beperkte tot zeer uitgebreide literaire competentie, met bijbehorende leeswijzen: belevend, herkennend, reflecterend, interpreterend, letterkundig, en academisch lezen. (T. Witte, Het oog van de meester, 2008). Zie Lezen voor de lijst/ de leesniveaus.

Specificiteit

Ook al dienen alle leergebieden en schoolvakken een bijdrage tot de taalvorming te leveren, het vak Nederlands blijft in het onderwijs van de toekomst een specifieke opdracht houden in basis- en secundair onderwijs. Tot die specificiteit behoren:
- de fundamenten van bewuste talige en literair-culturele geletterdheid;
- het receptief en productief verwerken van (talige) informatie en de daarbij horende strategieën;
- bewuste kennis over en inzicht in Nederlands, taal en communicatie, zowel de functionele kennis ten dienste van de taalvaardigheidsontwikkeling als de niet-utilitaire kennis die deel uitmaakt van de sociale en culturele ontwikkeling;
- ontwikkeling van bewuste literair-culturele competentie.


Herziene eindtermen

Zowel bij Nederlands als de andere vakken moeten de eindtermen Nederlands bij de herziening zo worden geformuleerd en gestructureerd dat het onderliggende concept, de samenhang tussen bij elkaar horende kennis-, vaardigheids- en attitude-elementen, en de niveaus en leerlijnen voor de gebruikers (leraren, leerplanmakers, auteurs van leermethoden) transparant en herkenbaar zijn en daardoor goed vertaalbaar in passende onderwijs-leeractiviteiten. Al te algemene, en daardoor vage en weinigzeggende formuleringen waarmee men alle kanten uit kan, dienen vermeden te worden.

Voor het Netwerk Didactiek Nederlands (NDN):

Nora Bogaert, Carl Brüsewitz, Frans Daems, Ghislain Duchâteau, Riet Jeurissen, Jan Lecocq, André Mottart, José Vandekerckhove, Hilde Van den Bossche

Zie verder:

- Visietekst Netwerk Didactiek Nederlands
- N. Bogaert & K. Van den Branden: Doelen voor taal op leerlingniveau
- Plan Geletterdheid Verhogen

Meer informatie over het eindtermendebat op de pagina NDN-activiteiten van onze website:

- De eindtermen Nederlands: de NDN-adviestekst
Nederlands als fundament voor duurzaam onderwijs

- Publiek luik eindtermendebat eindigt met 13 clusters - vrijdag 13 mei 2016



MIDDELEEUWSE ‘KINDERKRUISTOCHT’ WAS IN FEITE MARS VAN VOLWASSEN ARMEN EN VERDRUKTEN

Kruistocht in grotere maat spijkerbroek

Brussel/Van Ann De Ron


 

Het fenomeen van de (kinder)kruistochten van naderbij bekeken. "Het hart van een kind is zo warm en los, zo buiten de wereld en roekeloos, dat ze gingen en zelfs geen afscheid namen" (Martinus Nijhoff)

De kinderkruistocht uit 1212, BEROEMD DOOR DE JEUGDROMAN VAN Thea Beckman, is altijd een gek fenomeen in de middeleeuwse geschiedenis geweest, waarmee geschiedschrijvers niet zo goed raad wisten. Tot een Nederlandse historicus de bestaande bronnen nog eens goed bekeek en ontdekte dat de deelnemers geen kinderen waren, maar volwassen mensen van de laagste sociale klasse.


‘Die kinderen … ik heb erover gehoord. Het is de Kinderkruistocht.’
‘Wat?’
‘Ze zijn op weg naar het Heilig Land, om Jeruzalem van de Saracenen te bevrijden.’

Met open mond staarde Dolf hem aan.
‘Die … die hummels?’
Leonardo knikte.
‘Bedoel je dat die kinderen de Turken willen bevechten?’

Verdrietig keek Leonardo naar de steenhoop waaronder het dode meisje lag.
‘Maar hoe stellen ze zich dat dan voor?’, gaapte Dolf, die een ogenblik zijn eigen ellende vergat. ‘Ik heb er kleintjes bij gezien, niet ouder dan een jaar of zes, zeven. Wat is dat dan voor kruistocht? Dat kan toch niet …’

Bovenstaand fragment uit de beroemde jeugdroman van de Nederlandse schrijfster Thea Beckman is meer dan ooit fictie. Toen de schrijfster het boek begin jaren ’70 schreef, baseerde ze zich op historische gegevens over een kinderkruistocht vanuit Keulen naar het Heilige Land in 1212. Beckman toonde dat opmerkelijke gegeven uit de middeleeuwse geschiedenis door de ogen van Dolf, een zestienjarige jongen uit Amstelveen, die naar de Middeleeuwen wordt terug geflitst. Vier jaar na het verschijnen van Kruistocht in spijkerbroek publiceerde een andere Nederlander ook een tekst over de kinderkruistocht, maar in tegenstelling tot de jeugdroman kreeg die geen 63 herdrukken en bleef onbekend voor het grote publiek. Het wetenschappelijke artikel *van historicus Peter Raedts, sinds 2013 emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis verbonden aan de Universiteit Nijmegen, argumenteerde dat de kruistocht geen optocht was van kinderen, maar van volwassenen. Deze nieuwe interpretatie betekent dat de kinderkruistocht, waarover vele geschiedkundigen zich het hoofd braken, een veel minder opmerkelijke episode uit de geschiedenis is dan eerst gedacht.

G E S C H I E D E N I S

‘Het Latijnse pueri kun je vertalen als jongens,
maar ook als mensen van de lagere sociale klasse’


‘Ik ontdekte dat alleen de bronnen die meer dan honderd jaar na de zogenaamde kinderkruistocht waren geschreven, de deelnemers omschreven als ‘infantes’, het Latijnse woord voor kinderen’, zegt Peter Raedts. ‘Bijna alle teksten die vlak na 1212 werden geschreven, hadden het over ‘pueri’, wat je kunt vertalen als jongens, maar ook als mensen van de lagere sociale klasse, zoals bedienden. Vergelijk het met de manier waarop in Nederlands Indië bedienden ook werden aangeduid met het woord jongens. Bovendien waren enkele van de bronnen uit de jaren rond de kruistocht ooggetuigenverslagen, die de deelnemers beschreven. Eén bron sprak letterlijk over ‘adulti’, volwassenen.’ Gek genoeg was Raedts helemaal niet de eerste die de vroege bronnen bekeek, en zagen zijn voorgangers dat blijkbaar over het hoofd. Raedts: ‘Zoiets gebeurt vrij vaak in de studie van de geschiedenis: het gaat meestal niet om de ontdekking van nieuwe bronnen, maar om de herinterpretatie van oude.’

Mogelijk hebben de oudere bronnen de geschiedenis bewust ‘vervalst’ door van de armen kinderen te maken. De reden zou zijn dat rond de jaren 1300 een cultus ontstond rond de onnozele kinderen, uit het Bijbelse verhaal van de kindermoord door Herodes in Bethlehem. Een kinderkruistocht zou in die cultus best hebben gepast. In werkelijkheid was de tocht van 1212 volgens Raedts een soort volkskruistocht, een opstandige beweging van de armen en verdrukten: ‘Al van bij de eerste officiële kruistocht waarvoor de paus in 1095 opriep, waren het niet alleen ridders uit adellijke families die ten strijde trokken om de Griekse keizer ter hulp te snellen en Jeruzalem van de Turkse overheersing te bevrijden.

De boodschap sprak ook het gewone volk aan, en zij vertrokken met honderdduizenden, vaak in onafhankelijke kruistochten. Door gebrek aan geld werd onderweg vaak vreselijk geplunderd, en eenmaal in Klein-Azië werden ze door gebrek aan bewapening massaal in de pan gehakt. Het interessante is dat de klassieke geschiedschrijver ervan uitging dat die traditie van volkskruistochten rond 1200 vrijwel verdwenen was, en pas later weer terugkwam. Als je de ‘kinderkruistocht’ herinterpreteert als een volkskruistocht, blijkt dat die inzinking in interesse er helemaal nooit is geweest.’

In de klassieke interpretatie werd de verklaring van de kinderkruistocht vaak gezocht in een vorm van bedrog. Net als een van de latere bronnen hebben ook in de roman van Thea Beckman bedriegers de hele kruistocht opgezet om de kinderen als slaven te verkopen. Zolang geschiedkundigen vasthielden aan het idee van een kinderkruistocht, bleven vele vragen echter onbeantwoord en bleef er een mysterieus waas rond hangen. Niemand wist echt wat deze kinderen had bewogen om met zovelen op pad te gaan en wie of wat erachter stak. ‘Ik vind het zelf een beetje jammer dat door mijn ontdekking de kruistocht minder vreemd is dan ze leek’, bekent Raedts. ‘Het romantische is er nu een beetje af. Maar daar zijn we als historici tenslotte voor, om allerlei mythen over het verleden te ontzenuwen.’

Krantenartikel van 21 maart 2001

(*Peter Raedts, 'The Children's Crusade of 1212', artikel in: Journal of Medieval History 3 (1977), 279-324.)

COMMENTAAR

Deze onthulling van de Nederlandse historicus hoeft evenwel geen enkele afbreuk te doen aan het boek van Thea Beckman. Dat is intussen een klassieke historische jeugdroman geworden, die generatie na generatie nog wordt gelezen. Het mag bij bespreking in de klas wél duidelijk worden gemaakt wat de historische werkelijkheid was van de ‘kinderkruistocht’, zodat werkelijkheid en fictie bij het benaderen van het boek toch duidelijk onderscheiden worden. De verbeeldingskracht van de jeugdschrijfster heeft echter al haar rechten bij de lectuur van het boek zelf.

http://www.scholieren.com/boek/2248/kruistocht-in-spijkerbroek/boekverslagen

Ook het recente standaardwerk over de geschiedenis van de jeugdliteratuur ‘Een land van waan en wijs (Atlas Contact, 2014) besteedt ruim aandacht aan het historisch jeugdboek (blz. 297-298). In het hoofdstuk  ‘Het verleden als vehikel voor het heden’ van de hand van Bea Ros in het onderdeel ‘Emancipatie en engagement, of de geschiedenis als aanklager’ staat dat Beckman door de toepassing van de verteltruc van de tijdmachine de lezer in staat stelt via moderne ogen, nl. die van de vijftienjarige scholier Dolf Wega, naar het verleden te laten kijken en dat te vergelijken met het heden. Het hoofdpersonage achterhaalt het grote verhaal van de geschiedenisboekjes over de middeleeuwen. Dat ook kan historicus Peter Raedts voldoening geven. Historische realiteit en literaire zingeving in een uitstekend historische jeugdroman kunnen samen bijdragen tot de aantrekkelijkheid van het jeugdboek.

G.D.

“Ze zijn zeldzaam, de boeken die er na 35 jaar nog altijd staan als een huis, de boeken die nog altijd evenveel indruk op je maken als in je kindertijd. 'Kruistocht in spijkerboek' is zo’n zeldzaam werk. Het verhaal is zo hallucinant, zo spannend, en zo meeslepend geschreven dat het moeilijk is het niet in één ruk uit te lezen. Het maakt bovendien een heel mooie vergelijking tussen het denken van de middeleeuwer en van de hedendaagse mens: het fatalisme door het blinde geloof en het standenverschil tegenover hedendaags initiatief en streven naar sociale gelijkwaardigheid.”

Lieve Raymaekers

De verfilming van het boek kwam uit in 2006.
Naar aanleiding daarvan een gedegen artikel van
http://www.kuleuven.be/thomas/page/kruistocht-in-spijkerbroek/

De filmtrailer: https://www.youtube.com/watch?v=lFoPoszok2U

Op Lezen voor de lijst

 


TAALTIP UIT DE TAALPOST 1797 VAN ONZE TAAL - 29 februari 2016

ALWEER en WEERAL

 

PRAKTISCH. In België wordt weeral vaak gebruikt als synoniem van alweer, vooral in informele teksten en in de spreektaal. Voor de schrijftaal is het minder geschikt; het woord wordt niet tot de standaardtaal gerekend. Het advies is om daarin alweer te gebruiken. In Nederland is alweer verreweg het gewoonst; daar speelt deze kwestie dus niet.

Alweer en weeral betekenen allebei 'opnieuw', 'nogmaals' in een zin als 'Ik heb alweer/weeral de verkeerde afslag genomen.' Vaak is de betekenis echter lastiger te omschrijven. In een zin als 'Het weekend is alweer/weeral voorbij' drukt het bijvoorbeeld vooral uit dat de spreker vindt dat het weekend snel voorbij is gegaan. Over het gebruik van alweer staat een advies op de website van Onze Taal.

Mijn persoonlijk advies (G.D.) aan lerarenopleiders en leraren: zorg ervoor dat jullie leerlingen zo vertrouwd mogelijk worden gemaakt met het woordgebruik van Nederland voor de Vlaamse onderwijsmensen, met het woordgebruik van Vlaanderen voor de Nederlandse collega’s. We hebben hier met ‘alweer’ en ‘weeral’ een mooi voorbeeld daarvan.

Nog meer daarover bij Onze Taal

 


Belangrijke artikels en nieuws in Tijdschrift Taal nr. 10 – jg. 7, 2016

 

Tijdschrift Taal

Het Tijdschrift Taal voor Opleiders en Onderwijsadviseurs is een samenwerkingsproject tussen LOPON², EDventure en SLO; het wordt uitgegeven door de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO). Het tijdschrift is bestemd voor opleiders van lerarenopleidingen basisonderwijs en taalspecialisten die als adviseur werkzaam zijn in het basisonderwijs.

Selectie van artikels in het voorliggende nummer

Graag willen we de aandacht vestigen op een drietal artikels die meer dan de moeite waard zijn om te lezen en te bestuderen. Ze kunnen nuttig zijn voor de lerarenopleidingen, handboekenmakers e. a.

- Geïntegreerd lees- en schrijfonderwijs in het voortgezet onderwijs (Madeleine Gibson en Bart van der Leeuw) p. 12-20

- Begrijpend lezen van hypermedia (Eliane Segers) p. 21-26

-  Formatief evalueren met leesgesprekken (Joanneke Prenger en Derjan Havinga) p. 35-39


Geïntegreerd lees- en schrijfonderwijs in het voortgezet onderwijs (Madeleine Gibson en Bart van der Leeuw) p. 12-20

De auteurs hebben de SLO-brochure over lees- en schrijfonderwijs (GLS) in het VO omgewerkt tot dit artikel. De brochure in pdf-vorm omvat 12 pagina’s en geeft heel fijn de inhoud weer van het artikel. Wie digitaal werkt, kan ze zo op zijn scherm oproepen: klik hier

De afdeling voortgezet onderwijs van SLO is sinds 2014 actief op het terrein van geïntegreerd lees- en schrijfonderwijs. Onlangs is de website www.nederlands.slo.nl/gls opgezet met informatie, lessuggesties, beproefde lessenseries en het ontwerpinstrument dat in het artikel wordt aangeboden om zelf geïntegreerde taallessen te ontwikkelen.

Ook de afdeling primair onderwijs van SLO werkt (sinds 2015) aan het onderwerp geïntegreerd taalonderwijs onder de noemer ‘taaldomeinen in samenhang’. Een heldere definitie en literatuuronderzoek naar taaldomeinen in samenhang zullen op termijn beschikbaar komen. Dat geldt ook voor een analyse van gebruikte taalmethodes in het primair onderwijs en de ontwikkeling van voorbeeldlesmaterialen. Insteek binnen het primair onderwijs is de gezamenlijke focus van instructie. Een goed voorbeeld van taaldomeinen in samenhang en iets wat op dit moment al in de praktijk wordt uitgevoerd, is ‘peer response’.

Volgens de auteurs is integratie van lees- en schrijfonderwijs een krachtig middel om leerlingen ‘tekstvaardig’ of ‘geletterd’ te maken. In het artikel leest u over het hoe en waarom van deze aanpak. Het ontwerpinstrument met de ‘onderwijsleercyclus’ komt uitvoerig aan de orde. Niet alleen wordt aandacht besteed aan geïntegreerd onderwijs in het voortgezet onderwijs, maar eveneens in het basisonderwijs. Het lijkt erop dat het aanbrengen van samenhang in taaldomeinen, dus ook voor lees- en schrijfonderwijs, voor kinderen van alle leeftijden zinvol is.

Begrijpend lezen van hypermedia (Eliane Segers) p. 21-26   
    

Op school wordt nog steeds veelal gewerkt met lineaire teksten, maar in de praktijk lezen kinderen vooral complexe hypermediateksten. Dat zijn teksten ondersteund door plaatjes, filmpjes, audio en hyperlinks. Vanuit wetenschappelijk onderzoek weten we nog heel weinig over het lezen van hypermediateksten. In het artikel worden het begrijpend lezen van lineaire teksten, hyperteksten, multimediateksten en hypermediateksten met elkaar vergeleken. Ook worden suggesties gegeven om begrijpend hypermedia-leesonderwijs aandacht of meer aandacht te geven.    

Zoals voor het begrijpend lezen van lineaire teksten is voor het lezen van hypermediateksten van belang dat bij de lezer een ruime woordenschat aanwezig is en dat hij of zij gebruik kan maken van leesstrategieën. Die laatste blijken toch wel verschillend te zijn voor het lezen van een hypermediatekst. Vier vragen kunnen bij het lezen van een dergelijke tekst tot steun dienen:
1. Welke structuur zie ik?
2. Wat verwacht ik achter de hyperlink?
3. Is de informatie achter de link belangrijk?
4. Heb ik alles gelezen wat ik nodig heb?

Voorafgaand nuttige basiskennis bijbrengen in een les zeker op het niveau van primair onderwijs valt aan te bevelen: hoe het internet is opgebouwd, wat een hypertekst is, hoe het zit met hyperlinks en hoe je kunt navigeren, wat al die plaatjes doen en hoe ze kunnen afleiden van het lezen. Ook eens voordoen kan de leerlingen helpen.

Formatief evalueren met leesgesprekken (Joanneke Prenger en Derjan Havinga)
p. 35-39


Formatief evalueren binnen het leesonderwijs is waardevol. Die evaluatievorm blijkt effectief voor het verbeteren van het leerproces van kinderen. Om zo’n leerproces in kaart te brengen kan een leraar kind- of leergesprekken voeren. Leesgesprekken zijn een uitgewerkte vorm van zo’n leergesprek. Het zijn gesprekken over lezen die je als leraar (of een andere gespreksleider) voert met individuele leerlingen of met groepjes leerlingen. Door die gesprekken over lezen krijgen leerling en leraar informatie om te bepalen welke vervolgactie nodig is om de leerling nieuwe doelen in zijn of haar leesontwikkeling te laten bereiken. In dit artikel beschrijven de auteurs hoe je via leesgesprekken de leesontwikkeling van leerlingen kunt volgen en een stapje verder kunt brengen.

Onder formatieve evaluatie vallen alle activiteiten waarbij leerprestaties van leerlingen in kaart worden gebracht, geïnterpreteerd worden door leerkrachten, leerlingen en hun klasgenoten, en gebruikt worden om betere beslissingen te nemen over vervolgstappen.

Leesgesprekken geven zowel aan de gespreksleider als aan de leerling zicht op de leesontwikkeling van de leerling. Daarin vertelt de leerling hoe hij leest, wat zijn leesvoorkeuren zijn, hoe het leesonderwijs op school verloopt en over hoe hij dat zelf ervaart. De interactie met de gespreksleider staat bij een leesgesprek centraal. Leesgesprekken bieden mogelijkheden om leesonderwijs op maat te geven: leerlingen krijgen zelf zicht op hun persoonlijke leesontwikkeling en hoe die verbeterd kan worden.

Op vier basisscholen in Amsterdam, Utrecht en Friesland zijn met een onbediende camera zowat 90 leesgesprekken van zo’n 30 tot 40 minuten opgenomen met sterke en zwakke lezers, met leerlingen die het Nederlands als eerste taal en als tweede taal hebben, met jongens en meisjes, individueel en in groepjes. Zij zijn ontsloten via de website www.nederlands.slo.nl/leesgesprekken. Mogelijke vragensets of organisatievormen zijn toegvoegd. Twee uitgewerkte voorbeelden worden in het artikel uitgewerkt.

 


MEG ROSOFF WINT ASTRID LINDGREN-PRIJS 2016


 

Jeugdschrijfster Meg Rosoff heeft de Astrid Lindgren Memorial Award 2016 gewonnen. De Brits-Amerikaanse schrijfster voor jong-volwassenen Rosoff (1956) krijgt de prijs voor haar gehele oeuvre. Hij is goed voor bijna 600.000 euro zowat 5 miljoen Zweedse kroon. Het is de Nobelprijs voor jeugdliteratuur.

Meg Rosoff (59) is een Amerikaanse uit Boston, die op haar 32 naar Londen uitweek. Ze was al bijna vijftig toen ze adolescenten-boeken begon te schrijven. Haar debuut in 2004, ‘How I live now’, sloeg meteen wereldwijd aan. Er werden meer dan een miljoen exemplaren verkocht in 36 landen. Het verfilming kwam uit eind 2013.

Ook de daaropvolgende boeken, zoals ‘Just in case of What I was’ genoten veel erkenning. Rosoff is veel gelauwerd. De zeven boeken die ze schreef, zijn beschikbaar in het Nederlands. In mei verschijnt ‘Mij niet gezien’ en haar eerste roman voor volwassenen, ‘Jonathan gaat los.’

Alle informatie over de prijs in het Engels vindt u op:http://www.alma.se/en/

Zeker aanbevolen daarin is de voorstelling door een jurylid van het werk van Meg Rosoff



De kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk

 


Oud zeer

Van enkele tientallen jaren geleden herinner ik mij de visie van toenmalig didacticus Willie van Peer in zijn handboek ‘Instrumentaal’ over de relatie tussen didactische theorie en de praktijk in de klas. Hij toonde aan dat er noodzakelijk een wisselwerking tussen beide belangstellingsvelden voor onderwijsverstrekkers moest bestaan. In elk geval kan een theoretische overdenking van wat je als didactische uitwerking met de studerenden in leerprocessen wil opzetten alleen maar het onderwijsrendement ten goede komen. Zeker is dat bewustzijn bij lerarenopleiders van bijzonder groot belang voor de impact naar de jonge aankomende leerkrachten toe.

Belangstellende observatoren van de onderwijsdidactiek constateren evenwel dat de practici te weinig besef hebben van die bevruchtende wisselwerking en dat ze zich teveel pragmatisch opstellen voor de aanpak van hun lessen.


Dichten die kloof

Het streefdoel voor wie het goed voor heeft met het onderwijs is dan ook die kloof zoveel mogelijk te dempen. Voor Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen is die thematiek niet alleen een aandachtspunt maar ook een permanente zorg. Al heel wat jaren inventariseren zij voor het vak Nederlands empirisch onderzoek. De resultaten verschijnen geregeld in publicaties van de SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling in Nederland. Hun laatste publicatie die in februari 2016 verscheen was ‘Lezen in het basisonderwijs opnieuw onderzocht. Een inventarisatie van empirisch onderzoek van 2004 tot 2014.’ Met genoegen heb ik die publicatie voorgesteld op de website van het Netwerk Didactiek Nederlands op de pagina Publicaties. Ik heb ernaar verwezen in de vorige Nieuwsbrief 28-2.   

Via de post kreeg ik dezer dagen de publicatie in druk toegestuurd. Al in het Voorwoord op p. 7-8 snijden ze eens te meer de relatie aan tussen onderzoek en praktijk. Het komt mij evident voor dat ze daarop terugkomen, niet enkel omdat ze er zich van bewust zijn dat die discrepantie blijft bestaan en nauwelijks minder groot wordt met de jaren, maar ook omdat transparantie over de betekenis van het dichten van die kloof een grond vormt voor de zinvolheid van hun eigen inventarisering van empirisch onderzoek voor verschillende domeinen van het leervak Nederlands.


Referenties

Het viel mij vlug op hoe stringent en adequaat hun formulering is van de gedachten rondom de thematiek van de relatie tussen onderzoek en praktijk. De lezers van deze tekst en daarbij horen het merendeel lerarenopleiders uit de universiteiten en hogescholen in Nederland en Vlaanderen kunnen er alleen maar baat bij hebben bij de lectuur er nog eens over te reflecteren. Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen verwijzen hierbij naar één boek rond de thematiek en twee adviezen van de Onderwijsraad.  Direct onder het oog en in de geest is dan wat ze hierover schrijven.

‘In de publicatie De kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk (Broekkamp & Van Hout – Wolters, 2005) wordt een indrukwekkende reeks mogelijke oorzaken beschreven van die kloof. Onderwijsonderzoek wordt door practici in het onderwijs gezien als eenzijdig, van onvoldoende kwaliteit, te beperkt in omvang, gefragmenteerd en onvoldoende toegankelijk. Niet aan al deze oorzaken is gemakkelijk iets te doen, en van sommige kan men zich ook afvragen in hoeverre ze overeenstemmen met de realiteit. Maar dat geldt niet voor de laatstgenoemde: de geringe toegankelijkheid van rapportages van onderzoek. Broekkamp en Van Hout-Wolters (2005) noemen hier als mogelijke oplossing: praktijkgerichte secundaire onderzoeksrapportages, waarin primaire onderzoeksrapportages (uit wetenschappelijke tijdschriften of boekpublicaties) worden vertaald voor practici.

In zijn advies Kennis over onderwijs (2003) snijdt de Onderwijsraad hetzelfde probleem aan. De raad concludeert dat er in het onderwijsonderzoek schotten omver gehaald moeten worden tussen onderzoekers, ontwikkelaars en leerkrachten, en adviseert de overheid om meer te investeren in samenwerking tussen bovengenoemden in de vorm van toegankelijke overzichtsstudies. Daarnaast moeten leerkrachten meer tijd en gelegenheid krijgen om op de hoogte te blijven van hun vakgebied. Hiermee benoemt de raad een belangrijke aanvullende oorzaak van de kloof tussen onderzoek en praktijk: tijdgebrek bij de practici. Voor veel leerkrachten schiet de tijd tekort om kennis te nemen van resultaten van onderzoek en deze te vertalen naar de eigen praktijk. Dat is jammer, want iedere leerkracht kan voordeel halen uit resultaten, conclusies en aanbevelingen uit onderzoek.

Ook in zijn advies Naar meer evidence-based onderwijs (2006) gaat de Onderwijsraad in op mogelijkheden tot een betere benutting van wetenschappelijk onderzoek in het Nederlandse onderwijs. De raad pleit ervoor om systematisch informatie te verzamelen en te verspreiden over onderwijsmethoden of –aanpakken die evidence-based zijn, wat wil zeggen dat ze hun werkzaamheid hebben bewezen in empirisch onderzoek. “In het onderwijs”, aldus de raad, “worden vaak nieuwe methoden en aanpakken geïntroduceerd zonder dat duidelijk is dat het nieuwe beter is dan het voorgaande. Denk aan een nieuw lesboek of aan een iets kleinere groepsgrootte. Aan de andere kant vindt beschikbare kennis over bijvoorbeeld bewezen effectieve taalmethoden maar langzaam haar weg naar de onderwijspraktijk. (…) Er wordt te weinig geprobeerd bewijs voor de effectiviteit van onderwijsmethoden te verzamelen en die kennis ook te verzilveren.” (p. 9).’


Wat en voor wie

En dan over opzet en bedoeling van hun publicatie Lezen in het basisonderwijs opnieuw onderzocht schrijven Bonset en Hoogeveen in het bovenstaande perspectief:
‘Deze publicatie wil de kloof tussen wetenschap en onderwijspraktijk voor het leesonderwijs in het basisonderwijs helpen dichten, ten behoeve van leerkrachten maar ook van anderen in en om het onderwijs: opleiders, ontwikkelaars, onderzoekers, (taal)beleidsmakers op scholen en op landelijk niveau. We hebben een praktijkgerichte rapportage gemaakt waarin het onderzoek naar het leesonderwijs van 2004 tot 2014 wordt beschreven, en waarin wordt nagegaan wat we nu wel en niet weten over het onderwijs in dit domein. Dat levert kennis op over effectieve aanpakken, maar ook kennis over wat er gebeurt in lessen leesvaardigheid, over de manier waarop leerlingen het vak waarnemen, of over beoordelingsinstrumenten voor het vak.’


HTNO en kans tot verdieping

De inventarisatie van Bonset en Hoogeveen maakt deel uit van het ruime project HTNO, Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht. Het project is een samenwerkingsverband van SLO, de Nederlandse Taalunie, de Interfacultaire Lerarenopleidingen (ILO) van de UvA en Stichting Lezen Nederland en Vlaanderen.

In dat verband verwijzen wij tot slot terug naar ons uitgangspunt, de ‘kloof’, naar één pagina op Taalunieversum van de Taalunie met verwijzingen naar negen (9) publicaties die gaan over de impact die onderwijsonderzoek heeft op de onderwijspraktijk. Zij geven toegang tot een verdiepende benadering van de problematiek 


Ghislain Duchâteau


Omhoog ^


De vaste benoeming

 

De vaste benoeming van leraren wordt door sommigen ter discussie gesteld. Zij beseffen niet in welke mate deze vaste benoeming bijdraagt tot stabiliteit in het leerproces. Juist door de vaste benoeming beschikt een school over een vast team dat samen vorm geeft aan een didactisch en pedagogisch project. Vrijwel alle leerkrachten zetten zich hiervoor een leven lang in. Zo kunnen ze een rolmodel zijn voor jongeren die op zoek zijn naar een eigen identiteit. Zo kunnen ze een steunpaal zijn voor jonge boompjes die dreigen scheef te groeien. Neem die vaste benoeming weg, en veel mensen zullen verleid worden om uit het onderwijs te stappen indien zich andere carrièrekansen aandienen. Met als gevolg een continue instroom van altijd nieuwe mensen, die na een periode vaak tot het inzicht komen dat het onderwijs niets voor hen is. Zo wordt een school een duivenhok. Midden in een schooljaar krijgen de leerlingen een andere vakleerkracht. Het betekent het onderuithalen van een basispijler van het goede onderwijs zoals we het nu in Vlaanderen kennen.

Felix Bergers, As

(ingezonden tekst)

Bron: Visie – vrijdag 6 mei 2016 – p. 4.

Poëzie schrijven, poëzie lezen

‘Tolle, lege! Tolle, lege!  Augustinus
neem dit gedicht en lees.’

Dichter: “Pak het schrijven aan van het gedicht”
Lezer: “Pak het lezen aan van dat gedicht”

 


“Iets opentrekken in je eigen donkerste binnenste – een gesprek met Stefan Hertmans” KOEN VAN BAELEN




Het verscheen in de Poëziekrant Jaargang 40 nr. 1 van februari-maart 2016 blz. 4-10.

Het interview verscheen naar aanleiding van de opdracht om het Poëziegeschenk te schrijven voor de Poëzieweek 28/1 T/M 3/2/2016. In het bundeltje ‘Neem en lees – Gedichten’ van Stefan Hertmans publiceerde hij 10 gedichten over het thema de herinnering.

Klik door naar het interview op de pagina Ideeën / Reacties van de NDN-site

 

FOCUS OP TAAL

24 maart 2016 - door IVN

Basisboek voor docenten Nederlands als tweede taal

 

Focus op taal is een basisboek voor docenten Nederlands als tweede taal. Het boek verbindt informatie over het Nederlandse taalsysteem op een heldere en praktische wijze met taal leren en met taaldidactiek. Iedere NT2-docent of taalvrijwilliger die werkt met cursisten van niveau 0 tot niveau A2, kan het gebruiken. Ook ervaren lesgevers kunnen van Focus op taal profiteren - als naslagwerk bijvoorbeeld -, evenals deelnemers aan opleidingen voor NT2-docent. 

De auteurs (Marijke Huizinga en Alice van Kalsbeek) hebben een lange carrière in het universitaire NT2- en NVT-onderwijs achter de rug. Ze behoren tot de pioniers van het onderwijs Nederlands aan anderstaligen en hebben tal van publicaties op hun naam staan, waaronder gerenommeerde leergangen Nederlands als tweede taal (Code Nederlands, CODE en IJsbreker). Ze deden samen praktijkonderzoek in NT2-groepen (Kijk op de Klas).

Meer informatie: website Boom uitgevers

Heb je echt belangstelling voor de methode, exploreer dan het inkijkexemplaar


Omhoog ^

Kort verhaal

Kenmerken van het genre


 

Een kort verhaal (Engels: short story, Vlaams: kortverhaal) is een kort prozawerk, langer dan een anekdote en korter dan een novelle en dat zich gewoonlijk beperkt tot slechts enkele personages.

Het korte verhaal leent zich voor het type analyse waaraan literaire romans worden onderworpen, wat betreft bijvoorbeeld de verteltechniek. Het verschilt van de anekdote doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.

Het genre vereist strakheid en een economische organisatie. Een kort verhaal begint meestal midden in de handeling ('in medias res') en stelt één personage en één gebeurtenis centraal, die licht werpt op het karakter of het leven van die figuur. Vaak worden min of meer alledaagse gebeurtenissen transparant en verwijzen ze naar een wezenlijk menselijk probleem.

Een verhaal van (minder dan) één bladzijde noemt men een handpalmverhaal, of (afhankelijk van de poëtische kwaliteit) een prozagedicht. Een speciaal genre is het zkv of zeer korte verhaal, een verhaal dat meestal niet langer is dan een bladzijde.

Bron: Wikipedia

A.L. Snijders is de uitvinder en specialist van het zkv.

Iedere zondag leest A.L. Snijders, uitvinder van het Zeer Korte Verhaal (ZKV) en winnaar van de Constantijn Huygensprijs, zijn nieuwe ZKV voor op Radio 4 Nl.

Opdracht

Lees de beide voorbeelden van ZKV’s grondig door.
- Onderzoek welke kenmerken hierboven genoemd van het Kort verhaal in elk van beide voorbeelden voorkomen.
- Zeg daarna welk van beide ZKV’s het beste de kenmerken van het kort verhaal bevat.
- Lees eerst het ZKV Jongevos en beluister daarna het ZKV Eigendomsrecht. Lees of luister je liever naar een ZKV? Welk van beide vond je het best?

DE BRIEF

Kortverhaal door A.L. Snijders

Een van de grote drama’s van onze cultuur is de verdwijning van de geschreven brief.

Tot tien jaar geleden schreef ik iedere dag met mijn vulpen een brief aan iemand (ik bedoel meerdere iemanden). Die brieven gingen over de onbenulligheden van het dagelijkse leven. Ik schreef ze bijvoorbeeld aan een jongen die ik vaag kende, en die de eigenaardige gewoonte had niemand in zijn huis te ontvangen.

Iedere dag zat hij in  de namiddag in het enige café van het dorp waar hij woonde. Iedereen kende hem dus, en hij kende iedereen. Hij was geen kluizenaar, hij was niet eenzaam, hij was niet gek – hij wilde niemand in zijn huis ontvangen, dat was alles. Ik schreef hem brieven die honderden kilometers in een postzak naar hem toe reisden, en dan via de brievenbus in het huis kwamen dat ik nooit vanbinnen zou zien. Voor mij was dat genoeg, voor hem waarschijnlijk ook.

Tegenwoordig ontvang ik alleen nog brieven van een vriend uit Leiden. Met inkt geschreven. Mijn antwoord gaat wel eens over de brievenbus die ik gebruikt heb in een stad waar ik voor het eerst in mijn leven was. Want dat is de volgende fase: de verdwijning van de brievenbus. Zoals met de komst van de overweldigende mobiele telefoon ook de telefooncel verdwenen is. Dan blijft er over dat je door het land reist en de brieven zonder postzegel eigenhandig in de bus laat glijden.

De vooruitgang maakt je tot een zonderling.

Bron: DS Weekblad – 6 februari 2016, nr. 233

JONGEVOS

Vroeger, toen ik nog geen Frans kende, kwam ik wel eens in een verlaten, bergachtige streek in Frankrijk. Soms zag ik dan langs een smalle, begaanbare weg een goed onderhouden huis in een tuin met wilde bloemen en mooie bomen. Ik dacht dan vaak aan het beroemde reclame-gedicht van Houthandel Jongevos in Amsterdam. 'De beste bomen uit het bos / vind je als hout bij Jongevos.' Vaak stond naast de voordeur van het huis een waarschuwingsbord. Omdat ik de Franse taal niet machtig was, wist ik aanvankelijk niet dat er gewaarschuwd werd. Later, na de cursus 'Frans op vakantie', begreep ik de boodschap: op inbrekers zou met scherp geschoten worden. Het huis was een zogenaamd tweede huis, waar de eigenaar niet permanent woonde. Als inbreker kon je ongestoord een flinke bestelwagen vullen met antieke meubelen, de radio, de televisie, de platenspeler, de koelkast, de donsbedden en de avondjurken. Ongestoord, want er kwam zelden iemand langs. De tweede huizen werden met grote regelmaat leeggeroofd. Daar hadden de eigenaren iets op gevonden. In de gang achter de voordeur werd een geladen jachtgeweer geplaatst, de haan door een touwtje verbonden met de deur. Er vielen doden, eigenaren kwamen in de gevangenis. Juridisch stonden ze sterker met een waarschuwingsbord. Ik weet niet of het aantal doden is teruggelopen, maar wel weet ik dat het gevaarlijk is een land te bezoeken waarvan je de taal niet kent.

PS Vanuit de trein kon je het reclame-gedicht van Jongevos goed zien, de trein reed daar nog langzaam. Een toerist uit Noorwegen vroeg me eens wat daar stond. Ik kon hem niet van dienst zijn, ik kon in het Noors geen woord bedenken dat op Jongevos rijmt.

EIGENDOMSRECHT

zondag 14 februari 2016.

Dat ZKV sluit aan bij het vorige van de week voordien.
http://www.radio4.nl/deochtendvan4/zkv


 

ASTRID LINDGREN IN DE LAGE LANDEN

Rond het proefschrift van Sara Van den Bossche


 

Sara Van den Bossche stelt haar proefschrift voor, met als titel 'Brought into the Limelight. Canonisation Processes at Work in Astrid Lindgren’s Oeuvre in Flanders and The Netherlands' 1952-2012. Promotor was Prof. dr. Sophie Wennerscheid en de verdediging vond plaats op 17 augustus 2015. 

Astrid Lindgren Sara Van den Bossche

Verhaallijnen en personages uit het oeuvre van Zweedse kinderboekenschrijfster Astrid Lindgren zijn diep in de Zweedse maatschappij doorgedrongen. De nalatenschap van de auteur, die in 2002 overleed, is in zekere zin etherisch geworden. Ook in de Vlaamse en Nederlandse jeugdliteratuur en -cultuur zijn er veel aanwijzingen dat Lindgrens boeken nog springlevend zijn. Het belang van Lindgren wordt als vanzelfsprekend aanvaard en werken zoals Pippi Langkous, De kinderen van Bolderburen, De gebroeders Leeuwenhart en Ronja de roversdochter zijn nog steeds alomtegenwoordig. Deze vaststelling leidde tot de vraag hoe een auteur überhaupt status verkrijgt: op basis waarvan verwerft hij of zij erkenning en wordt het oeuvre toegelaten tot de canon, de literaire Parnassus? Vanuit deze vragen vatte ik mijn zoektocht aan naar de parameters van canonisering, naar het geheel van – bewust of onbewust gehanteerde – criteria waaraan een schrijver of boek moet voldoen om als canoniek beschouwd te worden. Ik zet de receptie van Astrid Lindgrens oeuvre in het veld van de jeugdliteratuur in Vlaanderen en Nederland in als casus om deze vragen te beantwoorden.

De term “canon” verwijst naar die teksten uit de Bijbel die erkend worden als authentiek. Canonisering is gebaseerd op selectie en brengt zo de vestiging van een hiërarchie met zich mee: de uitverkoren teksten bezitten een bepaalde autoriteit, die niet-canonieke teksten ontzegd wordt. Een belangrijke vooronderstelling is dan ook dat autoriteit, en dus canoniciteit, toegekend wordt. Het is een eigenschap die verworven wordt en niet een die inherent is aan de geselecteerde teksten. Toegepast op de literatuur gaat het om de toekenning van literaire waarde en daaraan gekoppeld status in een bepaald literair veld.

Om te kunnen blootleggen welke waardecriteria aan de basis van canonisering liggen, concentreerde ik me op de rol van de lezers die deze teksten autoriteit verlenen. Wie zijn degenen die in het bestudeerde literaire veld, de Nederlandstalige jeugdliteratuur, Lindgrens werken voor het voetlicht brengen? Er tekent zich een samenspel af tussen verschillende invloedssferen. De actoren met de meeste autoriteit om te canoniseren zijn diegenen die aan literatuurkritiek, literatuurgeschiedenis en literatuurwetenschap doen, zogeheten “gatekeepers”. Op basis van wat zij schrijven over Lindgrens boeken kon ik afleiden welke criteria zij hanteerden. In een poging om hedendaagse leespraktijken te vatten, heb ik bovendien ook populaire media meegenomen in mijn onderzoek. Zo kwam ik tot een ruime verzameling van 1200 secundaire teksten over Lindgren en haar werken uit Vlaamse en Nederlandse dagbladen, literaire tijdschriften en studies over jeugdliteratuur. 

De analyse van de teksten van de “gatekeepers” toont wat van doorslaggevend belang is voor het verkrijgen van hun goedkeuring. Op de eerste plaats is het essentieel dat de boodschap van het boek overeenstemt met hun literatuuropvatting. We zien dat de volwassen “poortwachters” rekening houden met wat zij denken dat de kindlezers zal aanspreken. Ze benadrukken het belang van herkenning en identificatie voor de jonge lezers. Lindgrens verhalen voldoen aan die voorwaarden onder meer doordat hun leefwereld weerspiegeld wordt en de verteller de lezers direct aanspreekt. Verder worden hun wensdromen bevredigd en bieden de verhalen en personages – met Pippi Langkous en Karlsson van het dak op kop – hen een emotionele uitlaatklep. 

De literatuuropvatting van de “gatekeepers” blijkt dus voornamelijk lezersgericht. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat deze opvatting gebaseerd is op de ideeën van de volwassenen over wat zij geschikt vinden voor kinderen, niet per se op wat kinderen zelf vinden. Het is het zogeheten “kindbeeld” van de volwassen poortwachters dat bepalend is. In dit opzicht blijken de Nederlandstalige “gatekeepers” op dezelfde golflengte als Lindgren te zitten: ze appreciëren haar progressieve kindbeeld en haar vermogen om aan te voelen wat kinderen waarderen. Haar canoniciteit berust op het feit dat ze op een emancipatorische manier voor kinderen schreef, en dat ze door middel van universele onderwerpen meer dan voldoende mogelijkheden bood voor haar lezers om zich verwant te voelen met haar boeken.

Naast het kindbeeld speelt ook het ruimere wereldbeeld van de poortwachters mee in het canoniseringsproces. Boeken waarvan de inhoud op vlak van religieuze of ideologische opvattingen niet acceptabel is, krijgen geen kans. Lindgrens boeken lijken ook op dit gebied de juiste snaar te raken bij de “gatekeepers”: zij hechten groot belang aan de morele strekking van haar verhalen, met de nadruk op waarden als altruïsme en optimisme. 

Nadat de status van de boeken gevestigd is en de poortwachters Lindgren op een voetstuk geplaatst hebben, behandelen ze haar met eenstemmige eerbied. Dit culmineert in de spreekwoordelijke heiligverklaring van de auteur, die onder meer blijkt uit het feit dat het nauwelijks aanvaardbaar is om kritiek op Lindgren te uiten. Je zou kunnen stellen dat de Vlaamse en Nederlandse “gatekeepers” aanhangers zijn van een Astrid Lindgren-cultus die ze zelf geschapen hebben en die ze vooral ook zelf in stand houden. Op die manier is de canonisering van Lindgrens oeuvre dus een afspiegeling van de idolatrie die geassocieerd wordt met de oorspronkelijke canonieke Bijbelteksten.


Sara Van den Bossche
Vakgroep Letterkunde, Afdeling Scandinavistiek en Noord-Europakunde

sara.vandenbossche@ugent.be

Ik heb er helemaal niets op tegen dat u dit tekstje zou gebruiken in uw nieuwsbrief. Als u dat zou willen, kan u ook verwijzen naar mijn persoonlijke pagina in de UGent-bibliografie. Dat is de digitale databank waarin alle publicaties van UGent-medewerkers verzameld worden.

Daar kunnen eventuele geïnteresseerden dus zien waar ze meer over mijn onderzoek kunnen lezen. Sommige van de teksten (waaronder mijn integrale doctoraat) zijn zelfs online beschikbaar in Open Access.

Sara Van den Bossche

 

Omhoog ^


LIEFDESGEDICHTEN: POËZIE EN CREATIEF SCHRIJVEN

 

Een uitgewerkt lesvoorbeeld is beschikbaar met als tweede document de Werkbladen. Die bevatten ook de tekst van het gedicht ‘Rendez-vous’ van Hugo Claus en van het gedicht ‘Ik noem je bloemen etc.’ van Jan Hanlo.

In dit lesvoorbeeld stimuleren we de creativiteit van de leerlingen door de lectuur van gedichten te combineren met creatieve schrijfopdrachten. Zowel voor als na het interpreteren van gedichten, gaan de leerlingen zelf op een speelse wijze actief om met poëtische uitdrukkingsmiddelen. Zodoende maken we een transfer van creatief schrijven naar creatief lezen en omgekeerd. De literaire procedés die de leerlingen zelf toepassen, kunnen ze tijdens het lezen ook als interpretatietechnieken gebruiken. Schrijven en lezen worden op die manier gecombineerd in één creatief proces.

Jan Uyttendaele

Jan Uyttendaele heeft de les op 9 februari 2016 op KlasCement geplaatst.
Ze is toegankelijk in het didactisch deel Bint van de NDN-website, pagina Literatuur

Reactie

Mooi uitgewerkte poëzieles voor de 2e en 3e graad S.O.
De gehanteerde didactiek is efficiënt, vooral door de stimulering van zelfwerkzaamheid, groepswerk en klassikale interactie. De docent hoeft hier zeker niet dominant op te treden, de leerlingen krijgen zelf de ruimte om te interpreteren. Mogelijk kan van de leerlingen als lesconclusie toch een eindindruk over het gedicht van Claus worden gevraagd. Ergens toch zou kunnen blijken dat bij het streven naar interpretatie van het gedicht van Claus, dat gedicht zelf ergens onvatbaar blijft. Dat is eigen aan de experimentele poëzie van de Vijftigers.

Ghislain Duchâteau


Omhoog ^

 

Mijn pleidooi voor de leraar


 

Het pleidooi sluit aan bij een bespreking van het boek ‘The Beautiful Risk of Education’ van Gert Biesta door Dick van der Wateren.

Beste Marjolein,

Enige tijd geleden las ik over de docent als coach het volgende (van Johannes Visser, De Correspondent, 18-2-15):

Een onderwijsvernieuwer die nauw betrokken was bij de oprichting van een Steve Jobsschool vroeg me vorig jaar: ‘Wat heb je er nu aan dat je weet dat de Slag bij Nieuwpoort in 1800 was?’

De opvatting dat kennis steeds minder belangrijk wordt, is onder onderwijsvernieuwers wijdverbreid. We zijn immers maar een muisklik verwijderd van wat we willen weten. Daarbij verandert de wereld zo snel dat de kennis van vandaag het vuilnis van morgen is. En wie heeft er nog vakspecifieke kennis nodig in een arbeidsmarkt waarop mensen om de vijf jaar van baan wisselen? Nee, niet kennis maar vaardigheden zouden centraal moeten staan, skills die voorbereiden op de 21st century en die per training die je volgt veranderen. En de docent? Die is er niet meer om kennis over te dragen, maar om zijn leerlingen te coachen.

Eén probleempje: ik wil geen coach zijn.

Natuurlijk kan ik tegen mijn leerlingen zeggen dat ze de tekst van Van den vos Reynaerde op internet kunnen opzoeken, of op bladzijde 43 van het boek kunnen vinden, en dat ze die zelfstandig moeten lezen.

Maar liever draag ik een stuk voor uit de proloog, in het Middelnederlands, terwijl de leerlingen de vertaling meelezen. We bespreken klassikaal hoe in Van den vos Reynaerde satire wordt bedreven door het volk, de adel en de geestelijken te bespotten en leggen een verband met hedendaagse satire. Ik wijs mijn leerlingen op de schunnigheden die ‘Willem die Madocke maakte’ in de tekst stopte. Met de klas lachen we om de arme wolf Isengrijn, wiens kinderen blind werden nadat Reynaert ze in de ogen plaste en om de getrouwde (!) pastoor die als een wildeman met zijn crucifix op Bruun de beer inslaat wanneer deze door een list van Reynaert met zijn hoofd vast komt te zitten in de spleet van een boom.

Op welke Wikipedia-pagina leert een leerling het verband te leggen tussen Van den vos Reynaerde en Hans Teeuwen? Welke zoekterm moet ik op Google invoeren om een klas aan het lachen te krijgen?

Het internet maakt de docent als bron van kennis niet overbodig. Wel geeft het ons een goede aanleiding te praten over de meerwaarde van de docent. In het beeld van de onderwijsvernieuwer lijkt de klassieke docent iemand die voor de klas staat en het lesboek reciteert, zonder daar iets gevoel, een verband, een correctie – aan toe te voegen. Hij gaat voorbij aan het feit dat de docent aan die kennis wel degelijk iets toevoegt, en dat juist de inhoud van het vak voor veel docenten de reden is dat zij dag in dag uit met veel enthousiasme voor de klas staan en leerlingen motiveren verder te komen.

Zonder inhoud ben ik de voetbalcoach die handenklappend en driftig gebarend langs de lijn staat om zijn talentjes aan te moedigen hakbal-panna’s te maken, terwijl hij zelf door zijn rug gaat na een tikkie breed. Zijn pupillen nemen hem niet serieus en na iedere wedstrijd hangt hij jankend aan de bar omdat hij zelf de conditie niet meer heeft om op het veld te staan.

Nee, ik wil mijn leerlingen eruit sprinten tijdens de les, door de benen spelen in de pauze en ieder uur eindigen met een schot in de kruising. Ik wil een autoriteit zijn in mijn vakgebied, de aanvoerder en niet de coach.

Laat mijn voorbeeld Maurits van Oranje zijn, de aanvoerder van het Staatse leger dat de Slag bij Nieuwpoort won van de Spanjaarden. In 1600, dat wel.


Annemieke Bosshardt

Het bovenstaande is een reactie.

Omhoog ^


HET TAALMUSEUM LEIDEN


 

Leiden krijgt een eigentijds en dynamisch taalmuseum.
Dit jaar zou het van start gaan.

Over het concept


Het museum zal sterk verbonden blijven met de Leidse universiteit en met de stad Leiden zelf.
Ook de lerarenopleiding heeft in het Taalmuseum een prominente plaats. Ze krijgt een rol in de professionele nascholing van leraren.

Erik Schilp die samen met Leidse wetenschappers het museumconcept ontwikkelt: “Taal is zoveel meer dan spelling en grammatica”. “Hoe beïnvloed je anderen met taal? Hoe leren we talen? En hebben dieren ook talen? Zulke vragen komen in het museum aan bod. Daarnaast kijken we naar de diversiteit aan taal- en schriftsystemen in de wereld en naar de manier waarop die door de tijd heen veranderen. Verder behandelen we onderwerpen als doventalen, dialecten, publieke debatten en censuur. Taal is bijzonder, omdat het een van de weinige dingen is die alle mensen met elkaar verbindt: iedereen spreekt minstens één taal.”

Een enthousiaste groep betrokkenen richtte een community van taalliefhebbers op:
de Taalvrienden van het Taalmuseum Leiden.

We geven hier graag kennis van de intenties van de initiatiefnemers.

 


Omhoog ^


Over taal gesproken

Artikels over taal op Kennislink


 

Een verzameling artikels rond taal en allerlei verschijnselen daarrond
http://www.kennislink.nl/thema/over-taal-gesproken

Communicatiewetenschapper en wetenschapsjournaliste Erica Renckens
draagt ruimschoots bij aan ‘Over taal gesproken’.

http://www.kennislink.nl/auteurs/erica-renckens



Omhoog ^


TAALUNIE: BERICHT EDITIE JUNI 2016


 

 

Ook deze editie van het digitaal tijdschrift van de Nederlandse Taalunie biedt veel en boeiende informatie over het Nederlands en over taal in het algemeen. Opvallend is de gevarieerdheid van de behandelde onderwerpen in de reeks van tien artikels met daarbij de prijsvraag artikel 7 Welk boek werd vertaald?


En onderaan de thuispagina vind je nog veel Taalunienieuws. Telkens zit er onder de afbeelding en het daarbij horend tekstje de koppeling die je naar de ruimere informatie voert.

Ga op queeste, onderneem je eigen zoektocht. Het wordt een heerlijk ontdekkingsavontuur naar zovele facetten van onze taal, van taal in het algemeen. Je blijft er verwonderd bij stilstaan. Maar die halte is werkelijk goed besteed: je weet meer, je kent meer en je kunt over meer meepraten.

En dat geldt ook voor de Taalunie: Berichten van april en mei 2016

http://taaluniebericht.org/

 

Omhoog ^


BLOG EN BOEK OVER BINNENKLASDIFFERENTIATIE
(jan. – april 2016)

 

De laatste tijd is er binnen het onderwijsveld heel veel te doen rond binnenklasdifferentiatie.

Het Centrum Nascholing Onderwijs UAntwerpen organiseert in het najaar een belangrijke studiedag rond dit thema. Het tijdschrift ‘Fons’ voor leraren Nederlands editie 2 speelt die thematiek in de aandacht van de Vlaamse leraren Nederlands:

4-5  Differentiatie. Hoe pak je dat aan?
6-7  Gewoon doen. De kracht van differentiatie in taalonderwijs Nederlands
8-9  Binnenklasdifferentiatie in taallessen realiseren
10   Binnenklasdifferentiatie in kleine en grote vormen

https://issuu.com/tijdschriftfons/docs/fons2_def

Kris Van den Branden schrijft begin april in zijn blog Duurzaam onderwijs de tekst
Differentiëren. Hoe doe je dat? (1). Hij beschrijft daarin beknopt zes vormen van binnenklasdifferentiatie

1. Licht moeilijke en nieuwe concepten op verschillende manieren toe
2. Ga bewust om met je beurtverdeling tijdens klassikale gesprekken
3. Geef leerlingen meer keuzes
4. Loop rond tijdens individuele, duo- en groepstaken
5. Geef feedback na een evaluatie of toets
6. Laat leerlingen meer vragen stellen

https://duurzaamonderwijs.com/2016/04/05/differentieren-hoe-doe-je-dat-1/

Onderaan verwijst hij naar het boek over binnenklasdifferentiatie dat in januari 2016 bij Acco werd gepubliceerd en waarvan hij mede-auteur is.

Binnenklasdifferentiatie, een beroepshouding, geen recept - Praktijkgids voor leraren, student-leraren en lerarenopleiders

door Els Castelein (Auteur) , Joke Coens (Auteur) , Kristof De Witte (Auteur) , Annelies Houben (Auteur) , Wim Lauwers (Auteur) , Jarno Segers (Auteur) , Kris Van den Branden (Auteur)

Acco – Leuven - € 19,95.


Zie ook de NDN-website


Omhoog^


De Nt2-leermiddelen in Nederland en Vlaanderen – Periode 2009-2016

 

Een volledig overzicht van alle Nt2-leermiddelen die in de periode 2009-2016 zijn verschenen, zijn nu terug te vinden in het meer dan dubbeldikke nummer 197 van

Les, het tijdschrift voor Nt2 en taal in het onderwijs, editie april 2016 (90 bladzijden).


Van elk leermiddel wordt de titel, de doelgroep, een korte beschrijving, prijs en bijbehorende website vermeld. Het nummer is een vervolg op het vorige materialennummer (Les 159) dat een overzicht gaf van leermiddelen verschenen tussen 2005 en 2009 (nog steeds voor Les-abonnees te raadplegen op de site). Daarnaast is er ook een aantal besprekingen van leermiddelen opgenomen. 

Het overzicht is opgesplitst in rubrieken:

  • Inburgeringsexamen buitenland en binnenland incl. Kennis van de Nederlandse Maatschappij en Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt,
  • Nt2-algemeen, onderverdeeld in niveau 0 naar A2 en van A2 naar B1/B2,
  • Lezen voor je plezier,
  • Materialen voor toetsing en evaluatie,
  • Lesmateriaal dat voorbereidt op de Staatsexamen,
  • Alfabetisering Nederlands als tweede taal,
  • Leermiddelen voor jongeren,
  • Taal in de Praktijk; hieronder vallen Taal en ouderbetrokkenheid, Taal voor Thuis, Taal en beroep-(opopleiding), Zorg en welzijn, Taal en Vrije tijd, Taal en Hoger Onderwijs, Taal en Sociale Diensten,
  • Websites met oefenmateriaal voor anderstaligen,
  • Deskundigheidsbevordering en achtergrondliteratuur voor Nt2-docenten.

Er zijn geen aparte Nederlandse en Vlaamse lijsten, maar het materiaal is gezamenlijk gerubriceerd.

Een van de redenen voor de redactie om weer eens een goed overzicht te creëren was de enorme toename van de vraag naar Nt2-onderwijs o.m. als gevolg van de komst van veel vluchtelingen. Een goed overzicht van beschikbare leermiddelen draagt dan hopelijk bij aan optimale taalondersteuning en effectief taalonderwijs.


Omhoog^

De Staat van het Nederlands onderwijs in het buitenland

 

In de Staat van het Nederlands Onderwijs in het Buitenland presenteert NOB de stand van zaken over het schooljaar 2015/2016 in woord, beeld en cijfers. De online versie van de Staat vindt u hier.

Voor vragen, opmerkingen of het aanvragen van een gedrukt exemplaar neemt u contact op met Angelina van Weerdenburg.


Angelina van Weerdenburg: Communicatieadviseur
+31 (0)6 34 99 55 70
Stuur Angelina een bericht

Klik op de cover om naar het magazine te gaan

 


Omhoog^


Neder-L
werd Neerlandistiek.nl

 

NIEUWE NAAM. Neder-L, het bekende "elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek sinds 1992", veranderde op maandag 25 april 2016 van server én domeinnaam. Voortaan zijn de bijdragen terug te vinden op Neerlandistiek.nl, "online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek". De redactie wil hetzelfde soort artikelen, aankondigingen en berichten blijven brengen, en belooft in de toekomst met een nog breder aanbod te komen.

http://www.neerlandistiek.nl/

Neerlandistiek. Een openingstoespraak

Geplaatst op 25 april 2016 door Marc van Oostendorp


Initiatieven

Al in de vroege jaren negentig begon de Nijmeegse neerlandicus Ben Salemans met zijn elektronische nieuwsbrief Neder-L die de afgelopen jaren door een groep anderen is voortgezet als weblog. En aan het begin van dit millennium namen Matthias Hüning en Johan Koppenol het initiatief tot Neerlandistiek.nl, dat de geschiedenis in zal gaan als het eerste peer reviewed, open access tijdschrift in ons vak.

Het nieuwe Neerlandistiek wil een voortzetting zijn van die initiatieven. De eerste stappen daarvoor zijn nu gezet: het oude Neder-L is opgegaan in Neerlandistiek, met medeneming van alle archieven van in ieder geval de periode van het weblog. Alle oude artikelen van het oude Neerlandistiek.nl zijn hier bovendien ook te vinden. Dit alles draait op de servers van het Meertens Instituut in Amsterdam en wordt door onderzoekers zelf gedraaid.

We willen naast de vrijplaats van het weblog ook graag voorzieningen terug voor meer wetenschappelijke publicaties. Wanneer zich een jonge ambitieuze redactie meldt kan dat gebeuren in de vorm van een herleving van het oude Neerlandistiek.nl; maar we denken ook aan het inrichten van een archief voor al dan niet eerder gepubliceerde wetenschappelijke manuscripten.

Ons belangrijkste doel is: te proberen de gemeenschap van neerlandici – of die nu aan de universiteiten werken, op school, in een tekstbureau, bij een uitgever of elders – elektronisch bij elkaar te brengen en bij elkaar te houden. Er is genoeg dat er iedere dag gebeurt en dat interessant is voor de leden van die gemeenschap.

Lees de hele inleidende tekst van Marc van Oostendorp


Omhoog

De recente berichten op de Facebookblog van het NDN

De onderwijskundige actualiteit Nederlands in informatieve berichten
taal, didactiek, literatuur...


Klik links op >
BERICHTEN AAN PAGINA

 
 


NDN-Facebookblog


We vestigen de aandacht op de vele interessante artikelen op de Facebookblog van het NDN. Het gaat hier om de laatste 20 nieuwe berichten vanaf 20 mei tot 10 juni 2016. Het nieuwste bericht staat eerst, het oudste laatst.

Klik op het Facebookicoontje of log in met je Facebookaccount. Geef Netwerk Didactiek Nederlands of NDN in op het invulvak bovenaan. Open in de linker kolom dan
BERICHTEN AAN PAGINA.


 

- DUBBELINTERVIEW MET HAGAR PEETERS EN VADER HERMAN VUIJSJE 10-6-16

Tot haar elfde stond vader Herman Vuijsje met het gezicht naar de wereld en met de rug naar haar. In de net bekroonde roman ‘Malva’ verweeft Hagar Peeters hun verhaal met dat van Pablo Neruda en zijn verstoten dochter. Voor één keer willen ze het er samen over hebben, in dS Weekblad.

- C.BUDDINGH POËZIEPRIJS 2016 10-6-16

Marieke Rijneveld (1991) heeft de C. Buddingh’-Prijs 2016 gekregen voor haar bundel Kalfsvlies. Rijneveld kreeg de prijs voor het beste poëziedebuut donderdagavond uitgereikt op het Poetry International Festival. „Ik heb een obsessie met Jan Wolkers.”

- DE KANSHEBBERS VOOR DE EUROPESE LITERATUURPRIJS 2016 ZIJN BEKEND 9-6-16

De Europese Literatuurprijs bekroont de beste, hedendaagse Europese roman die vorig jaar in Nederlandse vertaling is verschenen. De prijs bestaat uit een geldbedrag van 10.000 euro voor de schrijver en 5.000 euro voor de vertaler van het bekroonde boek.

- MARA OVER LELIJKE NEDERLANDSE WOORDEN 8-6-16

Al een paar jaar hou ik een lijstje bij met daarop de állerlelijkste woorden uit de Nederlandse taal. Vandaag gaan we lekker griezelen en deel ik mijn lijst met je. Duimpje omhoog als je na het kijken misselijk bent!

- MEER DAN EEN KWART MILJOEN DIALECTZINNETJES OP HET INTERNET 8-6-16

Blauwkruikje is in feite een voormalige lerares Engels en Nederlands. In haar laatste blogtekst blikt ze met een stukje nostalgie terug op haar actieve lerarentijd.
De digitalisering van de dialectatlassen van Edgar Blanquaert en Willem Pée door de Universiteit Gent geeft daartoe aanleiding.

- MET MALVA WINT DE NEDERLANDSE SCHRIJFSTER HAGAR PEETERS DE FINTRO-LITERATUURPRIJS 6-6-16

Hagar Peeters’ vader, een journalist die in Chili was toen Pablo Neruda overleed, verzweeg jarenlang het bestaan van zijn dochter. In Malva laat ze Neruda’s dochtertje vanuit het hiernamaals alsnog kennismaken met haar vader, en vermengt dat met poëzie en het verhaal van haar eigen vader.

- CHINESE STUDENTEN DIE NEDERLANDS STUDEREN AAN DE UNIVERSITEIT GENT
3-6-16


Acht studenten van de Bejing Foreign Studies University brengen hun volledige derde bachelor aan de Universiteit Gent door. Hoe kwamen ze hier terecht? En hoe bevalt het hun? Gabriel, Annie en Dini spreken vlot Nederlands tijdens het interview.

- TAAL – NIEUW BOEKJE VAN DE JONGE TAALKUNDIGE STERRE LEUFKENS 3-6-16

‘Taal is een communicatiemiddel, maar ook een systeem van regels en woorden. In dit Elementaire Deeltje wordt taal bekeken met de blik van onder andere een kind, een dier, een hersendeskundige, een socioloog en een politieman, om zo tot een compleet beeld te komen van wat taal allemaal is, wat we ermee kunnen doen, en waarom we maar niet kunnen ophouden met (erover) praten.

- WAT HOUDT DE MODERNISERING VAN HET ONDERWIJS IN ? 2-6-16

Ze wordt ingevoerd in het kleuteronderwijs, in het lager onderwijs en in de drie graden van het secundair onderwijs. Het officiële tijdschrift Klasse geeft een beknopt overzicht.

- WAAIWOORDEN 2-6-16

Dichteres Heleen Bosma sprokkelt wat waaiwoorden op haar ‘webblad’.
Een paar toch voor ik jullie lezers stuur naar die ‘tuiste’ van Heleen:

- WAT REST – ROMAN VAN PETER VAN KRAAIJ 1-6-16

Blauwkruikje schrijft op haar weblog van 1 juni 2016:
“Wat rest is een roman die al een hele tijd op mijn leeslijst stond. Mijn interesse werd gewekt door een Radio 1-interview van Ruth Joos met Peter van Kraaij kort na het verschijnen van de roman in 2013. …

- BESTE LERAAR NEDERLANDS 2016 30-5-16  

De Taalstaat - Radio 1 Nederland
zaterdag 28 mei 2016, 11:00 - 12:00 uur...

- DE ONDERZOEKENDE SCHOOL – HET PILOOPROJECT EN EEN ONTMOETINGSMOMENT 30-5-16

VUB

In het pilootproject ‘Onderzoekende School?!’ streven we ernaar om onderzoekend handelen op een duurzame manier te verankeren in partnerschappen tussen lerarenopleidingen en scholen.
...

- PAPIER! 29-5-16

Cartoon

- DE UNIVERSITEIT VAN NEDERLAND: VERZAMELING EDUCATIEVE VIDEO’S 29-5-16

De beste hoogleraren van Nederland geven gratis college op internet. Elke werkdag komt er een nieuw college online.
De filmpjes duren per onderwerp gemiddeld vijftien tot twintig minuten.

- HERKOMST VAN HET NEDERLANDS VOLKSLIED, HET WILHELMUS 28-5-16

dr. Lotte Jensen
Nederlands college aan de universiteit – educatieve film 15’05” ...

- HONGERJAREN ROMAN VAN MOHAMED CHOUKRI 24-5-16

Recensie Lode Vanoost

‘Honger, dat is pijn in al de gewrichten van armen en benen wegens vitaminegebrek, in je hoofd wegens voortdurende lage bloeddruk, in je maag en darmen wegens gewoon leeg, echt leeg dan. ...

- ACADEMICA VAN HET JAAR 2016 AN DE MOOR OP DE TAALSTAAT RADIO 1 MET FRITS SPITS 22-5-16

Op 16 april reikte het Verbond der Vlaamse Academici (VVA) aan didactica Nederlands An De Moor de prijs uit van Academica van het jaar 2016. ...

- P.C. HOOFTPRIJS 2016 VOOR ASTRID ROEMER 22-5-16

‘Politiek engagement en literair experiment gaan bij Roemer hand in hand. Naar het oordeel van de jury leidt dat tot romans die tegelijk scherpe en relevante interventies in het publieke debat zijn én complexe literaire verbeeldingen van de geschiedenis van Suriname (de roman Was getekend bestrijkt een veel langere periode voorafgaand aan 1980). Het is een geschiedenis die voor velen in Nederland nog tamelijk onbekend is, buiten de stee...

- ‘GOOISE R’ SIJPELT WELLICHT DOOR IN HET FRIES 20-5-16

In Nederland zijn er wellicht twintig varianten van de r te onderscheiden.
Ze worden gereduceerd tot vier categorieën. De Gooise r is één van die vier soorten. ...



 
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • José Vandekerchove, voorzitter
  • Ghislain Duchâteau, vicevoorzitter
  • Carl Brüsewitz, secretaris
  • Nora Bogaert , bestuurslid
  • Jan Lecocq , bestuurslid
  • André Mottart, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe +, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 20
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB van NDN, Wilrijk

Voor (onderwijs)instellingen en vakgroepen is een groepslidmaatschap mogelijk.
Dat houdt in:
- Om van een groepslidmaatschap te genieten moeten minimum drie (3) leden van een instelling toetreden.
- Per lid wordt binnen het groepslidmaatschap 2,5 euro korting gegeven, dus per lid wordt het dan 17,5 euro.
- Voor drie leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat de storting van 17,5 euro x 3 = 52,5 euro
- Voor vijf leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat 17,5 euro x 5 = 87,5 euro.

Het lidmaatschap loopt van 1 januari tot 31 december 2016.

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be
 
Afmelding
Wie deze nieuwsbrief liever niet ontvangt, kan zich afmelden met een berichtje naar info@netdidned.be