Contact: info@netdidned.be
Correspondentieadres: Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
Verantwoordelijke uitgever: G. Duchâteau, Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
25-1, oktober-november 2012
In deze nieuwsbrief:

NDN-Facebookpagina




Intro
De DVD Taalontwikkelend lesgeven
Bevraging poëzie-onderwijs Stichting Lezen
De taalprof over de grammaticales
Recensie Literary Praxis (A. Mottart)
Echo uit Nederland over de mediaheisa rond tussentaal
Het taalonderwijs Nederlands onderzocht (HTNO) NTU
Jongeren tegenover het Nederlands - rapport NTU
Het spellingonderwijs effectiever maken (Fr.Daems)
DIDACTIEK LEZEN Leeskr8!
 
 
 
 
Beschikbaar in ons NDN-archief:
 
NDN-Nieuws 24-4
 
NDN-Nieuws 24-3
 
NDN-Nieuws 24-2
 
NDN-Nieuws 24-1
 
NDN-Nieuws 23-4
 
NDN-Nieuws 23-3
 
NDN-Nieuws 23-2
 
NDN-Nieuws 23-1
 
NDN-Nieuws 22-4
 
NDN-Nieuws 22-3
 
NDN-Nieuws 22-2
 
NDN-Nieuws 21-3
 
NDN-Nieuws 21-2
 
NDN-Nieuws 21-1
 
 
 
Intro
 

L.S.

Enkele dagen hebben we de NDN-Herfstconferentie over Taalontwikkelend lesgeven. Hoe doe je dat? achter de rug. Met veel voldoening mochten wij een tachtigtal collega's ontvangen in de Arteveldehogeschool in Gent op woensdag 3 oktober. Ze luisterden, keken en praatten rond het hoogst belangwekkende en belangrijke conferentiethema. Uit de reacties die wij ontvingen bleek dat het een 'inspirerende' namiddag was. Het didactisch pakketje met de DVD waarop de vijf filmpjes voor de verschillende niveaus van het onderwijs en de bijhorende teksten kregen de deelnemers mee naar huis. Intussen lopen er bestellingen binnen om dat prachtige materiaal te verwerven voor gebruik in de lerarenopleidingen vooral in de hogescholen in Vlaanderen en in Nederland. We leiden deze editie van de Nieuwsbrief 25-1 in met de informatie over de DVD en de bijgevoegde leidraad, kijkwijzers en opdrachten en met de gegevens om hem te bestellen.

Ook deze keer volgt daarop een aantal teksten rond diverse onderwerpen, waarvan wij verwachten dat ze op leesbijval aanspraak kunnen maken met daarbij toch ook wel nuttige teksten die voor de opleiders en studenten bruikbare gegevens kunnen opleveren. Maar we hebben deze editie toch niet te lang willen maken, want we beseffen voluit dat het begin van het academiejaar of schooljaar veel tijd en werk vergt om de leerprocessen in de klas goed voor te bereiden en optimaal te laten verlopen. Dat blijft toch prioritair.

In de volgende editie van onze digitale nieuwsbrief komen we voluit terug op de conferentiethematiek en verzoeken wij u de reflectie over taalontwikkelend lesgeven in de praktijk verder te zetten aan de hand van het materiaal dat wij uit onze herfstconferentie mee zullen dragen: de teksten van de sprekers, de powerpointpresentaties, de beschikbare evaluatiegegevens. Dan zou ook kunnen blijken of taalontwikkelend lesgeven en taalgericht vakonderwijs wel echt verschillend zijn.

Van harte

Ghislain Duchâteau,

voorzitter en redacteur NDN


 
De DVD Taalontwikkelend lesgeven. Hoe doe je dat?
 

 

De Arteveldehogeschool, de HUB-KAHO en het Gewest Oost- en Zeeuws-Vlaanderen van de Orde van den Prince werkten gedurende twee jaar het project Taalontwikkelend lesgeven: hoe doe je dat? uit. Ook de Diocesane Begeleidingsdiensten van Antwerpen en Gent leverden een belangrijke bijdrage aan dit project.

Het eerste deel van het project bestond uit een sensibiliseringsnamiddag voor de docenten van de betrokken lerarenopleidingen. Op woensdag 3 oktober tijdens de Herfstconferentie van Netwerk Didactiek Nederlands werden de resultaten van het tweede deel van het project voorgesteld. Docenten van verschillende hogescholen toonden in parallelle sessies de gerealiseerde didactische filmpjes en zorgden voor een deskundige bespreking. De filmpjes maken deel uit van een didactisch pakket met een leidraad, een kijkwijzer en allerlei opdrachten.

Als een hogeschool of school taalontwikkelend wil lesgeven, treedt elke docent of leraar op als taalleraar of taaldocent. Hij doorspekt vakonderwijs met expliciete taaldoelen, levert taalsteun en zorgt voor rijke contexten en lessen vol interactiemogelijkheden. De NDN-conferentie ‘Taalontwikkelend lesgeven’ bracht voor een geïnteresseerd doelpubliek (100 inschrijvingen) in beeld hoe dat kan. Bij het publiek waren onderzoekers van universitaire lerarenopleidingen, docenten Nederlands en Communicatie, docenten niet-taalvakken van de lerarenopleidingen Bachelor kleuter-, lager en secundair onderwijs, maar ook pedagogische begeleiders, inspecteurs, leraren Nederlands van het secundair onderwijs met hun collega’s niet-taalvakken, en ook onderwijzers en kleuterleiders met belangstelling voor taalontwikkeling.



Indien u niet kon aanwezig zijn, dan kan u dit boeiend didactisch materiaal toch nog bestellen tegen overschrijving van 10 euro (14 euro voor Nederland) op rekeningnummer 737-2251855-43 IBAN BE66 7372 2518 5543 BIC KREDBEBB van Dorothea Van Hoyweghen. U stuurt tegelijk een mailtje met uw naam, uw e-mailadres, uw school of instelling en het aantal gewenste exemplaren naar dorothea.van.hoyweghen@skynet.be. U ontvangt nadien de dvd en het bijhorend pakket met leidraad, kijkwijzer en opdrachten.

In de volgende aflevering van de NDN-Nieuwsbrief 25-02 blijven we bij het thema van het taalontwikkelend lesgeven en publiceren we n.a.v. de conferentie de beschikbare teksten daarover.

Als aanloop daartoe leest u hier de inleiding tot de leidraad in het didactisch pakket bij de DVD met de filmpjes

“Taalontwikkelend lesgeven. Hoe doe je dat? Over taalbeleid in de klaspraktijk”

Hoe kun je zinvol meewerken aan het taalbeleid op school?
Hoe ga je in een klas om met leerlingen die moeite hebben met taal?
Hoe stimuleer je als leerkracht economie of natuurwetenschappen de taalontwikkeling van je leerlingen?

Nog te vaak wordt taalontwikkelend lesgeven gereduceerd tot ‘fouten verbeteren’, terwijl het eigenlijk gaat om een manier van lesgeven, een didactiek. Die vertrekt van het principe dat taal een belangrijke rol speelt bij het leren, wat er ook geleerd wordt.

Artikelen en bijdragen over taalontwikkelend lesgeven belichten het onderwerp vak vanuit een theoretische hoek. Dat is zeker zinvol, maar studenten, leerkrachten en docenten willen graag concrete voorbeelden zien. Het pakket ‘Taalontwikkelend lesgeven: hoe doe je dat?’ brengt de didactiek op een toegankelijke en authentieke manier in beeld.

Het pakket bevat:

  • vijf instructiefilmpjes
  • een leidraad
  • drie kijkwijzers en een opdracht per filmpje

In die filmpjes demonstreren leerkrachten technieken en basisprincipes van taalontwikkelend lesgeven in hun klaspraktijk. In totaal werden er vijf filmpjes opgenomen: een in de kleuterschool, eentje in de lagere school en een in elke graad van het secundair onderwijs.

De bijhorende leidraad maakt op een toegankelijke en laagdrempelige manier duidelijk wat taalontwikkelend lesgeven inhoudt. Verschillende begrippen zoals ‘CAT’, ‘taalruimte’ en ‘interactie’ worden in mensentaal toegelicht. Verder bevat de leidraad de korte inhoud van de filmpjes en tal van referenties, te herkennen aan de icoontjes.

Het pakket bevat tot slot drie kijkwijzers of checklists en per filmpje opdrachten om met studenten of een leerkrachtenteam aan de slag te gaan.

Het project is in eerste instantie uitgewerkt voor lerarenopleidingen. Toekomstige leerkrachten vormen de hefboom om het taalbeleid op de drie onderwijsniveaus te verankeren. Uiteraard is het pakket ook bruikbaar voor leerkrachten, docenten en taalbeleidscoördinatoren. Kortom, voor iedereen die inspiratie zoekt om actief aan taalontwikkeling te werken of die anderen wil overtuigen van het belang ervan.

Veel succes!

Nog informatie over de NDN-Conferentie van 3 oktober in de Arteveldehogeschool in Gent vindt u op de website van het Netwerk Didactiek Nederlands.


Bevraging over poëzie-onderwijs Stichting Lezen

Bericht op Kennisnet-Community Nederlands 11 mei 2012


 

Beste Vakcommunityleden,

Exact een week geleden stuurde ik u een uitnodiging om vier vragen over poëzieonderwijs in te vullen. De respons was overweldigend: een dag later hadden al meer dan 150 mensen gereageerd. Inmiddels nadert het aantal respondenten de 300. Allereerst hartelijk dank voor dit enorme enthousiasme!

Wat zijn de resultaten? Hieronder treft u twee links die toegang geven tot de volledige respons (exclusief e-mailadressen van mensen die ik mag benaderen met meer vragen), te downloaden als pdf. Ook kunt u  de samenvatting lezen (en een voorzichtige interpretatie van de gegevens), direct onderaan dit bericht. Graag benadruk ik nogmaals dat de vragenlijst geen wetenschappelijke pretenties had. Wel heeft Stichting Lezen nu iets meer inzicht in hoe u denkt over (het belang van) poëzieonderwijs, en wat er zoal gebeurt op scholen rond Gedichtendag. De vakcommunity is volgens ons een uitstekend klankbord om dit soort vragen aan u voor te leggen.

Een extra woord van dank aan hen die hun e-mailadres achterlieten. U zult zeker vervolgvragen van Stichting Lezen ontvangen.

Hartelijke groet,

Daan Beeke

Projectleider voortgezet onderwijs (havo/vwo)

Stichting Lezen
www.lezen.nl
www.leesmonitor.nu

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

RESULTATEN

- Download hier alle respons, met de antwoorden van open vragen (pdf, 19 pagina's)

- Download hier de respons op de gesloten vragen (pdf, 4 pagina's)

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

SAMENVATTING (10 mei 2012, 14:11 uur, 290 respondenten)

1. Vindt u poëzieonderwijs belangrijk?

96,8% van de respondenten vindt poëzieonderwijs belangrijk. Degenen die het niet belangrijk vinden, geven vooral aan dat het (voor hen) geen prioriteit heeft binnen het volledige lesprogramma.

2. Waarom vindt u poëzieonderwijs vooral belangrijk? Vink twee mogelijkheden aan.

vergroot het empathisch vermogen van leerlingen

29,6%

vergroot de taalvaardigheid en het analytisch vermogen van leerlingen

58,2%

cultuuroverdracht: laten kennismaken met dichters en poëzie van vroeger

30,0%

cultuuroverdracht: laten kennismaken met dichters en poëzie van nu

43,9%

het maakt de leerlingen creatief met taal, want poëzieonderwijs is vooral zelf poëzie schrijven

46,8%

overig

10,0%

U ziet waarin volgens de respondenten het belang van poëzieonderwijs schuilt: het vergroten van taalvaardigheid en analytisch vermogen en de opvatting dat poëzieonderwijs de creativiteit met taal vergroot. Ook cultuuroverdracht wordt belangrijk gevonden, en dat gaat dan vaker over dichters en poëzie van nu dan over dichters en poëzie van vroeger.
Opvallend is dat veel reacties in de categorie "overig" laten zien dat de respondenten het niet helemaal eens zijn met de vraagstelling. Immers, poëzieonderwijs is van dat alles wel een beetje, of cultuuroverdracht gaat altijd over vroeger én nu. Overigens: wie de percentages optelt komt op meer dan 100% omdat men twee antwoorden mocht invullen. (280 respondenten vinkten gemiddeld 2,3 hokjes aan)

3. Hoeveel tijd besteedt u gemiddeld per klas aan poëzieonderwijs? Vink aan welke situatie het meest op u van toepassing is. (Meer antwoorden mogelijk)

elke les wel een beetje

1,8%

elke week wel een keer

11,6%

elke maand wel een keer

30,8%

elke paar maanden wel een keer

40,2%

één keer per jaar

22,1%

Bij deze vraag was het misschien beter geweest maar één optie open te stellen, maar gelukkig vulden de respondenten kennelijk veelal één antwoord in (276 respondenten vinkten 1,06 hokje aan). Ik vermoed dat poëzie in het reguliere programma het vaakst elke paar maanden wel een keer voorkomt, en dat daarnaast eens per jaar een poëzieproject wordt georganiseerd. Dat wordt ook ingegeven door de reacties onder "overig", waarbij ook opvalt hoe uiteenlopend de beschikbare tijd is (van geen tijd tot projecten die weken duren).

4. Doet u doorgaans iets afwijkends of speciaals tijdens of rond Gedichtendag? Zo ja, wat?

Nee, en ik weet eerlijk gezegd niet wat Gedichtendag is

13,9%

Nee, maar ik weet wat Gedichtendag is

59,2%

Ja

26,8%

Ongeveer één op de vier docenten grijpt Gedichtendag aan om iets afwijkends of speciaals te doen rond poëzie. De rest laat het (soms ongemerkt) voorbijgaan. Ook hier bij de toelichting enorm uiteenlopende ideeën, van hele poëziefestivals tot gedichten in de postvakjes van collega's, tot het gebruikmaken van de lesideeën op www.gedichtendag.nl. Als docent kunt u met deze antwoorden allicht inspiratie opdoen voor Gedichtendag 2013. (Download daarvoor alle respons!)

Vraag 5, de mogelijkheid om uw e-mailadres achter te laten. leverde ons meer dan 100 e-mailadressen op van respondenten die we meer mogen vragen over poëzieonderwijs. Waarvoor ook heel veel dank. U zult zeker vervolgvragen van Stichting Lezen ontvangen.  

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Nieuwe Prinsengracht 89
1018 VR Amsterdam
Postbus 16518
1001 RA Amsterdam
T       020 623 05 66
E dbeeke@lezen.nl
www.lezen.nl

Nog informatie op Literatuuronderwijs.org en Het Poëziepaleis


De taalprof over de grammaticales

 


De Taalprof gaf op 26 november 2011 op het Onze Taalcongres in Breda een lezing over grammaticaonderwijs. Hij laat zien dat de grammaticales helemaal niet saai hoeft te zijn.

Video 24’57”

http://www.vrt.be/taal/taalprof-uit-anonimiteit


Gesignaleerd in LTT – Recensie van ‘Literary Praxis. …” door André Mottart

Van de Ven, Piet-Hein & Doecke, Brenton (2011). Literary Praxis. A Conversational Inquiry into the Teaching of Literature. Rotterdam, Boston, Taipei: Sense Publishers


Dit boek verkent het literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs. Een onderwerp waarover in deze hoogtijdagen van (praktische) vaardigheden niet zo vaak en zeker niet zo uitgebreid wordt gepubliceerd. Daarenboven bespreekt Literary Praxis: A Conversational Inquiry into the Teaching of Literature het literatuuronderwijs vanuit een wel heel interessant perspectief: leraren en onderzoekers uit acht landen en drie continenten dialogeren met elkaar teneinde hun professionele betrokkenheid te duiden. Hierbij denken ze na over de kennisbasis waarop zij in het literatuuronderwijs steunen en over het soort kennis dat ze willen overbrengen. Ze reflecteren over de uitdagingen die ze aangaan en de twijfels die dat impliceert wanneer ze in de klaspraktijk in interactie gaan met hun leerlingen.

De kern van het boek (‘Teaching and Reflecting’) bestaat uit – wat je zou kunnen noemen – actie-onderzoeksverslagen uit de dagelijkse praktijk van leraren in Nederland en Australië. De omschrijving ‘dagelijkse praktijk’ doet niet volledig recht aan hun bijdragen want naast de beschrijving van wat in hun klas feitelijk gebeurt, proberen de leraren in samenspraak met didactici ook te begrijpen wat er plaatsvindt. Montaigne beschouwde zijn essays 'comme la peinture de moi'.  Precies dat zijn deze stukken: ‘een schildering van henzelf’.

Hierbij plaatsen ze hun praktijk binnen het institutionele kader waarin zij moeten werken, binnen de nationale pedagogische en didactische onderwijstraditie en binnen de relationele verhoudingen van de specifieke klasgroep. In het bijzonder proberen ze te analyseren en te begrijpen op welke wijze leerlingen betekenis creëren en een oordeel vormen over de werkelijkheid zoals gerepresenteerd in literaire verhalen. Zo hebben de leraren die in dit boek van hun praktijk getuigen elk hun persoonlijke mening over hoe literatuuronderwijs er voor hen moet uitzien. Ze willen zich niet in een bepaald keurslijf laten dwingen. Het boek kan  dan ook gelezen worden als een pamflet tegen de ‘teaching-to-the-test’-situatie zoals die vigeert in landen als Australië, Engeland en de Verenigde Staten.

Zo beschrijven de Australische leraren Prue en Bella hoe ze in een literatuurproject samen op zoek gaan naar een wijze om via close reading hun leerlingen literair inzicht bij te brengen.  Hierbij geeft Prue de lessen terwijl Bella aanwezig is als ‘critical friend’. Ze doen dit door workshops te organiseren  rond de Collected Stories van de Australische schrijver Beverley Farmer. Als basis voor hun ‘conversational inquiry’ verzamelen ze transcripties van klasdiscussies en discussies binnen kleinere groepen leerlingen,  e-mailreacties en eigen observatieverslagen. In hun essay proberen ze aan te tonen dat de koppeling van de traditionele close reading-methode met een workshopaanpak wel degelijk de leerlingen kan helpen nadenken over details van een verhaal, over het verhaal in zijn geheel en over de relatie van een verhaal tot andere verhalen. Op voorwaarde echter dat de leraar de discussies modereert en niet domineert. De lessen van Prue zijn volgens Bella mooie voorbeelden van ‘productieve interactie’: de mogelijkheid voor leerlingen om een actieve rol te spelen indien “the formulation of knowledge is partly controlled by the intentions and expectations they bring to the lesson, and partly by the patterns of communications set up by the teacher’ (Barnes 1976: 115-116).

De les van de Nederlander Ramon biedt een interessant contrast met het Australische verhaal. Ramon ontwerpt een les rond het verhaal Fam van Thomas van Aalten. Hij kiest ook voor een interactief lesmodel waarbij de leerlingen in groepjes worden opgesplitst om zo met elkaar over het verhaal te kunnen praten. Hij geeft de vijf groepjes elk een opdracht waarin telkens een verschillend literatuurwetenschappelijk perspectief centraal staat: structuur-analytische methode (personage, tijd, ruimte), sociologische analyse (morele waarden, sociale klasse) en auteursgerichte methode (vergelijking met van Aaltens leven en oeuvre). Na de analyse van zijn lessen op basis van opgenomen lesprotocollen moet hij vaststellen dat zijn aanpak niet het gewenste succes heeft opgeleverd. In de reflectie stelt Ramon dat door de les vanuit literatuurwetenschappelijke theorie vorm te geven hij niet alleen in zijn opdracht maar ook in zijn interventies in de les a.h.w. voortdurend aan het doceren is en de leerlingen hierdoor niet tot een eigen inzicht kunnen komen.

De Nederlandse Mies wil met haar les ingaan tegen de gangbare mening dat 13-14 jarigen verhalen alleen maar lezen omwille van de plot en vooral een vorm van escapisme nastreven. Met het verhaal Blauw is bitter van de Belgische auteur Dirk Bracke poogt ze – ook alweer – in een interactief lesdesign (het bijhouden van leeslogs, placematmethode, brieven naar welzijnsorganisaties etc.) de leerlingen aan te zetten om zich in te leven in de (hoofd)personages en hun denkbeelden te confronteren met hun ‘persoonlijk repertoire’. Haar hoop hierbij is dat leerlingen hierdoor misschien wel tot nieuwe inzichten voor zichzelf komen. Ook Mies poogt in te schatten in hoever ze in haar lesopzet geslaagd is. Het antwoord is hier wat genuanceerder. Ook al lijken de reacties van de leerlingen authentiek, toch vindt Mies niet dat ze datgene wat ze wilde ‘meegeven’ in de reacties van de leerlingen terug te vinden is. Een en ander valt te verklaren vanuit de persoonlijke biografie van Mies die na een lang verblijf in Zuid-Afrika de ‘social awareness’-bereidheid van jongeren in Nederland wat fout inschat.

Voor de Nederlandse lezer is het interessant te vermelden dat ook Theo Witte in een hoofdstuk zijn model van literaire ontwikkeling binnen de essays van het boek plaatst en vice versa in de reflecties van de buitenlandse collega’s de ideeën van Theo Witte geïntegreerd worden.

Het tweede luik van het boek (‘Reading and Rereading’) bestaat uit zeven commentaren op deze praktijkverslagen door pedagogen en didactici uit andere landen. Op deze wijze wil het boek de praktijk van de lerarenrelazen verrijken vanuit een comparatief perspectief maar nooit zonder het specifieke ‘plaatselijke’ karakter van de onderwijssituatie uit het oog te verliezen. De verrijking situeert zich ook op het niveau van het andere perspectief van waaruit naar klaspraktijk wordt gekeken: “it comes to comparing a practitioner’s standpoint with the researcher’s gaze” (Kincheloe 2003: 9). Deze onderzoekers proberen hierbij een oordeel te vermijden maar veeleer te begrijpen wat het betekent literatuur te doceren in een bepaalde educatieve omgeving. De auteurs willen zo een alternatief bieden voor de huidige mode om alles in gestandaardiseerde ‘meten-is-weten’procedures te vatten. Het boek wil dus ook een pamflet zijn tegen onderzoek à la PISA.

In het slotessay van het boek ‘Literary Praxis. A Concluding Essay’ pogen de samenstellers van het boek alle draden vanuit de vele essays samen te brengen en een lans te breken voor een professionele betrokkenheid en reflectie bij leraren zoals in het eerste deel van het boek wordt beschreven. De redacteurs noemen zo’n vorm van praktijk ‘praxis’: een praktijk waarin leraren en didactici de intensiteit en complexiteit onderzoeken van de reflexieve praktijk die ontstaat wanneer ze leerlingen inwijden in het lezen van literaire teksten binnen een specifieke socio-culturele context.

Wie moet dit boek nu lezen? Leraren en didactici die tips en tricks-of-the-trade verwachten niet. Het boek richt zich veeleer tot leraren en didactici die weten hoe weinig tijd er besteed wordt aan het nadenken over en het evalueren van de eigen lespraktijk. En die daarbij  beseffen hoe vanzelfsprekend men als leraar of didacticus onderwerpen aansnijdt waarvan men zomaar verwacht dat leerlingen of studenten dit allemaal kunnen oppikken. Het richt zich ook tot leraren die niet vasthouden aan één scenario maar inzien dat er heel wat scenario’s mogelijk zijn om literatuuronderwijs vorm te geven. De vele uitgeschreven lesprotocollen werken hierbij zeer verhelderend. Maar ook leraren en didactici die hun eigen lespraktijk wensen te plaatsen in bredere theoretische kaders komen royaal aan hun trekken. In alle essays immers wordt de praktijk van alledag geplaatst binnen theorieën van literatuurwetenschappelijke en filosofische iconen als Vygotsky, Bakhtin, Althusser, Culler, Derrida, Eagleston, Levinas en nog vele anderen. Maar nooit verworden die stukken tot theoretisch gezwam, want steeds wordt de theorie ingebed in de in het eerste deel beschreven praktijk.

Dit is geen makkelijk weg te lezen boek: het bestaat uit vele kleine en grote onderwijsverhalen die dankzij scherp observatievermogen en een stevig theoretische onderbouwing tot interessante inzichten leiden. Om met mondjesmaat te lezen, een livre de chevet voor de geëngageerde literatuurdocent en –didacticus.

André Mottart

- Barnes, D. (1976). From Communication to Curriculum. Harmondsworth: Penguin.

- Kincheloe, J. (2003). Teachers as researchers: Qualitative inquiry as a path to empowerment. London: RoutledgeFalmer.

Overgenomen met uitdrukkelijke instemming van de auteur


 

Echo uit Nederland over de mediaheisa rond tussentaal in Vlaanderen

Uit Onze Taal 81ste jg. nr. 10 – oktober 2012 – blz. 288


 


Ophef over Verkavelingsvlaams

Begin september was er in Vlaanderen veel ophef over het gebruik van het Verkavelingsvlaams: de informele spreektaal in Nederlandstalig België die geen dialect is, maar ook geen Algemeen Nederlands. Een ander woord ervoor is tussentaal. Aanleiding was de publicatie van het boek De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, geschreven door de Antwerpse taalkundigen Kevin Absilis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof.

De auteurs benadrukken dat ze de tussentaal niet promoten, maar vinden het niet erg dat die in het onderwijs wordt gebruikt: “We moeten af van het idee dat Verkavelingsvlaams een gedrocht is dat de emancipatie van de burger in de weg staat. We moeten het de plaats geven die het toekomt: het is de informele spreektaal die heel veel Vlamingen dagelijks gebruiken.”

Hun standpunt leidde tot veel kritiek, van onder anderen schrijver Geert van Istendael, bedenker van de term Verkavelingsvlaams: “Het is de taal van mensen die neerkijken op dialecten, en te lui zijn om goed Nederlands te leren. Het is de taal van de zelfgenoegzaamheid. En je kunt ze niet schrijven. Ze is dus niet bruikbaar in het onderwijs.” Ook vooraanstaande taalkundigen pleitten nadrukkelijk voor de standaardtaal als instructietaal, bijvoorbeeld Ruud Hendrickx (VRT-taaladviseur en Vlaams hoofdredacteur van Van Dale) en Ludo Permentier. Permentier: “Kinderen gaan naar school om daar iets anders te leren dan wat ze buiten de school oprapen.”



Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO):
brug tussen onderzoek en onderwijs – brochure Nederlandse Taalunie


 

 

De Nederlandse Taalunie publiceert eens te meer een brochure die van bijzonder belang kan zijn voor verhoging van de doeltreffendheid van het taalonderwijs Nederlands. Ed Olijkan en Hanneke de Weger zijn de auteurs. Onderwijsonderzoekers leveren hun reflectie over de thematiek betreffende de relatie tussen onderzoek en onderwijspraktijk. Ruben Vanderlinde, Ron Oostdam, Kris Van den Branden en Gert Rijlaarsdam schreven in dat verband een bijdrage

 

 

.

Wat is de zin van de nieuwe brochure? Welke inhouden levert zij aan?
Om dat te verduidelijken citeren we ruim uit de inleiding.

“In een voortdurend veranderende samenleving moeten leraren zich continu aanpassen en verbeteren. Hun opdracht is immers de leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op vervolgopleiding, beroep en deelname aan die samenleving. De taalleerkracht speelt hierin een cruciale rol, maar over de taalvaardigheid van jongeren worden de laatste jaren veel zorgen geuit. Zoveel, dat er op beleidsniveau verschillende maatregelen worden genomen om de taalvaardigheid van leerlingen te verbeteren. Daar komt de laatste jaren in Nederland en Vlaanderen de wens bij om het onderwijs meer te baseren op de resultaten van onderzoek. Deze wens wordt onderbouwd in publicaties als Naar meer evidence based onderwijs van de Nederlandse Onderwijsraad (2006) en de Vlaamse studie De relatie tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk van het viWTA (2007), en komt ook terug in beleidsnota’s van de beide onderwijsministers. … Onderzoek staat soms ver af van de dagelijkse praktijk van de school en de publicatie van de resultaten van onderzoek gebeurt vaak op manieren en via kanalen die leraren niet bereiken. Dat maakt het niet eenvoudig om relevante kennis te vergaren en in te zetten voor verbetering van het onderwijs Nederlands.

Met HTNO willen we een bijdrage leveren aan het dichten van de kloof tussen onderzoek en onderwijspraktijk. … HTNO is een databank waarin samenvattingen van onderzoek naar taalonderwijs Nederlands zijn opgenomen. Elk jaar inventariseert het HTNO-team het gepubliceerde onderzoek naar taalonderwijs Nederlands, vat het op een laagdrempelige manier samen en stelt het ter beschikking via een website die voor iedereen toegankelijk is [http://taalunieversum.org/onderwijs/onderzoek/ ] Leraren, begeleiders, opleiders, materiaalontwikkelaars en onderzoekers hebben zo gemakkelijk toegang tot de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en kunnen deze kennis al naar gelang hun specifieke taak gebruiken in hun werk. Ook voor beleidsmakers vormt de database een belangrijke bron. Via HTNO kan iedereen die betrokken is bij het onderwijs Nederlands nagaan of er een empirische basis is voor de werkzaamheid van bepaalde aanpakken en programma’s. …

In deze publicatie leert u als pedagogisch begeleider, onderwijsadviseur, lerarenopleider, beleidsmaker of onderzoeker de inhoud en de gebruiksmogelijkheden van HTNO kennen. In hoofdstuk 1 gaan we in op de vraag wat HTNO is, wat erin te vinden is en hoe de databank werkt. Hoofdstuk 2 schetst een aantal opvallende trends die uit HTNO zijn af te leiden. We laten bijvoorbeeld zien welke taaldomeinen en welke doelgroepen de meeste aandacht krijgen binnen het in HTNO opgenomen onderzoek. Hoofdstuk 3 gaat in op het gebruik van HTNO in de praktijk. Aan de hand van voorbeeldvragen illustreren we hoe in HTNO gezocht kan worden en wat dat kan opleveren. In hoofdstuk 4 laten we lerarenopleiders en onderwijsbegeleiders aan het woord. Wat vinden zij van HTNO en wat kunnen zij ermee in de praktijk? Hoofdstuk 5 bevat reflecties van onderzoekers. Zij belichten HTNO vanuit verschillende perspectieven.”

Je kan ook kennismaken met HTNO via nog veel meer praktisch gerichte informatie aan de hand van  een videofilmpje (7’25”). http://player.vimeo.com/video/36016343

Je kan de brochure ook downloaden van Taalunieversum en als pdf-document

De gedrukte versie (44 pp.) kun je bestellen via Gigaboek
(€ 14,85 - paperback A4-formaat, verzendkosten uitgezonderd):
http://www.gigaboek.nl/content/htnobrug/bestel.htm

 

Hoe jongeren aankijken tegen het Nederlands en de lessen Nederlands op school

 


Op 11 juni 2012 publiceerde de Nederlandse Taalunie samen met NJR het bureau de brochure
Jongeren, de Nederlandse taal & participatie” (62 bladzijden).



Het rapport geeft de resultaten weer van focusgroepgesprekken onder 100 representatieve jongeren tussen 15 en 24 jaar uit Nederland, Vlaanderen en Suriname en Aruba.
Hoewel de participatie van 100 jongeren op het eerste gezicht een gering getal lijkt voor
betrouwbare resultaten, zijn er uit het onderzoek toch heel wat merkwaardige gegevens voortgekomen die toch relevante tendensen in hun perceptie van het Nederlands weergeven.
Toch blijven we kritisch ertegenover in functie van onze hantering van de gegevens binnen de onderwijscontext.

De algemene conclusie van het rapport luidt:

“Voor jongeren is de Nederlandse taal geen onderwerp waarmee ze uit zichzelf bewust bezig zijn. Toch zijn er veel triggers om het onderwerp voor jongeren aantrekkelijk te maken. Jongeren zijn zeer creatief met taal en willen graag op een creatieve manier leren en participeren. De Nederlandse taal en participatie bij de Taalunie worden aansprekend en interessant voor jongeren wanneer creatieve lesmethoden, wedstrijden en creatieve taaluitingen worden betrokken in de participatievorm.

In het onderdeel ‘Samenvatting en conclusies’ worden de bestanddelen van die samenvattende conclusie handig geëxpliciteerd, zodat de lezer al heel vlug van de belangrijkste gegevens uit het rapport in kennis wordt gesteld. Die bestanddelen zijn:
- Jongeren hebben uit zichzelf weinig interesse in de Nederlandse taal
- Jongeren weten weinig over de geschiedenis van de Nederlandse taal
- Veel jongeren vinden het Nederlands een moeilijke taal om te leren en Nederlandse jongeren hechten weinig belang aan een correcte beheersing van de taal
- Jongeren letten bij het gebruik van sociale media extra op correct gebruik van het Nederlands
- Jongeren zijn positief over de invloed van het Engels in het Nederlands
- Groepstaal onder jongeren bepaalt sterk hun identiteit en tot welke groep ze behoren
- Jongeren hebben weinig met mondiaal burgerschap
- Jongeren zijn zeer creatief met de Nederlandse taal
- Jongeren kennen weinig taalwedstrijden, ze waarderen het bestaan wel.
- Nederlandse Taalunie onbekend, toekomstige participatie van jongeren positief.
Bij elke van deze bevindingen voegt het rapport in cursief toe hoe daarop vanuit een aanpak door onderwijsverstrekkers of de Taalunie zelf constructief kan worden ingehaakt.

Hoofdstukken 1 t/m 6 brengen de algemene resultaten en conclusies voor Nederland, Vlaanderen en Suriname. Ze schetsen een beeld van de attitudes van jongeren t.a.v. het Nederlands. Hoofdstuk 6 gaat dieper in op de gewenste participatie van jongeren bij de Nederlandse Taalunie. Hoofdstuk 7 schetst een beeld van de verschillen tussen de verschillende landen.

Leuk is de laatste pagina van hoofdstuk 3 hoe jongeren zich de ‘ontwerper’ van de Nederlandse taal voorstellen als een oudere, grijze man, met een eenzaam en saai leven…

De publicatie kun je downloaden vanaf Taalunieversum “Jongeren, de Nederlandse taal & participatie”.

Ze kan ook in drukvorm worden besteld.

Op 21 september 2012  publiceerde Jan T’Sas in Taalschrift “Jongeren blijven A.B.N. belangrijk vinden" Daarin geeft de auteur nog heel wat meer en interessante informatie uit het onderzoeksrapport. In zijn tekst zijn nog twee ‘vimeofilmpjes’ gevoegd van respectievelijk van 2’35” en 2’44” over woordgebruik uit andere talen bij jongeren als ze Nederlands spreken en over de mening van jongeren over het schoolvak Nederlands.

Wie wat tijd vrij wil maken voor het onderzoeksverslag bevelen wij de lectuur graag aan.

Marc van Oostendorp wijdt er een column aan en krijgt heel wat reactie ook van de Taalunie zelf.


Op 11 juni werd het verslag van de gesprekken met de jongeren aangeboden aan de Vlaamse minister van onderwijs Pascal Smet, voorzitter van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie. Bij ontvangst verklaarde hij: ‘Het verheugt me dat jongeren op hun eigen frisse en creatieve manier écht wel bezig zijn met de Nederlandse taal. Zeer inspirerend en een geweldig signaal om hen mee te laten praten over ons taalbeleid.’



De Vlaamse Minister Pascal Smet, voorzitter van het Comité van Ministers, ontvangt het rapport over jongeren en taal uit handen van Chana van der Velden van NJR Het Bureau. Foto: Paul Combrink






Het spellingonderwijs effectiever maken
 

"Het (spellingonderwijs) houdt te weinig rekening met de rol van het automatisch werkend langetermijngeheugen en het werkgeheugen. Het mikt onvoldoende op inprenting en te uitsluitend op regels. Het integreert spelling te weinig in schrijven. Ook gaat ons onderwijs nog altijd uit van de illusie dat de spelling vrijwel verworven is tegen het eind van het basisonderwijs of de aanvang van het middelbaar onderwijs. In de loop van de jaren komen er tal van woorden bij, allerlei moeilijke kwesties (hoofdletters, apostrof enz.), en veranderen de frequenties waarmee jongeren woorden geschreven hebben (bv. vindt wordt frequenter dan vind).

 

Om al die redenen hebben wij in Letters en punten (Daems e.a., 2010) aanbevolen dat er over het hele leerplichtonderwijs doorgaande leerlijnen voor spelling komen, en dat ook de bovenbouw van het middelbaar onderwijs systematisch in spellingonderwijs investeert, zowel in de spelling op zich als in de integratie van spelling in schrijven (opstellen én reviseren)."

Frans Daems, Universiteit Antwerpen

in “Kunnen ze niet meer spellen, of willen ze niet meer?” in Neerlandia/Nederlands van Nu* jg. 116 nr. 3 – september 2012 blz. 34-35

_____________________________

* Nederlands-Vlaams tijdschrift voor taal, cultuur en maatschappij, uitgave van het Algemeen Nederlands Verbond - www.anv.nl



DIDACTIEK LEZEN Leeskr8!


 

Ben je bezig met het lesprogramma voor volgend schooljaar? En wil je eens iets nieuws? Bekijk www.leeskr8.nl

Leeskr8! is speciaal gemaakt voor de eerste twee klassen van het VMBO.

Leeskr8! is ideaal om te gebruiken als introductie op het (fictie) lezen. Door de positieve insteek (jullie lezen best veel, want ook het lezen van informatieve boeken, websites, kranten en tijdschriften is lezen) en de digitale lescomponent, blijken leerlingen ‘over te halen’ om met elkaar over lezen te praten en over lezen na te denken. Veel leerlingen geven na de les aan, lezen belangrijk te vinden en een deel daarvan vindt het eigenlijk best leuk.

De kern van Leeskr8! bestaat uit een digitale interactieve lesmodule rondom lezen en boeken. Met behulp van 150 recente titels kunnen docenten eenvoudig zelf een les samenstellen. De lessen zijn opgebouwd rondom een aantal boeken waarover, via de computer, verschillende vragen gesteld worden. De leerlingen reageren ook via de computer. Op deze manier komen alle leerlingen aan bod, ook diegenen die in een groepsgesprek meestal meer op de achtergrond blijven.

Een introductiefilm laat docenten zien hoe Leeskr8! ingezet kan worden om leerlingen op een interactieve manier kennis te laten maken met actuele en geschikte boeken.
Zie: http://youtu.be/JTMsd4nBTL0

Leeskr8! kan zowel op school als in de openbare bibliotheek worden gedaan: informeer hiervoor bij de bibliotheek in de buurt.

Leeskr8! is gratis te gebruiken en ontwikkeld door Bibliotheek Den Haag, Bibliotheek Utrecht, Openbare Bibliotheek Amsterdam en Bibliotheek Rotterdam (G4-bibliotheken) en mede mogelijk gemaakt door Provincie Noord-Holland, Provincie Zuid-Holland, Provincie Utrecht, de Vereniging van Openbare Bibliotheken en Stichting Lezen. 
---------------------------------------------------------------------------------------------------
Bron: Mailinglist Nederlands 25/6/2012 17:45

Meer informatie: 

Saskia Kuus
Bibliotheek Den Haag
s.kuus@dobdenhaag.nl
070-353 4442

Of bij ondergetekende!

Met vriendelijke groet,

Carolien Krikhaar - Team Educatie, consulent voortgezet onderwijs

Zwanenvechtlaan 4 - 3554 GL Utrecht
Tel: 030 286 99 94 - Mobiel 06 218 348 05
c.krikhaar@bibliotheekutrecht.nl
www.bibliotheekutrecht.nl


 
     
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • Ghislain Duchâteau, voorzitter
  • José Vandekerchove, vicevoorzitter
  • Dorothea Van Hoyweghen, secretaris
  • Carl Brüsewitz, bestuurslid
  • Guido Cajot, bestuurslid
  • An De Moor, bestuurslid
  • André Mottart, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

Wie actief wil meewerken kan zich aanmelden voor een plek in het NDN-bestuur
Stuur ons een e-postberichtje op info@netdidned.be.
We nemen dan meteen contact op.


Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 20
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB van NDN, Wilrijk -

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be
 
Afmelding
Wie deze nieuwsbrief liever niet ontvangt, kan zich afmelden met een berichtje naar info@netdidned.be