Contact: info@netdidned.be
Correspondentieadres: Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
Verantwoordelijke uitgever: M. Smolenaers, Galgenbergstraat 73A – 3511 Kuringen
23- 4, juli, augustus, september 2011
     
In deze nieuwsbrief:
Intro
Lenteconferentie taalbeleid UA 13 mei
Uitnodiging ledenvergadering
Waterballon
Handboek Taalbeleid
Secundair Onderwijs
Taalportaal Nederlands
en Fries
Ideeënboek sociale media in het onderwijs
Postacademische vorming didactiek Nederlands aan anderstaligen
Piet-Hein van de Ven
gevierd
Gr. Wb. Afrikaans en Nederlands
Viering 100 jaar
Levende Talen
Moeilijkste taal om leren
Instrument zelfbeoordeling schrijfvaardigheid
Actua op NDN-webstek
 
 
Beschikbaar in ons NDN-archief:
 
De oudere nieuwsbrieven in e-zinevorm kunt u opvragen bij de redactie.
Zie Colofon
NDN-Nieuws 23-3
 
NDN-Nieuws 23-2
 
NDN-Nieuws 23-1
 
NDN-Nieuws 22-4
 
NDN-Nieuws 22-3
 
NDN-Nieuws 22-2
 
NDN-Nieuws 21-3
 
NDN-Nieuws 21-2
 
NDN-Nieuws 21-1
 
 

Intro
 

L.S.

Dit is dan de vakantie-editie van de NDN-Nieuwsbrief. Het is de vierde en laatste aflevering van deze jaargang 2010-2011. We gaan ervan uit dat de publicatie aan het begin van de zomervakantie aan onze meer dan 200 geadresseerden de tijd en de ruimte biedt om de nogal uitgebreide nieuwsbrief wat rustiger en wat langduriger door te nemen dan tijdens de drukke periodes binnen het academiejaar.

De inhoud is weer behoorlijk gevarieerd. Wij blijven de meeste aandacht besteden aan artikels die direct gericht zijn op de didactiek en het taalbeleid rond het vak Nederlands. Er is een korte evaluatie van de lenteconferentie van 13 mei 2011 met verwijzing naar de website waar onze lezers het fotoverslag aantreffen met daarbij de powerpointpresentaties van de vier expertisenetwerken in Vlaanderen. Ook de powerpointpresentatie rond taalontwikkelend lesgeven van Elke Peters en Goele Kerkhofs zit erbij. We stellen in deze aflevering het heel recente handboek ‘Taalbeleid Secundair Onderwijs’ voor van Kris van den Branden en Nora Bogaert. Ook de viering van didacticus Nederlands Piet Hein van de Ven uit Nijmegen krijgt haar plaatsje in het bestand. Het NDN feliciteert de 100-jarige vereniging Levende Talen uit Nederland en geeft toegang tot de documentatie daarbij.

Wij hebben tevens een begin gemaakt van de samenwerking van het NDN met het Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid in het Hoger Onderwijs, waarbij wij o.m. de veldaanvraag aan de SLO van het Platform voor een instrument zelfbeoordeling digitale schrijfvaardigheid voorstellen.

De sociale media zitten in de actualiteit. Vandaar dat wij de aandacht vestigen op het ‘Ideeënboek sociale media in het onderwijs’ van Erno Mijland.

Beslist laten wij het verschijnen van het monumentale nieuwe ‘Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands’ niet onopgemerkt voorbijgaan. Daarin immers past em. prof. dr. Willy Martin zijn nieuw woordenboekmodel toe, het zogenaamde amalgatiemodel waarin de twee talen samengevoegd voorkomen.

Wij blijven zoveel mogelijk netwerken onze naam indachtig en hopen op verdere samenwerking met andere verenigingen en instanties als LOPON² en het Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs. Wij blijven het vigerend gedachtegoed rond de didactiek en het taalbeleid op de voet volgen in het zich aankondigende nieuwe academiejaar.

Intussen wensen wij alle lezers van deze nieuwsbrief van harte een deugddoende zomervakantie toe.

Ghislain Duchâteau,
voorzitter NDN en redacteur van de Nieuwsbrief

 

Lenteconferentie “Taalbeleid in de lerarenopleiding, mag het iets meer zijn…?” UA vrijdag 13 mei 2011

 

Taalbeleid in de lerarenopleiding: mag het iets meer zijn?

 
 


De lenteconferentie vond plaats op vrijdag 13 mei van 9 tot 17 uur op de campus Drie Eiken van de Universiteit Antwerpen

De beroepsverenigingen van opleiders Nederlands vinden de tijd rijp om een stand van zaken op te maken. Wat is het resultaat van de vele inspanningen van de afgelopen jaren? 
De veertig deelnemers kregen dan ook de kans om kennis te nemen van de resultaten van de verschillende taalbeleidsprojecten opgezet door de Vlaamse expertisenetwerken voor lerarenopleidingen en het regionaal platform. Vier projecten stelden zich voor, drie referenten reageerden en ook de deelnemers konden adviezen formuleren voor vervolgprojecten.
Tijdens het tweede deel gaven we nieuwe impulsen aan taalbeleid met bijdragen over meervoudige geletterdheid en taalontwikkelend lesgeven in de lerarenopleiding.

Taalontwikkelend lesgeven kwam ook hier naar voren als een bijzonder relevant didactisch en vernieuwend concept. Intussen blijkt dat zowel in Nederland als in Vlaanderen naarstig werk wordt gemaakt van de concrete ontwikkeling en de implementatie van dat concept. Zo is er in Brussel t.b.v. de stage al een evaluatieformulier ontwikkeld voor ‘taalontwikkelend werk’.

Sinds Frans Daems in zijn referentiekader voor taalbeleid in de lerarenopleiding in “Naar taalkrachtige lerarenopleidingen” (Uitg. Plantyn 2010) duidelijk drie vormen van taalcompetentie onderscheidt, wordt dat onderscheid tussen starttaalcompetentie of basale competentie, academische taalcompetentie en professionele taalcompetentie in de lerarenopleidingen effectief gehanteerd. Het blijkt wél dat er nog heel wat meer inzet kan worden besteed aan die professionele competentie naar de aankomende jonge leraren toe.
Er wordt manifest gepleit voor de brede opvatting van taalbeleid waarbij de communicativiteit vooraan moet staan. Taalontwikkelend lesgeven kan als complementair maar ook als alternatief fungeren voor tests allerhande, toetsing en remediëring. De niet-taaldocenten moeten wel gewonnen worden voor die visie.

Taalbeleid vanuit bekommernis voor diversiteit in de studentenpopulatie roept in Jeroen Lievens’ uiteenzetting rond meervoudige geletterdheid een contrastieve visie op tussen ‘norm’ en ‘variatie’, begrippen die moeilijk te verzoenen zijn. Gerichtheid naar onderwijs dat zich toespitst op het hanteren van de passende taalvariëteit bij een communicatieve situatie in de keuze van het adequate register, zal ten koste gaan van het onderwijs gericht op de standaardtaal. Toch blijft de standaardtaal haar betekenis behouden. Ze is passend in talloze spreeksituaties. Lievens pleit voor een communicatief-functionele aanpak. Taalgebruik kan worden aangereikt vanuit een authentieke situatie komende vanuit een natuurlijke taalverwervingsmethode.

De referenten Frans Daems, Dorothea Van Hoyweghen en Wilma van der Westen toonden hun waardering voor heel wat aspecten van de ontwikkeling van het taalbeleid in het hoger onderwijs. Zij spraken evenwel ook hun bezorgdheid uit voor de participatie van het universitair onderwijs in een systematische efficiënte uitwerking van taalbeleid op dat niveau. De universiteiten waren niet expliciet aanwezig op de conferentie.
De bezorgdheid ging ook uit naar het taalbeleid van de Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO's).
Zij hebben daarin nog een weg af te leggen en verdienen vanuit de andere sectoren van het hoger onderwijs volwaardige ondersteuning. Behartenswaardig is de aanbeveling dat de expertisenetwerken de nodige energie stoppen in het ontwikkelen van hulpmaterialen en kijkwijzers voor de lerarenopleidingen in de CVO’s.
Voor het Brussels Expertisenetwerk Onderwijs (BEO) is een extra moeilijke opdracht weggelegd in verband met taalbeleid omwille van de specifieke Brusselse taalsituatie. Dat expertisenetwerk zou dan ook bijzondere aandacht kunnen besteden aan de opleiding van leraren die in staat moeten zijn om het taalbeleid in Brusselse basis- en secundaire scholen te dragen. Als die daarin slagen, dan zou dat een heel grote verdienste zijn.
De focus van taalbeleid mag ook krachtiger gericht worden op de student, die bijvoorbeeld voor lezen en schrijven door nadruk op remediëren nog teveel geconfronteerd wordt met oude vormen van taalbeleid. De rol van taal is immers sterk aan het veranderen. Schrijven is geëvolueerd naar tekstverwerking met informatie uit digitale bronnen en neemt een verschillend karakter aan, maar lezen en schrijven blijven ondanks het gebruik van de media wel in hoge mate talig.



Dit is een kleine greep naar enkele krachtlijnen uit het gedachtegoed van deze lenteconferentie die door één van de actieve deelneemsters ‘horizonverruimend’ wordt genoemd.

Op de NDN-website staat op de pagina NDN-Activiteiten een fotoverslag met daarbij de toegang tot alle beschikbare powerpointpresentaties van de lenteconferentie 2011. Klik hier

Uitnodiging jaarlijkse statutaire algemene vergadering van de vzw.

 

Het Netwerk Didactiek Nederlands (NDN) vzw. belegt zijn jaarlijkse statutaire algemene vergadering op
dinsdag 16 augustus 2011 te 14.30 u.

in ’t Brantijser, Stadscampus Universiteit Antwerpen,  Sint-Jacobsmarkt, 13 - 2000 Antwerpen.

Alle leden van de vereniging zijn daarop uitgenodigd.

De agenda omvat de volgende punten:
- Verwelkoming
- Goedkeuring van het verslag van de statutaire algemene ledenvergadering van vrijdag 7 mei 2010
- Verslag van de werkzaamheden van het voorbije werkjaar
- Financieel verslag van het voorbije werkjaar
- Vooruitzichten voor de werking van het volgende werkjaar 2011-2012
- Actualiseren van de statuten
- Bestuurssamenstelling
- Wat verder ter tafel komt (wvttk) – varia

De voorzitter,

Ghislain Duchâteau

De secretaris,

Marc Smolenaers
10 juli 2011



Waterballon - Hoe zit dat bij u op school?

 


Het onderwijs, de docenten, doen mij soms denken aan een zachte waterballon. Je kunt er van alle kanten tegenaan duwen, zonder dat er echt veel gebeurt. Maar als iets of iemand tot de kern weet door te dringen, dan begint het te stromen en lijkt de energie niet te stoppen.  Het is fijn als je juist op dat moment als trainer een school binnenkomt en een beetje van die energie opvangt of mag helpen de bakens te verzetten.


Eindoordeel? Docenten zijn net mensen en daarmee leuk publiek, de omstandigheden zijn niet altijd optimaal en professionalisering kan meer op maat!

Majorie Weistra

Majorie Weistra, voormalig docente Frans,  is zzp-er en geeft trainingen in het vo over web 2.0, sociale media, digitaal leermateriaal en wikiwijs.

Uit: Column: Hoe zit dat bij u op school? (Kennisnet.nl)

28 april 2011


Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs - Kris van den Branden en Nora Bogaert (juni 2011)
 




Uitgeverij Acco publiceert in juni 2011 het ‘Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs’ van de hand van  Kris van den Branden en Nora Bogaert. Het verschijnt na het ‘Handboek Taalbeleid basisonderwijs’, na 'Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij?' beide Acco-uitgaven en na ‘ Naar taalkrachtige lerarenopleidingen: Bouwstenen voor taalbeleid’ bij Plantyn. Taalbeleid staat dus nog volop in de belangstelling bij uitgeverijen en onderwijsverstrekkers. En nodig is dat als we constateren in het recente verslag van de onderwijsinspectie dat slechts 60 % van de basis- en secundaire scholen bezig is met de uitwerking van een talenbeleid.



 

De auteurs brengen in dit boek alle belangrijke informatie over taalbeleid op de secundaire school bijeen. Hoe kan je de taalontwikkeling van leerlingen in de verschillende studierichtingen stimuleren? Hoe omgaan met taal in alle vakken? Hoe taalcompetenties opvolgen en evalueren? Hoe schrijf je een taalbeleidsplan? En hoe werk je met een team dat taalbeleid uit?

Zie de Inhoudsopgave [PDF]

Bij de presentatie van hun boek brengen de auteurs alvast de volgende boodschap over dat taalbeleid op school:

“Alle leerkrachten gaan van ’s morgens vroeg tot laat in de namiddag met taal aan de slag: ze gebruiken taal om hun leerlingen te onderwijzen, om met hen een band te smeden, om hen te evalueren, om hen huistaken te geven, enzovoort. En leerkrachten vragen ook de hele dag dat leerlingen taal gebruiken: dat ze luisteren, praten, schrijven en lezen in allerlei uiteenlopende situaties. In alle vakken gebeurt dat, niet alleen tijdens de taalactiviteiten. Elke leerkracht zal daarbij, bewust en onbewust, zijn taalgebruik en taaleisen aanpassen aan de leerlingen die hij voor zich heeft. De vraag is dan: wanneer wordt dat dagelijks omgaan met taal een echt 'strategisch' en 'structureel' taalbeleid op school?

Taalbeleid krijgt op een secundaire school systematisch vorm als een schoolteam:
- bewust stilstaat bij wat alle leden van het team concreet met taal doen en zich afvraagt hoe effectief en efficiënt dat is voor de ontwikkeling van de leerlingen;
- beslist aan welke problemen en zwaktes prioritair aandacht moet worden geschonken;
- voor die prioritaire aandachtspunten doelstellingen bepaalt en aan die doelstellingen gepaste acties verbindt;
- die acties met alle betrokkenen probeert uit te voeren;
- het effect van die acties evalueert en waar nodig bijstuurt.
Een taalbeleid begint en eindigt bij de leerlingen. Het komt tot leven in de dagdagelijkse preventieve acties op het vlak van taal die alle leerkrachten in de klas nemen ten behoeve van het leerproces van de leerlingen. Het moet staan voor de gezamenlijke inspanning van alle schoolteamleden om het gebruik van taal in het onderwijs zo goed mogelijk aan te passen aan de noden van de leerlingen, zonder bepaalde kwaliteitsnormen in het gedrang te laten komen. De ultieme toetssteen voor een geslaagd taalbeleid is dus niet hoe tevreden de leerkrachten of de directie erover zijn maar of de leerlingen, dankzij de uitvoering van het taalbeleid, sterker tot ontwikkeling komen.

Van deze basisboodschap is het hele handboek doordrongen. De vele praktijkvoorbeelden, ideeën en argumenten die in dit boek werden beschreven, wapenen de lezer hopelijk om in hun school een echt taalbeleid tot leven te brengen.”

ISBN: 978-903348075-1 – 280 blz. – prijs: € 30.
Meer info: www.acco.be

Taalportaal Nederlands en Fries

 

Het Taalportaal richt zich op het ontwerp, de ontwikkeling en de implementatie van een virtueel taalinstituut, een digitale gedistribueerde bron van kennis over de grammaticale eigenschappen van het Nederlands en het Fries.
Het portaal zal de beschikbare informatie over de grammatica van het Nederlands en het Fries (klankleer, vormleer en zinsleer) op een toegankelijke en wetenschappelijk verantwoorde manier bij elkaar brengen. Het project wordt geleid door een consortium (Meertens Instituut, Fryske Akademy, Instituut voor Nederlandse Lexicologie, Universiteit Leiden) en uitgevoerd door onderzoekers van deze instellingen en andere Nederlandse universiteiten. Het project wordt mogelijk gemaakt door een aanzienlijke investeringssubsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek NWO.
Het Meertens Instituut treedt op als penvoerder, in samenwerking met de Universiteit Leiden, de Fryske Akademy en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Bij de feitelijke totstandkoming zijn vele binnen- en buitenuniversitaire instituten betrokken.

Het project is op 1 januari 2011 van start gegaan. Een heldere inleiding op de plannen en doelen is te vinden via de volgende link: klik hier

Bron: http://www.taalportaal.org/index.php/nl


21 maart 2011


Ideeënboek sociale media in het onderwijs - Erno Mijland

 

Inleiding

Sociale media zijn internettoepassingen, waarmee mensen online met elkaar in contact
kunnen komen. Je kunt ze op een informele manier en voor je plezier gebruiken, maar ook voor samenwerking op afstand én om met en van elkaar te leren. Voor het onderwijs is met name dat laatste van belang.


Op vrijdag 18 februari 2011 verzorgde ik in opdracht van SchoolnetBrabant.nl een workshop
over sociale media in het onderwijs. Na een introductie op het thema gingen de deelnemers aan de slag met het bedenken en beschrijven van een praktische toepassing van sociale media in het onderwijs.

Een van de kenmerken van sociale media is dat je tijd- en plaatsonafhankelijk kennis kunt delen en kunt samenwerken. Om die invalshoek te illustreren, leek het me een mooi experiment de buitenwereld bij de workshop te betrekken. Voor wie er niet bij kon zijn, maar wel mee wilde doen, bood ik op mijn weblog een artikel aan met de samenvatting van mijn introductie en een beschrijving van het praktijkgedeelte. Om het aantal deelnemers zo groot mogelijk te maken, postte ik aankondigingen van deze activiteit in een aantal LinkedIngroepen en op Twitter (hashtag: #smiho).

Voor het verzamelen van de lesideeën gebruikten we de formulier-functie van Google Docs. Het formulier dat de deelnemers in moesten vullen, correspondeerde met het format dat ik had opgesteld voor het beschrijven van het lesidee. De ingevulde gegevens kwamen binnen in een online spreadsheet, waar ik ze vervolgens uithaalde om ze te verwerken en redigeren in deze verzamelbundel.

Op maandagochtend, 21 februari, 8.30 uur was de deadline. Ik was aangenaam verrast door de creatieve energie die vrij was gekomen op één vrijdagmiddag en in één weekend. Wat een mooie, diverse oogst! En wat een toewijding: er kwam zelfs een inzending binnen om half een in de nacht van zaterdag op zondag. Aan iedereen die heeft bijgedragen daarom een ‘thumbs up’ en veel dank voor de inspiratie!

Het resultaat is deze bundel met ideeën. Sommige gaan over een heel specifiek onderwerp, andere zijn breed inzetbaar. Met een aantal kun je direct aan de slag, andere zul je nog moeten vertalen naar je eigen praktijk. Volg de instructies nauwgezet of ga er losjes mee om, schaaf bij op basis van ervaring, vraag feedback aan je leerlingen of studenten en... deel je inzichten met je netwerken.

Erno Mijland

onderwijsjournalist/schrijver, trainer en adviseur
auteur ‘Nu leren voor morgen’
mede-auteur en -eindredacteur leergang ‘Slimmerkunde
www.ernomijland.com


Inhoud
Learning apart together 4


Over het format 7

1 Overhoringen delen met Wrts 8
2 Een klassenblog met Blogger 9
3 Een Guyku gedichtenbundel met Google Docs 10
4 Een opdracht visualiseren met Scribblar 11
5 School2School met Blogger 12
6 Een online enquête maken met Google Docs 13
7 Droombaan 14
8 Skype Discovery 15
9 Hoe wonen de mensen in... 16
10 Online imago 17
11 Psychofarmacologie database met PB Works 18
12 Voedselweb met Scribblar 19
13 Stelopdracht/instructiefilmpje met Screencast-O-Matic 20
14 Oriëntatie op de sector Zorg en Welzijn 21
15 Mindmappen met Mindmeister 22
16 Kennisdatabase maken met Evernote 23
17 Online leerstrategieën bij afwezigheid docent 24

Hall of Fame: de makers van deze bundel 25

Overzicht besproken online tools 26

Twee commerciële oplossingen 27

Een gratis workshop op uw school? 27


Download smiho.pdf
 

DIDACTIEK NEDERLANDS AAN ANDERSTALIGEN
Postacademische vorming Universiteit Antwerpen

 
  • Geeft u Nederlands aan anderstaligen in een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers of in het volwassenenonderwijs? Of zou u dat graag doen?
  • Zoekt u manieren om de taalvaardigheid van uw leerlingen of cursisten te verhogen?
  • Wilt u weten welke rol grammatica speelt bij taalverwerving of bent u geïnteresseerd in de meest recente visie op woordenschatdidactiek?

De postacademische vorming Didactiek Nederlands aan Anderstaligen van de Universiteit Antwerpen – die voor de 20ste keer ingericht wordt - neemt voor u de vraagtekens weg. Met hun rijke leservaring in verschillende circuits binnen het onderwijs Nederlands aan Anderstaligen staan de lesgevers garant voor een sterk praktijkgerichte aanpak met een degelijk theoretisch fundament.

Meer informatie?

http://cnoserver.cde.ua.ac.be/cno/infoDNaA.htm


Download de folder



Piet Hein van de Ven neemt “afscheid” en werd mooi gevierd

 





Meer dan 30 jaar heeft Piet Hein van de Ven o.m. in het Instituut Leraar en School van de Universiteit Nijmegen de didactiek van het Nederlands bestudeerd, onderzocht en onderwezen. Hij heeft de wettige leeftijd bereikt om afscheid te nemen. Maandag 20 juni 2011 is dat op een luisterrijke en toch gemoedelijke manier gebeurd.

Er stond eerst het internationaal symposium ‘The state of Art in L1/mother Tongue Education’ op het programma met een vergelijkende visie op de stand van het onderwijs eerste taal waarbij dat werd voorgesteld respectievelijk voor Noorwegen door dr. Laila Aase, voor Canada door prof. dr. Mary Kooy en voor Australië door prof. dr. Brenton Doecke. Veel was er gemeenschappelijk in die landen, andere aspecten waren wel erg specifiek, maar alleszins werden er een aantal opmerkenswaardige ideeën voorgesteld. Prof. dr. Jaak Kroon, eerder een aantal jaren verbonden aan de Universiteit Nijmegen maar nu werkzaam aan de Universiteit Tilburg, leidde op levendige wijze de interactie van het publiek met de presentatoren. Niet alle vragen konden binnen de beschikbare tijd aan de orde komen. Uitvoerig en competent speelden de drie panelleden in op de thema’s die vanuit de zaal werden voorgebracht.


Prof. dr. Peter-Arno Coppen fungeerde als zaalvoorzitter voor de hele namiddag.



Na een ontvangst van de gasten in de foyer van de universiteitsaula nodigde hij iedereen uit in de Academiezaal voor het afscheidscollege van Piet Hein van de Ven. De zaal liep ruim vol voor deze unieke les, die de gevierde bracht onder de titel “… maar vraag me niet om na te denken”, die Piet Hein ontleende aan een uitspraak van een leerling bij een schrijfopdracht in de klas. Die wilde wél meewerken, maar… Op een vlotte en pittige manier onderhield dan de gevierde het geboeide publiek gedurende een vijftal kwartier over theorie en praktijk, over de betekenis en grondslag van dat onderwijs. In zijn dankwoordje was het Piet Hein toch even te veel toen hij de nagedachtenis opriep van één van zijn eigen leermeesters. In een aangename treffende bij wijlen humorvolle stijl die toch even deed denken aan Godfried Bomans kreeg Piet-Hein van de Ven vanwege Peter-Arno Coppen een korte lofrede toegedicht en dan ontving hij nog een geschenk als aandenken en zijn dame kreeg de fleurige ruiker bloemen. Piet-Hein mocht dan als eerste naar de Anton van Duinkerkenzaal voor de receptie. Daar kreeg iedereen de gelegenheid om de gevierde nog persoonlijk te feliciteren.

Met wat extra cadeautjes en met een voor hem getoonzet liedje mocht hij vergenoegd gezeten op een stoel vanwege zijn collega’s in het Instituut nog een bijkomende hulde in ontvangst nemen. Buiten naast het aulagebouw zat Thomas van Aquino op zijn standbeeld, met open boek en met nadenkende blik en hij vond dat het goed was. Piet Hein van de Ven heeft zijn dagje keurig gekregen en de gasten waren blij met hem. We onthouden ook nog uit de toespraak van Peter-Arno Coppen dat Piet Hein nog gedeeltelijk actief blijft en dat wij van zijn hand binnenkort nog een handboek voor de didactiek van het Nederlands mogen verwachten. Ook kijken we uit naar het huldealbum dat even na zijn afscheidscollege van de pers komt.

Piet-Hein van de Ven, neerlandicus – didacticus bij uitstek

De uitnodiging voor zijn afscheidscollege op maandag 20 juni 2011 beschrijft zijn loopbaan als volgt:

“Piet-Hein is zo langzamerhand een van de bekendste Neerlandici geworden in de nationale en internationale didactische gemeenschap. Hij is een graag gezien (en twee maal onderscheiden) gast op congressen en symposia, en een gewaardeerd lid van diverse verenigingen en commissies op het gebied van de moedertaaldidactiek in binnen- en buitenland.
Zijn loopbaan bevat alle elementen die ertoe doen: 8 jaar leraar Nederlands (1970-1978), 20 jaar halftijds universitair docent (gecombineerd met het huisman- en vaderschap) bij de vakgroep Nederlands (1978-1994) en Bedrijfscommunicatie (1994-1998), en in totaal 33 jaar betrokken bij de Nijmeegse lerarenopleiding (1978-2011), waarvan 13 jaar (1998-2011) als universitair hoofddocent.
Tussen de bedrijven door (!) promoveerde hij in 1996 bij prof. dr. Wolfgang Herrlitz op een imposante dissertatie, waarvan de titel tekenend is voor zijn breed uitwaaierende overzicht over het vakgebied (Moedertaalonderwijs, Interpretaties in retoriek en praktijk, heden en verleden, binnen- en buitenland). Hij schreef een paar honderd publicaties op zijn vakgebied.
Binnen het Instituut voor Leraar en School geldt Piet-Hein als de samenbindende primus inter pares, die staat voor de wetenschappelijke kwaliteit van een op de praktijk gerichte opleiding.”

Vanuit Vlaanderen mochten Frans Daems, André Mottart en ikzelf aanwezig zijn tijdens het symposium en het afscheidscollege.

Ghislain Duchâteau



Het nieuwe “Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands (ANNA)”


 

Em. prof. dr. Willy Martin, lexicoloog en lexicograaf, is de ontwerper van een nieuw woordenboekmodel: het amalgatiemodel waarin de twee talen samengevoegd of in elkaar geschoven zijn in één boekdeel voor beide talen. In het woordenboek worden de Nederlandse woorden in gewone drukletter, in romein, weergegeven, de Afrikaanse in cursiefletter, zodat de talen binnen een artikel perfect van elkaar te onderscheiden zijn. Dat amalgatiemodel kan worden toegepast, omdat de talen zo verwant zijn in betekenis en vorm dat ze samen beschreven kunnen worden.

In een interview zegt hij over het project:
“Voor zo’n aparte situatie heb je een bijzonder woordenboek nodig en op een gegeven moment zag ik heel duidelijk in hoe we het zouden gaan doen: om de overeenkomsten en de verschillen in één oogopslag duidelijk te maken, staan de Nederlandse en Afrikaanse trefwoorden door elkaar in plaats van in twee afzonderlijke delen. ANNA is daarmee het enige echte contrastieve, geamalgameerde woordenboek. Dat amalgamatiemodel was nog nooit eerder toegepast en ik had best wat koudwatervrees maar kijk, het is goed uitgedraaid... Het model is ook perfect bruikbaar voor andere talen die dicht bij elkaar liggen, zoals de zwarte talen in Zuid-Afrika.” Martin bedoelt hier o.m. de Afrikaanse talen uit de Nguni-familie met Xhosa, Zoeloe, Ndebele en Swati en de Sotho-familie met Sesotho sa Leboa, Sesotho en Setswana. Ook Slavische talen vertonen grote verwantschap: Servisch, Kroatisch, Sloveens, Tsjechisch, Slovaaks. Dat geldt beslist ook voor de Scandinavische talen. In een ruimer perspectief zou dat de harmonisering van verschillende culturen kunnen bevorderen. Het hele project voor ANNA duurde elf jaar, een normale termijn voor een woordenboek.

Bron: Campuskrant Tijdschrift van de K.U. Leuven – nr. 9 van  25 mei 2011.

Tekening van Willy Martin van de hand van
Anne Van Herreweghen

Het Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands – ANNA – bevat één boekdeel, maar naar de inhoud is het tweedelig. In een eerste deel worden de lexicale woorden uit de twee talen beschreven. Dat zijn zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden en tussenwerpsels. Het beslaat met inleiding 2177 bladzijden. In het tweede deel, het ‘Nawerk’, komen in aparte onderdelen respectievelijk de functiewoorden (in woordgroep of zin) in een grammaticaal compendium, de lijst met de onregelmatige Nederlandse werkwoorden, de geografische namen en de afkortingen.  Het grammaticaal compendium bevat enkel de functiewoorden met voorzetsels, telwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden en lidwoorden van bladzijde 2180 tot 2212.

Het geamalgameerd woordenboek is in de eerste plaats een vertaalwoordenboek, in de tweede plaats is het ook contrastief: aan de gebruiker worden verschillen en gelijkenissen tussen woorden en de betekenissen in de twee talen op een overzichtelijke en systematische wijze getoond. En prettig N grasduinen / A rondsnuffel in het woordenboek is uiteraard ook mogelijk.

Ere wie ere toekomt.
Naast hoofdredacteur Willy Martin vormden de redactie:
Else Boekkooi, Rufus Gouws, Isa Maks en Luc Renders en werkten mee aan de redactie:
Karlien Cillié, Adri van Eeden, Daniël Hugo en Martien Schrama.

G. D.

Lees ook "Woordfeest voor een grappige taal - Groot woordenboek Afrikaans en Nederlands" auteur Lennie Stinissen


‘Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands’, Het Spectrum, 2.228 blz., 69,99 euro


   

Levende Talen vierde zijn 100-jarig bestaan – NDN feliciteert

     
   

27 mei 2011 viering in Amsterdam

Bij het Netwerk Didactiek Nederlands is het jubileum van Levende Talen niet onopgemerkt voorbijgegaan.
In elk geval feliciteren wij heel van harte de vereniging met dit heuglijk gebeuren.
Wij sluiten ons ook aan bij de koestering om er nog 100 jaar bij te doen. Daartoe wensen wij de vereniging ook voor de toekomst een stevige wind in de zeilen.
Alleszins verdient deze viering nu nog meer dan even wat aandacht.
Via doorverwijzingen geven we onze lezers toegang tot enkele van de belangrijkste activiteiten die het jubileum stofferen. Bij de jubileumuitgave blijven we wat langer toeven.

Welkomsboodschappen

Interview Radio 1 met de Voorzitter Levende Talen Toon van der Ven - 1:56'

Website Talenxpo.nl gelanceerd tijdens jubileum

Tijdens het middagprogramma van de viering van het 100-jarig bestaan van Levende Talen op 27 mei 2011 in Amsterdam is de website 'Talenexpo' gelanceerd: een bijzondere website over de geschiedenis van het modernevreemdetalenonderwijs in het algemeen en Levende Talen in het bijzonder. Exploratie van de site sterk aanbevolen.

SYMPOSIUM

Op 27 mei 2011 vond van 10.30 - 12.30 uur in het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) een symposium plaats met als titel: "En nu op weg naar het taalonderwijs in de komende honderd jaar".

Denkend aan de toekomst van het taalonderwijs schetst de symposiumcommissie het volgende beeld:

Zitten er over honderd jaar nog altijd dertig leerlingen in drie rijen, twee- of driewekelijkse lesuren van vijftig minuten in een leslokaal met een taalleraar die van hoofdstuk 1 van de leergang via het werkboek naar hoofdstuk 2 werkt? Of: een school zonder klassen, misschien meer als sociale ontmoetingsplaats? Leren kan overal: in sociale netwerken, virtuele leeromgevingen, met een docent op afstand die leerlingen individueel taalvaardigheid bijbrengt of met behulp van robots die spraak kunnen herkennen. Aan de andere kant moeten we er rekening mee houden dat veranderingen in het onderwijs traag verlopen en dat al die in 2011 te voorspellen nieuwigheden weinig of geen kans maken in het traditionele klaslokaal.

JUBILEUMUITGAVE:

HONDERD JAAR LEVENDE TALEN 1911-2011 – VERLEDEN EN TOEKOMST VAN HET TAALONDERWIJS

In mei 2011 verscheen deze jubileumuitgave die bestaat uit twee delen:
1. TERUGBLIK Levende Talen vanaf 1911 tot heden - onder redactie van Arie Hoeflaak.
2. TOEKOMST Van heden naar toekomst met als thema 'Zijn taaldocenten innovatief?' - onder redactie van John Daniëls.

Deel 1 was echt geschikt om met veel zekerheid terug te blikken op een mooi verleden. Deel 2 daarentegen is een greep op basis van tekens of signalen naar een toekomst die bijlange niet zo zeker is als men kan veronderstellen. Het is wat in de wolken krabben. Met een zijdelingse blik op de artikels die anders gericht zijn, hebben wij onze aandacht  toch  voornamelijk georiënteerd naar de stukken rond het onderwijs Nederlands. Piet-Hein van de Ven schetst in zijn artikel ‘Het schoolvak Nederlands in honderd jaar: Een beschouwing’ in kort bestek de opeenvolgende opvattingen binnen het vigerend gedachtegoed van de didactiek van het Nederlands. Van het literair-grammaticale paradigma eind 19e eeuw – dat nu nog pertinent voortleeft – ging het naar een individueel-expressief paradigma in het eerste kwart van de 20ste eeuw, dan naar het communicatief paradigma in de jaren 1970 en in de jaren 1980 leven de drie naast elkaar voort. Bij de recente ontwikkelingen manifesteert zich het pragmatisch taalonderwijs dat minder uitgaat van een theoretische of vakdidactische verkenning maar meer van officiële eindtermen en exameneisen. Het discours is dan erg verminderd. Discussiefora als Moer, Spiegel, Tsjip zijn verdwenen. Standaardisering komt duidelijker aan de oppervlakte. Het communicatief-emancipatorich paradigma is geëvolueerd naar een communicatief-utilitair paradigma met vakonderdelen als argumentatie, gedocumenteerd schrijven van zakelijke teksten en het schrijfdossier. Bijkomend is de eis tot mondelinge taalvaardigheden. Karakteristiek is ook de toenemende digitalisering en visualisering van het schoolvak. Sterk vernieuwend is eveneens de oriëntering op taalgebruiksprocessen en reflectie. Daarbij komt het perspectief van taalontwikkeling bij andere vakken. Deze ontwikkelingsvisie stoelt P.H. van de Ven o.m. op een bevraging via e-post van zowat dertig leraren en twintig lerarenopleiders Nederlands (pp.20-25). ‘De strijd voor taalkunde in het schoolvak Nederlands. Na veertig jaar eindelijk voet aan de grond?’ van Hans Hulshof en Peter-Arno Coppen volgt daarop. De eindbalans is blijkbaar licht in het perspectief van de mogelijke implementatie van taalkunde in de voortgezet onderwijs in Nederland (pp. 26-30). ‘Honderd (en nog wat) jaar literatuuronderwijs Nederlands’ kwam van Joop Dirksen. Ook hij schetst de grote opeenvolgende en naast elkaar levende tendensen in het literatuuronderwijs. Een hele eeuw lang vanaf 1870 tot 1970 domineerde daarin de historisch-biografische benadering waarbij met de hulp van een boek een overzicht werd gebracht van de Nederlandse literatuurgeschiedenis gecombineerd met het lezen van tekstfragmenten. De appreciatie van literatuur met het begrip ‘leesplezier’ ontstond vanaf 1978 en 1980 vanuit de handboeken over moedertaaldidactiek. Begrijpen en genieten leefden van toen af naast elkaar. Met ‘indringend’ en later ‘inlevend lezen’ bracht dr. W. Drop close reading en een structuuranalytische benadering van literatuur aan de orde. Daarmee werd ‘objectiviteit’ als principe bij literatuurbenadering opzij geschoven. Bij de discussie voor de invoering van de tweede fase in 1998 stonden twee soorten aanhangers tegenover elkaar: het cultuurkamp (met Jo Dautzenberg) en het leeservaringskamp (met Joop Dirksen zelf). Het al dan niet verplicht invoeren van het leesdossier was één van de inzetten van de discussie. Toetsing van literatuur is evenzeer een knelpunt in het literatuuronderwijs. ICT kan als het oordeelkundig ingeschakeld wordt een pluspunt zijn. Joop Dirksen eindigt optimistisch met te stellen dat in een aantal opzichten flinke stappen voorwaarts zijn gezet met o.m. belangrijke literatuurdidactische dissertaties, aandacht voor het keuzeproces van de leerlingen en voor een doorlopende leerlijn in het fictie- en literatuuronderwijs (pp. 32-36).
En wat zal het ERK nog brengen voor het talenonderwijs en ook voor het onderwijs Nederlands?

Al met al is deze jubileumuitgave met zijn korte indringende bijdragen een bijzonder mooi en te waarderen sluitstuk in de viering van honderd jaar Levende Talen. Ze verdient ruime verspreiding en leidt tot boeiende inzichten in dat wat ons dierbaar blijft: het taalonderwijs.

Nogmaals proficiat aan Levende Talen, die Joop Dirksen in het slot van zijn bijdrage een ‘prachtvereniging’ noemt (p. 35).


Ghislain Duchâteau, voorzitter NDN



   
   

Welke is de moeilijkste taal om te leren?

     
   

Dit is een van de meest voorkomende vragen die ik als linguïste ontvang: welke is de moeilijkste taal om te leren? Het korte antwoord: hoe meer de doeltaal verschilt van de taal of talen die je al spreekt, des te zwaarder is het om die taal te leren. Onder de meer populaire talen zou het zijn dat Oosterse talen als Chinees (Mandarijns, Kantonees, enz.) Japans en Arabisch moeilijker zijn dan Europese talen (Frans, Spaans, Duits, enz.). Maar als je natuurlijk probeert een Australische inboorlingentaal te leren als Dyirbal of een taal uit de Amazone als Piraha, zal dat zeker nog moeilijker zijn. Verder haalt Asya Pereltsvaig de drie belangrijkste moeilijkheden aan die steeds vermeld worden in verband met de “moeilijke talen”:

  • Dialectverschillen die leerders ervaren als ze buiten de klas in gesprek komen met de taalgebruikers
  • Een ongewoon schriftsysteem, dat moeilijkheden oplevert als je de geschreven vorm van een taal wilt leren
  • De ervaren frequentie van uitzonderingen op de grammaticale regels, die toch wel gecompliceerder zijn dan je in de lessen leert. Maar als je de weinig frequente maar onregelmatige vormen (bv. de hoofdvormen van de Engelse sterke werkwoorden) leert, is dat geen onoverkomelijk probleem.

Asya Pereltsvaig

Zie de blogspot van Asya Pereltsvaig: Languages of the World 1 juni 2011

 

   
    Ontwikkeling instrument zelfbeoordeling digitale schrijfvaardigheid
     
   


In 2007 diende het Nederlands / Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs een veldaanvraag in bij de SLO voor de beschrijving van de talige startcompetenties voor het hoger onderwijs. Het project is in 2008 uitgevoerd door Helge Bonset en Hans de Vries van de SLO. Het project is afgerond en sinds 15 september 2009 is de beschrijving beschikbaar gekomen op de site van de SLO. Er zijn twee niveaus beschreven: startcompetenties voor hbo en voor een universitaire opleiding.

Aansluitend daarbij dient in 2011 hetzelfde platform samen met het Sectiebestuur Nederlands Levende Talen, het Rijswijks Lyceum / Atlas Onderwijsgroep en de Haagse Hogeschool een nieuwe veldaanvraag in bij de SLO. De in de eerste aanvraag verzochte nadere concretisering van de niveaubeschrijving in de vorm van een instrument voor selfassessment bleek toen niet haalbaar. In 2010 voert Theun Meestringa, als tussenstap, een onderzoek uit naar kenmerkende schrijftaken in het hoger onderwijs. Die oefening levert aanknopingspunten voor de volgende stap, namelijk: de ontwikkeling van een instrument voor zelfbeoordeling (selfassessment) in de vorm van een scorelijst/vragenlijst (can-do statements) gecombineerd met toetselementen om het verschijnsel van overschatting van eigen kunnen te minimaliseren en de mogelijkheid om bewijzen in te voeren (portfolio-element). De zelfbeoordeling maakt zichtbaar welk niveau bereikt is, wat al beheerst wordt en waar nog aan gewerkt moet worden. In de uitwerking wordt nadrukkelijk uitgegaan van schrijfvaardigheid / schrijfproces voor schrijven met tekstverwerker en andere vormen van digitaal schrijven (en niet van schrijven met de hand). Het doel van het instrument is een bijdrage te leveren aan de aansluiting van het V.O of S.O.en het M.B.O aan het hoger onderwijs door het vormgeven van een doorlopende leerlijn op het terrein van de eigen taalvaardigheid(sontwikkeling) van de leerling, deelnemer of (aspirant) student.

Het instrument wordt ingezet als diagnostisch instrument in het eerste jaar van het hoger onderwijs om zichtbaar te maken waar eventuele hiaten zitten. Het instrument kan ook ingezet worden in het voortgezet onderwijs, mbo en het schakeljaar hoger onderwijs om duidelijk te maken hoe ver de leerling / deelnemer of student van het streefniveau is en waar nog aan gesleuteld moet worden (doorlopende leerlijnen).

(Aspirant) studenten, deelnemers of leerlingen zouden via het instrument zelfbeoordeling kunnen meten wat hun niveau is, bewijzen van behaalde resultaten kunnen invoegen en aan de hand daarvan kunnen bepalen waaraan zij nog moeten werken (portfoliomethodiek, maatwerk en zelfregie). Het instrument beoogt een verbetering van het niveau van in eerste instantie de schrijfvaardigheid van studenten hoger onderwijs, en wil een bijdrage leveren aan de invulling schrijfvaardigheid in de tweede fase voortgezet of secundair onderwijs en mbo-4 (doorstroom naar hbo). Het is de bedoeling dat het instrument zowel in Nederland als in Vlaanderen geïmplementeerd wordt.


   
    Actua op de NDN-webstek - http://www.netdidned.be
     
    * Arnon Grunberg krijgt de vijfjaarlijkse prijs voor proza van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor zijn roman 'Tirza' - 6-7-2011
* Harry Potter leeft voort in "Pottermore"
* Afrikaanse somerskool 19-23 september 2011 - Universiteit Gent / Vlaanderen-België
* Martine Tanghe kreeg de LOF-prijs voor de Nederlandse taal - 26-5-2011
* Libris literatuurprijs voor Yves Petry met zijn roman "De maagd Marino" 9-5-2011
* Website over meertaligheid
     
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • Ghislain Duchâteau, voorzitter
  • José Vandekerchove, vicevoorzitter
  • Marc Smolenaers, secretaris
  • An De Moor, bestuurslid
  • André Mottart, bestuurslid
  • Dorothea Van Hoyweghen, bestuurslid
  • Frans Zwitserlood, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

Graag zien wij collega's actief meewerken met ons.
Wie meldt zich aan voor een plek in het NDN-bestuur?
Stuur ons een e-postberichtje op info@netdidned.be.
We nemen dan meteen contact op.


Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 20
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB van NDN, Wilrijk -

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be