Secretariaat:
p/a UA - Centrum Nascholing Onderwijs (CNO), Universiteitsplein 1, B-2610 Wilrijk
Verantwoordelijke uitgever: M. Smolenaers, Galgenbergstraat 73A – 3511 Kuringen
23- 1, oktober, november, december 2010
     
In deze nieuwsbrief:
Intro
HSN-Conferentie Gent
19-20 november 2010
De manke usurpator - studie- en discussiedagen rond Verkavelingsvlaams
Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs.
Een inventaris van empirisch onderzoek
Ewoud Sanders op het internet
Leesstrategieën vanuit het werkveld gezien
Nederlands in de Nederlandse Grondwet
Norm voor gesproken taal? Jo Daan
Nederlands in België
Taalbeleid. Een getuigenis vanop de werkvloer
Rudi Vranckx spreekt Vlaams...
Artikels die het actuele taalprobleem stellen in Vlaanderen
Svetlana Bolshakova over taal
Velon-Velov - congres 2010: Opleiden voor de toekomst...
Studie toont aan dat online onderwijs beter is dan klassikaal onderwijs
Vertaling van knappe Zuid-Afrikaanse romans in het Nederlands
Beschikbaar in ons NDN-archief:
 
De oudere nieuwsbrieven in e-zinevorm kunt u opvragen bij de redactie.
Zie Colofon
NDN-Nieuws 22-4
 
NDN-Nieuws 22-3
 
NDN-Nieuws 22-2
 
NDN-Nieuws 21-3
 
NDN-Nieuws 21-2
 
NDN-Nieuws 21-1
 
 
 
 
 

Intro
 

L.S.

Hierbij presenteren wij aan onze leden en sympathisanten de eerste aflevering van de nieuwe jaargang van het NDN-Nieuws. We beginnen daarmee de 23ste jaargang, die zal lopen over het academiejaar 2010-2011.

Dit e-zine bevat een verscheidenheid aan artikels, is nog wat ruimer uitgewerkt dan de vorige editie, maar legt toch in het geheel opnieuw de klemtoon op de positie en de status van het Nederlands. Wij verwachten dat onze taal in de Nederlandse grondwet wordt verankerd en dat is goed. Wij blijven evenwel ook bezorgd voor de positie van het Nederlands in Vlaanderen dat onder steeds toenemende druk komt te staan. De zogenaamde tussentaal blijkt zich regionaal manifest op te dringen niet alleen in de gewone omgang maar ook duidelijk in het onderwijs. Leraren vragen zich af of ze nog wel Standaardnederlands moeten spreken met hun leerlingen. Lerarenopleidingen beginnen zich in dat verband ook vragen te stellen.

In deze editie van de NDN-Nieuwsbrief reiken we een aantal artikels aan, die de bedoeling hebben nogmaals na te denken over deze evolutie. Uw redacteur kiest hierbij heel duidelijk positie. Zijn visie is wel zijn persoonlijke kijk op de problematiek. Met de eminente Vlaamse taalkundige prof. em. dr. Jan Goossens en nog andere taalkundigen stelt hij dat het Standaardnederlands de enige waardevolle taal en cultuurtaal moet blijven in Vlaanderen. “Wij hebben geen tweede taal nodig.”

Uw redacteur wenst de positie van de standaardtaal vooral in het onderwijs te ondersteunen. Hij wenst de idee uit te dragen dat zowel onze onderwijsverstrekkers als onze studerenden op alle niveaus en in alle onderwijsvormen er belang bij hebben dat permanent een bewust verzorgd en adequaat Standaardnederlands wordt gehanteerd in de interactie. Vooral het gesproken Algemeen Nederlands naar formuleringsvermogen van de inhouden, naar uitspraak, woordenschat en syntaxis naar de vorm vereisen de nodige aandacht en zorg.

We willen dit inleidend tekstje besluiten met even de aandacht te vestigen op het bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands. Ons bestuurslid Tom Venstermans heeft zich om beroeps- en familiale redenen teruggetrokken. We willen van deze gelegenheid gebruik maken om hem bijzonder hartelijk te danken voor zijn waardevolle bijdrage in de werking binnen en buiten het bestuur van het NDN gedurende vele jaren.

Daarmee ontstaat echter een vacature voor het bestuur. Wij zouden die graag zien opgevuld met een of meer nieuwe krachten. Het bestuur vergadert  een vijftal keren per jaar op de stadscampus van de Universiteit Antwerpen en voor een bestuursfunctie is enkel enthousiame voor de didactiek van het Nederlands en wat organisatievermogen vereist. Wie wil de inzet opbrengen om een beetje van zijn tijd te besteden aan de voortzetting van de NDN-werking? We staan open voor nieuwe ideeën, nieuwe impulsen. Wij blijven bezorgd voor het handhaven van een vrijwilligersvereniging die zonder subsidiëring het wil blijven doen in functie van de bevordering van de didactiek van het Nederlands in Vlaanderen en in Nederland. Wie graag wil meewerken in het NDN-bestuur, late het zonder uitstel weten in een berichtje naar info@netdidned.be  Met haar of hem nemen we dan vlug contact op.

We hopen dat de lezers van dit e-zine de bijdragen in dit nummer op prijs kunnen stellen. We staan ook blijvend open voor reacties en commentaar. Stuur een mailtje of een uitgebreide mail naar keuze. NDN is een netwerk dat alle mogelijkheden biedt tot zinvolle interactie.


Vanuit het NDN-bestuur

Ghislain Duchâteau, voorzitter
en redacteur

 

24ste Conferentie Het Schoolvak Nederlands - vrijdag 19 en zaterdag 20 november 2010 - Gent

Een organisatie van Stichting HSN in samenwerking met
Hogeschool Gent, Departement Lerarenopleiding & Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde


 

Gastheer en locatie:

Hogeschool Gent
Lid van de Associatie Universiteit Gent

Campus Schoonmeersen
Voskenslaan 270
9000 Gent

Programma

Het Schoolvak Nederlands is een conferentie met parallelle programmakolommen: er vinden een tiental presentaties tegelijk plaats waartussen u vrijelijk kan kiezen. Bovendien kunt u op beide dagen de informatiebeurs bezoeken waarop Vlaamse en Nederlandse (educatieve) uitgevers en vakverenigingen hun publicaties voorstellen.

Hier vindt u de digitale folder (pdf, printversie).

Dagindeling

Vrijdag

10.30 u. tot 17.30 u. 4 rondes (lunch 13-14 u.)

Zaterdag

8.45 u. tot 13.45 u. 4 rondes (buffet 13.45 u.)

Secretariaat: hetschoolvaknederlands

Voor de stromen en de abstracts: klik hier

Alle verdere informatie op de website van HSN: klik hier

 

De manke usurpator –
studie- en discussiedagen over Verkavelingsvlaams

Stadscampus Universiteit Antwerpen maandag 18 – dinsdag 19 oktober 2010

 

The essence of language is friendship and hospitality.”
Emmanuel Levinas

Twee recente citaten uit de discussiebladzijde van de website (http://demankeusurpator.wordpress.com/discussie/):

“Ondertussen blijft taal een machtig wapen in de klassenstrijd, maar de vraag is hoelang dit nog zal duren. Op de universiteit wordt steeds meer dialect gesproken en we hebben zelfs in de letteren studenten die geen Algemeen Nederlands meer kunnen spreken omdat ze ook op de lagere en de middelbare school aan Beschaafd Antwerps genoeg hadden. Vorig jaar had ik twee studenten die hun mondeling examen in het Antwerps aflegden en die onafhankelijk van elkaar het excuus gaven dat ze zich jammer genoeg voor de middagdut niet genoeg konden concentreren om ook nog eens op hun taal te letten. En toen een collega (niet in de letteren, dit keer) een student tijdens een mondeling examen vroeg om verder toch maar Nederlands te spreken was het oprecht verbaasde antwoord: ‘En wa sprejkekik dan? Chinees, of wa?’ Die jongen zal het ver brengen. In Groot-Antwerpen.”

Geert Lernout (LetterenLaser, 25 januari 2010)


“Om waarachtig te schrijven, schrijf ik zoals ik gebekt ben. Ik ga steigeren als een corrector van een Nederlandse uitgeverij mij probeert te verbieden om het over een tas koffie te hebben. Van de zes miljoen Vlamingen zal alleen een bescheten half percent het over een kopje koffie hebben. Wie eigent zich dan het recht toe om te beweren dat een tas een kopje moet zijn? Voor ‘Godverdomse dagen…’ heb ik dan ook een Vlaamse professionele meelezer geëist – daardoor weet ik nu dat er eigenlijk geen verschil is (lachje). Ik word baldadig als die Nederlanders me beknotten in mijn vrijheid van schrijven: dan ben ik zelfs geneigd om het over een sportkabas te hebben in plaats van over een sporttas - van sporttas willen die Hollanders eigenlijk ‘weekendtas’ maken.”

Dimitri Verhulst (Humo, 24 augustus 2010)


Alle informatie over 'De manke usurpator' - de studie- en discussiedagen op maandag 18 en dinsdag 19 oktober 2010 vindt u op de website:
http://demankeusurpator.wordpress.com/




 




Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs
Een inventarisatie van empirisch onderzoek
Door: H. Bonset en M. Hoogeveen
Uitgave: Enschede, 2010

 

9-9-2010

Resultaten van de vierde literatuurstudie binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO). Dit project inventariseerde het empirisch onderzoek naar taalonderwijs dat is uitgevoerd tussen 1969 en 2004. Deze studie behandelt het domein woordenschat. Hierbij komt zowel de inhoudelijke kant (lexicaal en semantisch) als de vormelijke kant (morfologisch) van woordenschatontwikkeling aan de orde. De ontwikkeling van de woordenschat speelt zich af binnen alle taalvaardigheidsdomeinen, maar is belangrijk genoeg om apart belicht te worden Dit zowel gezien de relatief grote hoeveelheid aangetroffen onderzoeken als vanwege de toegenomen maatschappelijke aandacht voor woordenschatontwikkeling, mede in het kader van de Doorlopende leerlijnen voor Taal en Rekenen.

Dit is een artikel van: Organisatie Recente publicaties

Meer informatie op de NDN-website:
Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hoogeveen - SLO – nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling – juni 2010

Downloads:
woordenschatontwikkeling-in-het-basisonderwijs.pdfWoordenschatontwikkeling in het basisonderwijs ( 1 MB )  

Een inventarisatie van empirisch onderzoek
http://www.slo.nl/organisatie/recentepublicaties/woordenschat/


Ewoud Sanders op het internet


 
Ewoud Sanders is taalhistoricus en taaljournalist

Hij is vaste medewerker van onder meer NRC Handelsblad en Onze Taal.
In NRC Handelsblad heeft hij wekelijks een taalcolumn, WoordHoek geheten.
De afgelopen jaren heeft hij diverse boeken geschreven, vooral over de geschiedenis van woorden en uitdrukkingen. Het zijn tot dusver meer dan 40 boeken. Een heel aantal van de boeken zijn niet meer te verkrijgen in de boekhandel. Hij stelt nu 29 van zijn publicaties gratis ter beschikking op het internet. Zo kunt u bijvoorbeeld Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands gratis als pdf downloaden.

Ook een heel aantal van zijn wekelijkse columns Woordhoek in NRC Handelsblad kunnen op het scherm worden opgeroepen. Daar zit vaak heel wetenswaardige informatie in over woord- en taalaangelegenheden en voor wie de tijd heeft is dat aangename en aantrekkelijke lectuur.

Ook geeft Ewoud Sanders geregeld lezingen over taal en massadigitalisering en workshops over digitaal documenteren en over slim zoeken op internet.

Hij is initiatiefnemer van het heel recente Meldpunt Taal en oprichter van het tijdschrift Trefwoord.


 

Leesstrategieën zoals leraren in het veld die zien

 

Dag,

Ik kreeg veel reacties op mijn vraag over het toepassen van leesstrategieën op het vmbo. Sommige tips en ideeën kan ik goed gebruiken. Dank voor alle mensen die hebben gereageerd. Misschien zijn er anderen die er ook wat aan kunnen hebben. Daarom in de bijlage een samenvatting.

Hartelijke groet

Pauline Zwart

List Nederlands 20-09-2010 10:06


Dag,

Ik geef al jaren les in de bovenbouw van het vmbo en loop hetzelfde aantal jaar aan tegen de leesstrategieën die worden aangeboden, bijvoorbeeld in de methode Op Nieuw Niveau (overigens worden volgens mij in elke methode leesstrategieën op dezelfde wijze uitgelegd).
Leerlingen moeten de volgende leesstrategieën herkennen en gebruiken:
globaal lezen, scannend lezen, intensief lezen, studerend lezen en begrijpend lezen. Ook kritisch lezen heb ik voorbij zien komen.
Scannend en studerend lezen kan ik goed uitleggen, maar intensief (zeker in vergelijking met studerend)? En soms lees je toch ook een zakelijke tekst voor de leuk? (Een tekst in de Quest of zo?)  Deze strategie wordt niet genoemd.

Ik zie dat de leerlingen door deze gedetailleerde opsomming hun luiken helemaal dichtgooien voor dergelijke lesstof.

Jammer, want ik vind het wel zinvol om ze bewust te laten worden van de verschillende manieren om een tekst te lezen
Nu wil ik de volgende drie strategieën aanleren:
(elke tekst lees je eerst globaal - is geen strategie, moet je gewoon bij elke tekst doen)
daarna ga je
-studerend lezen - je wilt de tekst onthouden/leren voor bijv..een toets
-scannend lezen - je bent op zoek naar bepaalde informatie
-leuk lezen - het interesseert of vermaakt je

Is er iets tegen deze indeling in te brengen? Missen de leerlingen iets hierdoor?
Ik ben heel benieuwd naar jullie ideeën hierover!

Bedankt!

Groet,

Pauline Zwart

----------------------------------------------------------

De strategieën die je noemt zijn eigenlijk geen strategieën, maar manieren van lezen.
Leerlingen strategieën aanbieden zonder leesdoel heeft om te beginnen al weinig zin: je selecteert immers informatie uit een tekst op basis van wat je met die tekst wil en/of moet. Bovendien beschikken leerlingen al over strategieën en als ze zich ervan bewust worden en het effect ervan kennen, staan ze meer open voor andere strategieën die hun wellicht meer opleveren.
Bewust worden van strategiegebruik, het aanbieden van een nieuwe strategie levert meer op dan het aanbieden van manieren van lezen of het aanbieden van zgn. strategieën alsof het repetitiestof zou zijn. Het zijn handige hulpmiddelen om je leesdoel te behalen op een zo'n effectief en efficiënt mogelijke manier.

Volgens mij is er wel verschil tussen nauwkeurig (of intensief) lezen en studerend lezen.
Bij nauwkeurig lezen lees je de tekst van begin tot eind goed door, met als doel de inhoud te begrijpen. Dit kan dus zowel om een informerende tekst in b.v. een tijdschrift als om een amuserende tekst (fictie) gaan.
Bij studerend lezen lees je de tekst meer keren, maak je b.v. een samenvatting of een begrippenlijstje, enz. met als doel de belangrijkste informatie te onthouden. Dit doe je dus vooral bij schoolboekteksten als voorbereiding op een toets.

Intensief lezen wil zeggen dat je een tekst van a tot z grondig leest met het doel de gedachtegang te volgen en de hoofdzaken te begrijpen. Het is wat je leerlingen zullen moeten doen op het centraal examen, waarbij ze van hun vaardigheid blijk moeten geven door vragen te beantwoorden. Het is niet hetzelfde als studerend lezen, want het doel is bij dit lezen niet om de informatie te onthouden of te leren (voor een toets). Omdat deze vorm van lezen wordt gevraagd op het centraal examen, lijkt het me problematisch hem niet te onderwijzen. Je kan hem natuurlijk wel een andere naam geven!
In het echte leven lezen mensen intensief omdat de informatie hun interesseert (vergelijk jouw "leuk lezen") of omdat ze deze ergens voor nodig hebben, niet alleen bepaalde zaken eruit zoals bij scannend lezen, maar de hoofdzaken.

Op de vaardigheid in kritisch lezen wordt in het vmbo-examen Nederlands naar mijn indruk weinig beroep gedaan, anders dan bij havo/vwo, waar het als "argumentatieve vaardigheden" aan de orde komt. Maar zou enig contact ermee toch ook voor vmbo-leerlingen niet belangrijk zijn?

Het is goed dat je erop wijst dat mensen (en dus ook leerlingen) ook zakelijke (en niet alleen fictionele) teksten kunnen lezen "voor de leuk". Een andere vraag (waar ik geen antwoord op heb; jij misschien wel) is of daar wel een speciale strategie voor nodig is.

Globaal lezen vind ik in zoverre wel een aparte strategie, dat er nogal wat leerlingen zijn die iedere tekst op dezelfde intensieve manier lezen, als je ze niet leert dat globaal lezen ook een goede manier kan zijn, afhankelijk van je leesdoel. Aan de andere kant zijn er ook leerlingen die iedere tekst globaal lezen, en die moeten weer leren dat je daar niet (altijd) mee kan volstaan.

Is scannend lezen een betere term dan zoekend lezen? Kennelijk vindt Op Niveau dat, en dan moet je het daar maar mee doen.

De VO-methodes leren geen bruikbare strategieën aan!
Een methode die dat wel doet en ook zeer bruikbaar is in de bovenbouw van
het VMBO is www.nieuwsbegrip.nl.

Al in 2005 schreef Paul Filipia in JSW over de verwarring die er bestaat over het begrip leesstrategieën. In strikte zin zijn alle varianten van lezen die je noemt geen strategieën, maar leesdoelen. Al deze leesdoelen hebben eigen aanpakken.
Terecht merk je op dat globaal lezen geen strategie is, je hebt het inderdaad nodig bij het lezen van welke tekst dan ook, maar de vraag is natuurlijk of alle leerlingen de juiste aanpak hanteren bij globaal lezen. Hoe doe je dat?
Bij studerend lezen draait het inderdaad om het onthouden van de tekst (wat), maar ook hier geldt: hoe doe je dat? Bijvoorbeeld een vaardigheid als het maken van een samenvatting is daarbij van belang, maar ook: hoe onderscheid ik hoofd- en bijzaken?
Ik snap wat je wilt met "leuk lezen", maar ook dit is een leesdoel en geen strategie. Volgens mij zit "leuk lezen" voornamelijk op het niveau van gemotiveerd lezen, lezen waar je echt zin in hebt. In feite hanteer je bij deze vorm van lezen allerlei strategieën, maar het lijkt alsof het minder inspanning kost, omdat je intrinsiek gemotiveerd bent. Je onthoudt b.v. zomaar waar het over ging, zonder dat je echt studerend bezig bent geweest.

Kortom: de manieren van lezen (leesdoelen) die je wilt aanbieden zijn m.i. oké, onontbeerlijk zelfs, maar zijn gebaseerd op verschillende leesaanpakken/strategieën. Het is zaak hier voornamelijk aandacht aan te besteden.

Ik mis de fase 'Oriënterend lezen' die vooraf gaat aan globaal lezen. Hierbij 'kijken' ze naar Titel/tussenkopjes/bronvermelding/anders gedrukte woorden/illustraties. Hiermee kunnen leerlingen hun voorkennis activeren (moet je ze wel eerst bij helpen), voordat ze globaal gaan lezen. Deze fase gaat dan ook makkelijker. Dit geldt natuurlijk vooral voor zakelijke teksten.

Lijkt me geen probleem, maar ik zou bij 'studerend lezen' toevoegen dat je de tekst ook wilt begrijpen, anders krijgt onthouden/leren een nogal reproductief karakter.

Gedurende een jaar of vijf, misschien meer, heeft een werkgroep bij ons op school (Trinitascollege afd. Han Fortmann, Heerhugowaard) de leesvaardigheid proberen te verbeteren door onder meer bij alle vakken te laten oefenen met oriënterend lz, intensief lz en zoekend lz (ooit hadden we nog een 4e soort, ik weet niet eens meer welke), maar de werkgroep is gestopt.
Waarom? Behalve dat het moeilijk is om alle collega's van alle vakken hieraan te laten meewerken, bleek het effect op de leesvaardigheid niet aanwijsbaar. Ik geloof er ook niet meer in. Wel in: veel teksten (samen) lezen en bespreken, veel hardop laten lezen, ll. ertoe bewegen om thuis in krant, boek, tijdschrift te lezen.

Het lijkt me heel goed om dat aantal strategieën te verminderen en de strategie te koppelen aan het doel dat de lezer heeft.
Wat betreft je vraag, ik denk dat je een tekst ook intensief kunt lezen omdat je gewoon goed wilt begrijpen wat er staat, zonder dat je de inhoud hoeft te memoriseren. Jij plaatst dit nu bij leuk lezen, en dat lijkt me geen probleem.
Kritisch lezen hoef je naar mijn idee ook niet als aparte leesstrategie aan te bieden, maar leerlingen moeten wel weten dat ze niet alles hoeven te geloven wat gedrukt staat. Daar zou ik bij het behandelen van de andere strategieën dus wel aandacht aan besteden.

Er zijn verschillende manieren om te kijken of iets een leesstrategie is. Sommige mensen noemen iets pas een strategie als je het voor alle vormen van lezen kunt gebruiken. Ik ben het daarmee eens en onderscheid daarom andere strategieën. Ik beschouw kritisch lezen, globaal lezen enz. als vormen van begrijpend lezen. Ik heb wat informatie die ik met de mbo- studenten doorneem en wat docenteninformatie bijgevoegd. Misschien vind je het wat en kan je uit de voeten met de informatie.

Leesstrategieën vormen boeiende materie en tegelijkertijd is er in de
vakdidactiek geen eensluidendheid over wat nu precies een (lees)strategie
is.

Waarschijnlijk verschijnt er dit schooljaar nog een artikel van mijn hand in
JSW (blad voor leerkrachten uit het primair onderwijs) over het DMVS-model
waarin ik een onderscheid maak tussen Doelen, Manieren, Vaardigheden en
Strategieën. Voor de leesdidactiek gaat het dan natuurlijk om leesdoelen,
leesmanieren, leesvaardigheden en leesstrategieën. Ik haal dit model hier
kort aan omdat ik de vermenging van begrippen ook in jouw mail lees.

Je schrijft: "En soms lees je toch ook een zakelijke tekst voor de leuk?
Deze strategie wordt niet genoemd." In mijn bewoordingen is dat een
leesdoel. Er zijn veel verschillende doelen. Leerlingen lezen:
- Om de geschiktheid van een tekst te bepalen: past het tekstonderwerp bij
mijn leesbehoefte?
- Om een globaal overzicht te krijgen van de inhoud: waar gaat deze tekst
over?  
- Om iets te weten te komen, mezelf te informeren: wat biedt deze tekst mij?

- Om te leren van een tekst: wat kan ik leren van deze tekst?
- Om zichzelf te vermaken.
Ik onderscheid overigens vijftien leesdoelen.

Ik vind het belangrijk dat we leerlingen leren nadenken over het leesdoel.
Waarom lees ik nu? Omdat de juf het opdraagt (extrinsieke motivatie) of
omdat ik een behoefte heb die ik met het lezen van een tekst kan vervullen?
Dit betekent in je aanpak dat je situaties gaat creëren waarin kinderen
intrinsieke leesdoelen hebben. Dat vraagt vaak wat aanpassing van
methodegebonden lessen, maar levert meer betrokkenheid en betekenisvolheid
op.  

Bij elk leesdoel hoort een leesmanier. Als ik als doel heb om de
geschiktheid van een tekst te bepalen, dan ga ik 'oriënterend lezen'. Als ik
lees om een globaal overzicht te krijgen van de inhoud, dan lees ik
'globaal'. Lees ik om mezelf te vermaken, dan gebruik ik de leesmanier
'diverterend lezen'.
Omdat er bij elk leesdoel een leesmanier hoort, onderscheid ik ook 15
leesmanieren. In mijn bewoordingen zijn scannend, studerend, kritisch lezen,
globaal lezen en intensief lezen dus allemaal leesmanieren: manieren van
lezen om een bepaald leesdoel te volbrengen.

Terecht voel je dus aan dat globaal lezen eigenlijk geen leesstrategie is.

Vervolgens kun je jezelf afvragen: welke cruciale leesvaardigheden heb ik nu
nodig bij het diverterend lezen, bij het intensief lezen, bij het globaal
lezen (enz.) waarmee ik mijn leesdoel(en) kan bereiken? Dan kom ik bij de
leesvaardigheden. Voorbeelden van leesvaardigheden zijn: hoofd- en bijzaken
onderscheiden, de hoofdgedachte achterhalen, het onderwerp vaststellen,
inferenties doorzien, verwijsrelaties begrijpen, enz. Deze vaardigheden heb
je niet bij elke leesmanier nodig. Elke leesmanier kent een unieke set van
leesvaardigheden. En natuurlijk is er overlap.

Ten slotte denk je als docent na over de vraag: hoe leer ik kinderen nu deze
leesvaardigheden? En dan kom ik bij de leesstrategieën. In mijn nascholing
leer ik leerkrachten om vanuit dit analytische model na te denken over de
vragen: waar gaat het nu precies om bij het lezen? Welke vaardigheden wil ik
kinderen leren? Hoe doe ik dat; welke strategieën kan ik aanbieden om deze
vaardigheden te leren?

Enfin, genoeg over DMVS. Het is slechts mijn inkleuring van een veel
besproken maar toch nog onduidelijk gebied: leesstrategieën.  

Terug naar je vraag.
De leesmanieren die je aanhaalt, zijn zeker niet verkeerd! Vraag jezelf
telkens af: welk(e) leesdoel(en) bereik ik met deze manier van lezen? En
welke leesdoelen blijven dan liggen? Hoe ga ik aan deze leesdoelen aandacht
besteden?
En daarna komt de vraag: als ik leerlingen studerend lezen wil leren, welke
leesvaardigheden hebben ze dan daarvoor nodig? En met welke strategieën leer
ik ze deze vaardigheden?

Zelfs als je de leerlingen niets bij zou brengen over leesstrategieën,
missen zij niets ... !
Het is veel zinvoller hun handreikingen te bieden voor goed en snel globaal
lezen (hoe vind je wat je zoekt / hoe kies je goede zoekwoorden op internet
/ hoe moet je lezen als je snel de waarde van de inhoud wil bepalen) en
studerend lezen (hoofd- en bijzaken / aantekeningen maken / kritische
kanttekeningen plaatsen). De theorie over andere leesmanieren is volslagen
overbodige ballast.

Ik ben het helemaal met je eens, alle strategieën in de methode zijn heel onoverzichtelijk. Ik geef ook les aan de bovenbouw van het vmbo en wij hebben dit jaar voor het eerst een examenklas. In de examenbundel komt alleen globaal, zoekend en intensief lezen voor (in ieder geval voor BBL/KBL).
Dus ik concentreer me daar maar op omdat die strategieën ook op het examen gebruikt worden. Bovendien is intensief dan weer hetzelfde als grondig, wat het helemaal verwarrend maakt voor de leerlingen.

Ben ook een Pauline die blz. geeft op vmbo onderbouw met Nieuwsbegrip.
Volgens mij is het belangrijkste dat ll. voor het lezen zich bedenken met welk doel ze een bepaalde tekst lezen en daar hun strategie bij aanpassen.
Hangt dus van de vraagstelling af.

Bij de meeste schoolteksten is intensief lezen/grondig lezen (weer een term) nodig, omdat ze vragen bij de tekst moeten kunnen beantwoorden.

Het verschil met studerend lezen is volgens mij dat dat meer bij leerteksten hoort. Dus samenvattingen maken, mindmaps maken, onderstrepen, steekwoorden eruit halen etc. met als doel te begrijpen en te onthouden voor een toets.(bijv. bij Biologie of Geschiedenis)

Scannend lezen klinkt als zoekend lezen dus meer op zoek naar cijfers of woorden.

 Ik zelf zou kiezen voor: zoekend/scannend lezen
                                  globaal/doorlezen
                                  intensief/goed lezen
                                  studerend lezen

Volgens mij geef je een mooi overzicht van drie manieren waarop vmbo-leerlingen - afhankelijk van hun doel met een tekst - kunnen lezen. Daar lijkt mij niets mis mee.

Wat ik wel jammer vind, is dat je deze manieren 'leesstrategieën' noemt. Volgens mij help je vmbo-leerlingen ermee door te zeggen dat je een tekst met verschillende doelen kunt lezen en dat je daar verschillende manieren voor hebt: studerend, scannend en ter ontspanning. Als eenmaal een manier (of een doel) gekozen is, zou het goed zijn dat de leerlingen een gereedschapskist aan leesstrategieën bij zich hebben waarmee ze vervolgens dat doel kunnen bereiken. Als je een tekst wilt lezen om te studeren, kun je een aantal strategieën inzetten om de tekst die je wilt bestuderen goed te begrijpen. Denk aan het herkennen van de structuur van een tekst, het letten op belangrijke inhoudswoorden etc. Ik denk dat leerlingen wel iets missen als je niets vertelt over dit onderscheid: tussen de leesmanieren (en doelen) en de leesstrategieën.

Wij gebruiken op Helen Parkhurst de volgende leesmethoden:

Verkennend lezen: titel, illustratie, vetgedrukte tekst en tussenkopjes
lezen en zo bepaal je snel of je tekst bruikbaar is of niet.

Globaal lezen: vaststellen tekstsoort, onderwerp en hoofdgedachte bepalen,
tekstindeling duidelijk....

Precies lezen: alles weten, moeilijke woorden begrijpen en hoofd- en
bijzaken kunnen onderscheiden.

Ik denk dat je gelijk hebt. Beter minder aanbieden en meer begrip dan veel onbegrijpelijke stof aanbieden. Intensief lezen zou ik erin houden. Eventueel een andere naam geven. Want: intensief lezen houdt in dat je de strekking van het verhaal kunt navertellen. En scannend lezen zou ik toch "zoekend lezen" noemen en leuk lezen: "lezen voor je plezier".

Tekstaanpak houdt in dat je de tekst altijd eerst "van de buitenkant bekijkt". Wat zie ik? Plaatjes, kop, tussentitels, inleiding? Wat weet ik daar al van? Waar denk ik dat de tekst over zal gaan? Dan pas lezen. Een stappenplan woordenschat gaat dan ook in zijn werk.. Deze strategie valt niet te vatten in uitleg in een methode. Dat moet je mondeling, samen doen. Soms niet te doen ook..
Er is en blijft werk aan de winkel!

Leuk lezen??
Dat woord is taboe bij Nederlands. Wat is leuk?
Je bedoelt amuserend lezen?

Ik heb mijn leerlingen in twee- en drietallen een tekst laten doen. Eén mag de tekst lezen. De ander/anderen stelt/stellen de vragen.
De leerlingen moesten van te voren aanwijzingen geven aan de lezer. Zoals: "Lees globaal. Beantwoord nu deze vragen. Lees nu de hele tekst intensief. Lees nog eens zin drie van alinea zes. Waarnaar verwijst 'die'?"
Het lijkt heel zinloos, maar heeft mijn klas echt goed leren lezen. Opeens bleek dat ze best veel hadden onthouden van de stof die ze nooit zo boeiend vonden. Ook letten ze goed op of het antwoord wel bij de vraag past (ik vroeg om een voorbeeld/ik wil drie antwoorden hebben, enz).
In de volgende les draaiden we de rollen om.

***

Stel dat we dit pakketje ideeën voorschotelen aan studenten Nederlands hoger onderwijs in de lerarenopleiding. Wat vangen we er dan mee aan? Samenvatten. De relevante ideeën daaruit lichten? Ons een mening daarover vormen? Een gesprek daarover voeren? Tot een conclusie komen over het gebruik van leesstrategieën bij lezen?

G.D.


Nederlandse taal wordt verankerd in Grondwet

Persbericht | 03-09-2010

 

De Nederlandse taal wordt in de Grondwet verankerd. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van minister Hirsch Ballin van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, mede namens minister-president Balkenende en minister Rouvoet van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de Grondwet wordt vastgelegd dat het Nederlands de officiële taal is van ons land en dat de overheid het gebruik van het Nederlands bevordert. Ook over het Fries wordt een bepaling opgenomen in de Grondwet.
Het Nederlands is de officiële en voor alle Nederlanders gemeenschappelijke taal. Het voorstel tot wijziging van de Grondwet moet waarborgen dat men in Nederland te allen tijde met de Nederlandse taal terecht kan in het verkeer met de overheid. De bepaling in de Grondwet over de Friese taal waarborgt de wettelijke positie die het Fries nu al heeft. 

Uitgangspunt voor het kabinet is dat de hoofdtaal van Nederland het Nederlands is. Daarnaast kunnen andere talen een gewaarborgde positie in de wet hebben, zoals het Fries. Tevens is een wettelijke regeling in voorbereiding voor het gebruik van het Papiaments op Bonaire en het Engels op Sint Eustatius en Saba.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel en het advies van de Raad van State in te dienen bij de Tweede Kamer.

***

Raad van State tegen Nederlands in grondwet

(Novum) - De Raad van State ziet weinig in het kabinetsvoornemen om in de grondwet vast te leggen dat het Nederlands de officiële taal in het land is. Er zijn geen dringende redenen voor en het past ook niet bij het 'sobere karakter' van de grondwet, blijkt uit een woensdag gepubliceerd advies van het hoogste adviesorgaan van de regering.
Het kabinet wil met de nieuwe bepaling in de grondwet zeker stellen 'dat men in Nederland te allen tijde met de Nederlandse taal terechtkan'. Ook het Fries als officiële taal in de provincie Friesland zou in de grondwet moeten worden vastgelegd.
De Raad van State wijst erop dat het 'niet ter discussie staat' dat de taal van Nederland het Nederlands is. Daarom zijn er 'geen klemmende redenen' om een zogeheten algemene taalbepaling in de grondwet op te nemen. Het vastleggen van de officiële taal in Nederland kan daarnaast ook met een normale wet worden geregeld, daar is geen grondwetswijziging voor nodig.

Het adviescollege vindt verder dat het recht op het gebruik van de Nederlandse taal door burgers wanneer zij met de overheid van doen hebben niet kan worden geschaard onder de klassieke grondrechten. "Klassieke grondrechten kennen een lange wordingsgeschiedenis en hebben betrekking op fundamentele vrijheden van burgers tegenover de overheid. De voorgestelde bepaling over het Nederlands als de officiële taal in Nederland past niet in deze karakteristiek."

En als het kabinet het Fries wil vastleggen als officiële taal, dan moet dat ook gebeuren voor het Engels en het Papiaments. De overzeese eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba, waar deze talen worden gesproken, zijn vanaf volgende maand namelijk Nederlandse gemeenten, redeneert de Raad van State.

Het kabinet wil tenslotte een 'zorgplicht' voor de overheid opnemen in de grondwet, om zo het gebruik van het Nederlands te bevorderen. Ook dat wijst de Raad van State af. Gezien het 'sobere karakter' van de grondwet, is er 'geen noodzaak' om deze zorgplicht er in op te nemen.

De regering blijft echter overtuigd van de noodzaak om het Nederlands te verankeren in de grondwet, blijkt uit een reactie op het advies van de Raad van State. Het wetsvoorstel wordt dan ook gewoon ingediend. Wel neemt het kabinet de suggestie over om ook het Engels en Papiamento te verankeren in de grondwet. Dat zal overigens alleen gelden voor de 'niet-Europese delen' van Nederland: Bonaire, St. Eustatius en Saba dus.

Trouw.nl

De verankering van het Nederlands in de grondwet in Nederland is een belangrijk feit. Het verleent de taal van de Nederlanders de status van officiële taal en het geeft waarborgen voor het taalgebruik dat elke persoon binnen het rijk zich in het Nederlands kan richten tot de overheden des lands.

Het NDN waardeert de inspanningen die al jaren werden geleverd om tot dit heuglijk gebeuren te komen, looft de inspanningen van het Algemeen Nederlands Verbond ter zake en prijst prof. dr. Els Ruijsendaal als voortrekker in die actie.

In het decreet van 10 december 1973 (verschenen in het Belgisch Staatsblad van 10 april 1974), wordt gesteld dat de taal van Vlaanderen het Nederlands is.



Norm voor gesproken taal !?
Dr. Jo Daan

Zij was vele jaren de onvolprezen dialectologe van het P.J. Meertens Instituut in Amsterdam.

 

"... Naast deze geschreven norm is er ook een gesproken norm, die echter meer variatie vertoont. Het is vreemd dat voor het onderwijs daarvoor geen strenge normen gesteld worden.

Er zijn weinig linguïstische verschijnselen die niet uit een sociolinguïstisch oogpunt bestudeerd en verklaard kunnen worden. Woordkeuze, articulatie, intonatie, grammaticale verschijnselen, zoals b.v. gemeentes naast gemeenten, alles kan afhankelijk zijn van moedertaal, geslacht, taalvariant, herkomst (regionaal, sociaal). Het verminderen van deze verschillen in een taal die als standaard kan dienen, is niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk en nodig. Het vaststellen van de norm en de bandbreedte, het onderwijzen ervan, het verplichten daartoe (altijd met de genoemde bandbreedte), het is alles sociolinguïstiek. Maar tot de erkenning dat dit niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk is, is men nog onvoldoende gekomen.

Rapportcijfers geven voor ‘uitspraak’ zou veel oplossen, want daardoor zou de aandacht meer op de uitspraakverschillen gevestigd worden.

De doorsnee Hollander is zelden bereid te proberen een streektaal te verstaan, ook al woont hij jaren in het gebied waar die gesproken wordt. Hij kent alleen de standaardvariant van het Nederlands, verlangt van de streektaalspreker standaard-Nederlands en is vaak niet bereid zich, passief, enigszins te integreren. Voor de moeilijkheden van de streektaalsprekers met het Nederlands is vaak minder begrip dan voor die van allochtone kinderen die op school Nederlands moeten leren, maar thuis en/of van hun vriendjes en vriendinnetjes hun thuistaal blijven horen, juist in de taalgevoelige leeftijd. Voor de laatsten zijn de problemen inderdaad groter doordat de verschillen tussen de eerste en de tweede taal groter zijn, maar problemen voor de eerstgenoemden zijn er ook wel.

Het ontbreken van een standaard-uitspraaknorm heeft zijn bezwaren, doordat de gesproken taal beïnvloed wordt via radio en televisie. De vroegere norm, de taal en uitspraak van de ‘betere standen’, van nieuwslezers, sprekers in het openbaar als kamerleden, hoogleraren, predikanten enz. is niet geheel zonder invloed, maar er zijn andere normen naast gekomen, die gebruikt worden als ‘groepskenmerken’. Een probleem daarbij is dat het verschil tussen deze groepsnormen niet of onvoldoende gehoord wordt, zowel door de spreker zelf als door degenen die het zouden moeten horen, maar klaarblijkelijk niet kunnen.


Hoe is het nu?

In het voorgaande is geprobeerd een indruk te geven van de veranderingen in waardering, erkenning en regeling van de standaardtaal. Maar hoe is het nu gesteld met de verstaanbaarheid en de bereidheid elkaar tegemoet te komen? Voordat maatregelen, met betrekking tot die verstaanbaarheid, voor de toekomst genomen worden -met name het vaststellen van regels voor de uitspraak -. is het wenselijk de mogelijke aanvaarding daarvan te kennen. Er zijn in de loop van de laatste decennia verscheidene onderzoekingen gedaan, met weinig, te weinig taalvarianten en te weinig beoordelaars. Streektaalsprekers verzetten zich meer en meer tegen de pogingen tot egalisering - dat is overheersend gebruik van de standaardtaal - vooral in omstandigheden waarin dat niet nodig is.  …


Voorjaar 2002
Jo Daan
http://www.meertens.knaw.nl/jo_daan/

Op 11 juni 2006 is in Deventer de taalkundige dr. Jo Daan overleden. Daan gold als het boegbeeld van de Nederlandse dialectologie.
Tot haar pensioen in 1975 was zij hoofd van de afdeling Dialectologie van het P.J. Meertens Instituut, bij lezers van Voskuil beter bekend als Het Bureau. ,,Tot aan haar dood’’, schrijft het Meertens Instituut, ,,was Daan nauw betrokken bij de dialectologie […].

    Nederlands in België
     
    Een eenvoudig overzichtsartikel daarover vindt u onder

http://issel.wikia.com/wiki/Nederlands_in_Belgi%C3%AB


   
    TAALBELEID

EEN GETUIGENIS VANOP DE WERKVLOER
     
   

VAN ELKE LEERKRACHT WORDT TERECHT VERWACHT DAT HIJ /ZIJ EEN BEKWAME LESGEVER / LESGEEFSTER EN OPVOEDER / OPVOEDSTER IS.  HOE KAN HET DAN DAT VELEN DE STANDAARDTAAL NIET WILLEN OF NIET KUNNEN HANTEREN?

● K.T.  (samenstelling)

Zoals wij allemaal weten, is taalbeleid een heel breed begrip waarover al heel wat publicaties verschenen zijn. In dit artikel mag je geen didactische theorieën verwachten, maar wel een persoonlijke visie en een bundeling van algemene ervaringen op de industrieel-technische school waar ik als taalleraar lesgeef. Hierbij focus ik mij vooral op de spreektaal.

Een theoretisch actieplan, zowel op korte als op lange termijn, zal elke school nu toch al uitgeschreven hebben. Veel belangrijker om weten is echter hoe die papieren intentieverklaring in de praktijk wordt toegepast.

Toen ik informeerde naar een officieel document met daar onze schoolvisie op taalbeleid, kreeg ik van de verantwoordelijken tot mijn grote verbazing te horen dat ze nog bezig waren met het ontwerp ervan. Vanzelfsprekend wordt er bij de personeelsleden wel gehamerd op correct mondeling en schriftelijk taalgebruik, maar op de werkvloer merken we daarvan te weinig. Ook van controle, feedback of eventuele workshops en sensibilisering is er nauwelijks sprake. Op een andere technische school werden de actieplanbundels aan de leerkrachten gegeven, maar was het duidelijk dat die door bepaalden zelfs niet eens werden gelezen.

Geen taalbeleid over alle vakken heen dus of een beleid zonder opvolging. Wat zijn de gevolgen hiervan? Wat zijn mijn ervaringen met spreektaal op school?

Het spreekt voor zich dat de taalleerkrachten op taalvlak een voorbeeldfunctie vervullen. Ze ondervinden, met enkele andere collega’s algemene vakken, te weinig begrip en steun.

Vooral praktijkleerkrachten bezondigen zich maar al te vaak aan het gebruik van tussentaal of zelfs plat dialect. Het moet gezegd: soms werkt dit voor onze leerlingen drempelverlagend, waardoor ze zich mee op hun gemak voelen op school. Bovendien zullen ze later in hun job ook met veel dialectsprekenden in contact komen. Dit taalgebruik tijdens de les kan dan wel sympathiek ogen, toch is het een aanpak die in een schoolomgeving onduldbaar is.

In het laatste jaar van zowel het tso als het bso is de verdediging van de geïntegreerde proef (GIP) een vast onderdeel van het leerproces. Verschillende personen zijn hierbij betrokken: praktijkleerkrachten, taalleerkrachten, externen… Taalleerkrachten bereiden de leerlingen zo goed mogelijk op deze uitdaging voor en wijzen voortdurend op het belang van verzorgde taal.
Tijdens de presentatie van de GIP worden deze leerlingen echter meer dan eens ondergedompeld in een dialectisch taalbad van vragen. Vooral bij de externe juryleden wordt vaak een verkeerde taalhouding geconstateerd. Daardoor wordt de indruk dat goede taalbeheersing overbodig is, bij onze leerlingen versterkt.

Bewustmaking en een taalbeleid dat aangepast is aan de noden van de school, zijn dus een must. Ik besef wel dat dit kan botsen op protest van collega’s die zich ergeren aan het betweterige, beledigende gedrag van de taalleerkrachten.

Vooral de laatste jaren stellen wij steeds duidelijker vast hoe slordige spreektaal en dialectklanken de schrijftaal vernietigen. Werkwoordsfouten zijn een oud zeer, het verschil tussen ‘ei’ en ‘ij’ krijgen leerlingen evenmin onder de knie. ‘Lucht’ schrijven ze bv. in plaats van ‘licht’ omdat het zo uitgesproken wordt, dan is er toch een niet te ontkennen structureel probleem!

Wat onze school betreft is de kloof tussen de theorie en een concreet beleid / praktische toepassing nog bijzonder groot. Van elke leerkracht wordt terecht verwacht dat hij een bekwame lesgever en opvoeder is. Hoe kan het dan dat velen de standaardtaal niet willen of niet kunnen hanteren? Ook vlot en verzorgd communiceren, zowel in de moedertaal als in de vreemde talen, is een niet te onderschatten troef op de arbeidsmarkt. Hopelijk is het niet zo dat de aandacht voor taalbeleid vermindert zodra de druk van een schooldoorlichting wegvalt!

DE TEKST IS SAMENGESTELD
DOOR DRIE LERAREN
UIT DRIE VERSCHILLENDE SCHOLEN

Uit: VVL – Ideeën 42/1 – TAALBELEID – Vereniging Vlaamse Leerkrachten – september – oktober – november 2010 blz. 15.  [Overgenomen met toestemming van de redactie van VVL-Ideeën]

 

   
    Rudi Vranckx spreekt Vlaams ...
     
   

"

  • daar zal het minst gemakkelijk ne kogel doorkomen
  • daar moete zitten
  • als die aan diê kant van den auto zitten
  • we gaan der van uit da' ge bij de zjuste zit
  • we zijn al in Irak rondgetrokken meh een valies meh droge koekskes
  • dan was 'em beter doorgegaan meh' z'n oorlogsverslaggeving
  • dees was een goed alternatief

"
één, De Laatste Show, 22 september 2010
Rudi Vranckx, journalist en oorlogsverslaggever, komt uit Brabant.

Bron: http://www.vlaamsetaal.be/citaat/84

Over de toekomst v/h Vlaams... ouders die AN klappen tegen hun kinderen

Robin

                                                               17 augustus 2010, 15:38

Gelijk dat de meesten wel al zullen gemerkt hebben, worden ons Vlaams en zijn dialecten bedreigd door d' ouders die AN (proberen te) klappen tegen hun kinderen (en da zijn er veel tegenwoordig).
Ik wou ten eersten is horen hoe da gelle daar over denkt.
Ik denk altijd "Godverdomme! Terug dad onnozel Hollands! Spreekt is Vlaams tegen uw kinderen!" als ik weer is een moeder of ne vader AN hoor klappen..

Ik was aant denken.. Misschien kunnen we actie ondernemen.
Dus mijn tweede vraag is, hoe kunnen we ouders doen beseffen wa ze hun kinderen "aandoen" en hun overtuigen van Vlaamser te klappen?
We kunnen misschien een folderke maken me "overtuigenden uitleg" en da emailen, uitdelen, of weet-ik-veel..

We kunnen dan ook verwijzen naar bv. vlaamsetaal.be/toekomst ofzo waar dad alles duidelijk/overtuigend staad uitgelegd.

Nog enkele vaststellingen die ik wil meedelen:
* Veel mensen (ni allemaal) hebben de neiging om hun taal aan te passen aan de taal v/h kind: als iemand praat tegen een kind da me 'jij' opgevoed word, gaat dieje persoon ook 'jij' zeggen
* Mensen die al kinderen opgevoed hebben (in 't Vlaams) hebben de neiging om nog altijd Vlaams te klappen tegen babys (die nog nie kunnen spreken), maar de vorige vaststelling geld ook voor hun: veel mensen zeggen 'jij' tegen 'jij'-sprekende kinderen
* Ouders die Vlaams klappen tegen hun kinderen zijn over 't algemeen slechtere opvoeders (kan toeval zijn, maar tot nu toe is da zo opgevallen). AN-ouders daarentegen willen heel goed zorgen voor hun kinderen.

Ik denk da we de gedachte da AN goe is voor hun toekomst der uit moeten krijgen...

Wa denkte gelle? De toekomst ziet er alleszins ni zo goed uit voor 't Vlaams!


Bron: http://www.vlaamsetaal.be/forum/topic/273

Redactie

Is dat nu om te huilen of om te lachen? Laten we er maar om lachen, even maar…
Wie alles wil weten van het onverdroten streven van Filip Camerman (Krommenaas) en gelijkgezinden naar de standaardisering van ‘het Vlaams’ vindt enorm veel informatie op de webstek http://www.vlaamsetaal.be/ 

Laten we het in het ‘Netwerk Didactiek Nederlands’ toch maar houden bij het Nederlands, ook het  volwaardig en aanvaardbaar gesproken Nederlands in het onderwijs. Het onderwijs biedt een unieke gelegenheid om het Nederlands zo goed mogelijk te leren beheersen, om weerbaar te kunnen  zijn in zo vele taalgebruikssituaties in ons gezamenlijk taalgebied. Dat de leerlingen die kans toch grijpen! Dat leraren dat toch beseffen! Het Nederlands is de gebruikstaal van Vlamingen en Nederlanders. Zo denkt de Nederlandse Taalunie toch ook? “Binnen de Nederlandse Taalunie werken Nederland, Vlaanderen en Suriname samen aan de Nederlandse taal.” Zo denkt de Vlaamse onderwijsminister toch ook? (mededeling 26 sept. 2010).

   
   

Artikels die het actuele taalprobleem stellen in Vlaanderen

     
   

De toekomst van het Nederlands in Vlaanderen, Jan Goossens,
Ons Erfdeel, Jg. 43 – nr. 1 – jan.-febr.-maart 2001 blz. 3-13

In dit artikel beantwoordt de auteur de redactionele vragen:
‘Bevordert de verzelfstandiging van Vlaanderen het streven naar een eigen taalnorm, afwijkend van de Nederlandse? Is dit de goede weg?’

In het derde laatste onderdeel van zijn artikel “Reservaat” geeft de auteur het antwoord. ‘Mijn antwoord luidt: neen. Ik vind dat Vlaanderen geen behoefte heeft aan twee talen, een die Nederlands is voor officiële en formele gelegenheden, en een die dat niet is, voor alledag. Zo'n situatie verleent aan Vlaanderen in het huidige Europa de status van een reservaat, en - wat tegenwoordig gebeurt - het ijveren voor de continuering ervan versterkt die status.’ In het voorlaatste onderdeel ‘Een taal zonder streven’ voegt hij eraan toe: ‘Ik vind ten tweede dat Vlaanderen geen behoefte heeft aan een omgangstaal die geen cultuurtaal is.’ In het slotgedeelte ‘Een taalpolitieke keuze’ besluit hij: ‘Maar of Vlaanderen aan die taal nu behoefte heeft of niet, ze is er, consolideert zich en wordt door steeds meer mensen in steeds meer situaties gesproken. Dat betekent dat mijn antwoord op de tweede vraag een derde vraag oproept, die ik hier niet meer zal beantwoorden: Wat doen we eraan? Anders geformuleerd: Hoe kunnen we bereiken dat de omgangstaal in Vlaanderen een gevarieerd Nederlands wordt in plaats van Schoon-Vlaams?  Dat is een vraag naar taalpolitieke en taalpedagogische strategieën, een terrein waarover door voorstanders van het hier verdedigde standpunt veel te weinig is nagedacht. Het lijkt mij een centrale taak van een doordachte Vlaamse cultuurpolitiek, op dit gebied actief te worden.’



Prof. em. dr. Jan Goossens is een eminent Vlaams taalkundige. Hij kreeg op vrijdag 8 oktober 2010 in het Provinciehuis in Hasselt van het Algemeen Nederlands Verbond de Visser-Neerlandiaprijs 2010 voor zijn grote verdiensten op taalwetenschappelijk gebied. Hij bevestigde in zijn dankwoord na zowat 10 jaar het standpunt dat hij hierboven zo duidelijk verwoordt: in Vlaanderen is er buiten het Standaardnederlands geen behoefte aan een andere taal.





Een zondagspak? Het Nederlands in Vlaanderen: gedrag, beleid, attitudes
, Dirk Geeraerts, Ons Erfdeel, Jg. 44 – 2001 blz. 337-344

Op taalgedrag, taalbeleid en taalattitudes bouwt de schrijver zijn behartenswaardig artikel op.

Hij besluit:
Zichzelf is men (met tussentaal) integendeel wel op een flinke afstand van die officiële taal en die officiële rol. Daarmee wordt die officiële norm overigens niet afgewezen. Men
accepteert integendeel het bestaan van een formele norm, en ziet die ook het liefst
bewaakt worden door een klasse van professionele normkenners (neerlandici op het
laagste echelon, daarboven de redactie van de Grote Van Dale en andere
woordenboekmakers, de redacteuren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, de
Taalunie). Maar zelf houdt men zich in het eigen gedrag gemakshalve op een soepele
afstand van die norm, behalve dan wellicht in de meest formele omstandigheden. Deze
normopvatting kan men een “zondagse-pakmentaliteit” noemen: zoals een zondags pak
is de hoogste taalnorm iets waarvan de noodzaak buiten kijf staat, maar je er echt goed
in voelen doe je niet. Als de Vlaamse taalgemeenschap haar eigen taal attitudineel
inderdaad met zo'n zondagse-pakmentaliteit benadert, zal de afstand tussen soap-Vlaams en VRT-Nederlands niet makkelijk afnemen.’

Van het Nederlands weg? De omgangstaal in Vlaanderen, José Cajot, Ons Erfdeel Jg. 2010/1 blz. 14-25

Kernidee m.b.t. een toekomstperspectief is
DE TAALWIL VAN DE VLAMINGEN (en DE NEDERLANDERS)

‘Een tweede cruciale vraag luidt: willen de Nederlanders en de Vlamingen nog dezelfde
taal spreken? Natuurlijk mag er verscheidenheid bestaan, maar wil er sprake zijn
van één taal, dan moeten de taalgebruikers, ten eerste, voor elkaar verstaanbaar willen
en kunnen zijn waar het verwacht of nodig geacht wordt, en ten tweede, ontvankelijk
zijn voor elkaars variatie (het “wat andere” taalgebruik van de andere).’

Hij besluit:
Zolang het zuidelijke Journaalnederlands en de beschaafde standaard van Nederland
zich met elkaar kunnen vereenzelvigen, blijft voor het formele taalgebruik een
soort gemeenschappelijke norm overeind. Maar op dit moment verliezen beide varianten functies. In Vlaanderen gaat de winst naar een eigen omgangstaal die zich niet aan het Noorden wenst te spiegelen, en ook het gezag van het Journaalnederlands is niet meer vanzelfsprekend. In Nederland blijft de invloed van het Noordwesten onaangetast, maar krijgen informele registers meer ruimte.
De verhouding tussen Noord en Zuid wordt tegenwoordig gekenmerkt door te
weinig contact en aanvaarding enerzijds, en te veel irritatie, zelfs aversie, anderzijds.
Als die mentaliteit niet verandert, krijgt het nieuwe Vlaanderen, dat in het zuiden een
taalgrens heeft die steeds meer staatsgrens wordt, straks in het noorden een staatsgrens die taalgrens wordt. Ik betreur die ontwikkeling zeer. Het is tijd voor de overheden van Nederland en Vlaanderen om via de Nederlandse Taalunie werk te maken van een actieve taalculturele toenaderingspolitiek.’

Belgisch-Nederlands sociolinguïstisch benaderd, Dirk Geeraerts, Colloquium
BELGISCH-NEDERLANDS IN HET SPANNINGSVELD TUSSEN
VERKAVELINGSVLAAMS EN STANDAARDTAAL 29 april 2010
Persoonlijk rapport…
blz. 5-8

Uit zijn gedegen wetenschappelijke uiteenzetting concludeert Dirk Geeraerts als volgt:

Tussentaal is informeel Belgisch Nederlands, met eigenschappen die specifiek zijn voor de Vlaamse situatie. Dus wat als specifiek bestudeerd, verklaard en geëvalueerd moet worden is de bijna diglossische afstand tussen tussentaal en Algemeen Belgisch Nederlands.

In het bijzonder rijst de vraag of die afstand hinderlijk is voor de verwerving van  standaardtaligheid (en van internationale meertalige competentie).

We vergelijken dan vier vormen van taalgebruik: Engels e.a.,  Algemeen Belgisch Nederlands, informeel Belgisch Nederlands en dialect. Er blijkt een lichte toename van de vreemdtaligheid (Engels e.a.), een ruime toename van het Algemeen Belgisch Nederlands, een toch wat aanzienlijke afname van het informeel Belgisch Nederlands en een heel duidelijke vermindering van het dialectgebruik.

De centrale slotvraag die prof. Geeraerts oproept is dan:
evolueren we naar een linguïstische "wijk en wereld"-situatie,

of zullen we "Vlamingen zijn om Europeeërs te worden" ?

***

Enkele persoonlijke bedenkingen van uw redacteur

Sinds geruime tijd is de variatieproblematiek voorwerp van mijn steeds verscherpende aandacht. Mijn gevoelen bij het overlopen van de artikels rond die thematiek is dat de auteurs heel sterk de manifestatie van de tussentaal aan de orde stellen en daarbij de indruk wekken dat er in Vlaanderen nog bijna enkel ‘verkavelingsvlaams’ wordt gesproken. Zonder blikken of blozen schrijven zij in veralgemenende zin.

Persoonlijk ervaar ik uit nogal wat permanente attentie en opmerkzaamheid van het taalgebruik waarmee ik bijna dagelijks word geconfronteerd, dat er in Vlaanderen toch heel wat Algemeen Belgisch Nederlands dat heel dicht staat bij het Nederlands Nederlands, wordt gesproken. Het voorkomen van de tussentaal wordt ook nergens binnen een geografisch perspectief benaderd. De omgangstaal in Limburg is allesbehalve Brabants-Antwerps georiënteerd en staat bijzonder dicht bij het Standaardnederlands. Ook is het bijzonder moeilijk de grens te trekken tussen een bedoelde algemene omgangstaal en wat als tussentaal wordt beschouwd. Ik denk dat er veel meer algemene omgangstaal wordt gehanteerd dan de informele taalvorm van de tussentaal. Met mijn Standaardnederlands kom ikzelf in heel Vlaanderen en in heel Nederland zonder enige moeite of hinder volkomen terecht. Het is mijn gewone natuurlijke taalgebruiksvorm.

Zonder dat de auteurs zich al te bemoeizuchtig of bedillerig willen opstellen, blijkt toch dat er een zekere bezorgdheid merkbaar is voor de ontwikkeling van de gesproken taal in Vlaanderen. Daarbij wijzen ze wel niet nadrukkelijk maar toch voelbaar naar de noodwendigheid om vanuit de verantwoordelijke instanties een doordachte en kordate taalbeleidspolitiek te voeren ten voordele van de beheersing van het Algemeen Nederlands. De Taalunie, de onderwijsinstanties, het Vlaamse cultuurministerie dragen daarin een bijna onontkoombare en nadrukkelijke verantwoordelijkheid. Reflectie over taalpolitieke en taalpedagogische strategieën moet voeren tot een haalbaar en concretiseerbaar taalbeleid. De leerlingen in onze scholen moeten tijdens hun schoolcarrière alle volle kansen krijgen om zich het Nederlands eigen te maken, zodat zij daarmee gewapend weerbaar zijn in zoveel mogelijk taalgebruikssituaties. Wij respecteren het gebruik van tussentaal in de Vlaamse volksmond, maar wij wijzen tussentaal beslist af voor het onderwijs. Op school spreekt en leert men Nederlands.

Ghislain Duchâteau


   
   

“In het Russisch ben ik iemand anders”
Svetlana Bolshakova, hinkstapspringster over ‘taal’

     
   

In het Russisch ben ik iemand anders” Dat gevoel heb ik soms. Laat je je taal achter, dan laat je ook een groot stuk van jezelf achter. Je bent hoe je je uitdrukt. Ik ben daar echt van geschrokken, hoe belangrijk taal is voor je persoonlijkheid. Wat ik hier bijvoorbeeld ontzettend mis, dat is humor. Voor humor moet je een taal haast perfect beheersen. Vaak heb ik tijdens een gesprek een grapje in mijn hoofd, maar krijg ik het niet vertaald. Of niet op tijd.’

‘Je moet de taal ook echt aanvoelen. Elke taal is een wereld op zich, met zijn eigen humor. In Rusland, met mijn vriendinnen, kan ik echt gieren van het lachen. Maar goed, dat komt nog wel. Mijn Nederlands wordt elke dag beter. Al koester ik het Russisch. Met mijn kinderen wil ik later zeker Russisch spreken. Hoewel. IK wou dat ook met onze hond doen, maar dat is niet gelukt. Te verwarrend. Het zal dus niet evident worden.’
p. 12.

Het interviewverslag met Svetlana Bolshakova begint als volgt:

“Ze kent het woord niet, heimwee. En dat is opvallend, want het is het enige. Vier jaar woont ze in België en ze hapert geen seconde tijdens een interview in het Nederlands. Ze begrijpt alles, elk woord. En ze antwoordt vooral met net zoveel vanzelfsprekendheid. In een eigen register wel. Haar woorden zijn Nederlands, de rest is voorlopig nog Russisch: klankkleur, ritme, intonatie en ook al eens een woordvolgorde. Indrukwekkend is het zeker wel, na amper twee jaar avondschool. Maar bij het woord heimwee kijkt Svetlana Bolshakove dus vragend op. … (Guinevere Claeys) p. 11.

De Standaard Binnenland – zat. 7 zond. 8 augustus 2010


   
   

Een betekenisvolle terugblik op het

VELON VELOV Congres 2010 8/9 maart 2010
'Opleiden voor de toekomst - Professionaliteit en identiteit in diversiteit'


     
   

Op 8 en 9 maart 2010 organiseerden de lerarenopleidingen van Interactum (Nl/Vl), Hogeschool INHOLLAND en het Onderwijscentrum VU het jaarlijkse VELON-congres. Evenals in 2009 werd het congres in samenwerking met de VELOV georganiseerd.

VELON VELOV congres 2010 presentaties nu online!

Uitwerking van het thema

Leraren hebben de taak om leerlingen dusdanig te vormen en te onderwijzen dat zij als kritische burgers in de samenleving kunnen functioneren. Die taak kan alleen dan worden uitgevoerd als leraren in staat zijn om in pedagogisch, onderwijskundig, maatschappelijk en levenbeschouwelijk opzicht keuzes te maken en vanuit die keuzes het onderwijs, ook in de toekomst, vorm te geven.
Voor opleiders van leraren betekent dit dat zij met de toekomstige leraren niet alleen het gesprek dienen aan te gaan over keuzes en de gevolgen maar ook hun studenten daarbij actief moeten begeleiden en opleiden.
Vraag waar we in dit congres bij stil willen staan is hoe we ons voorbereiden op een toekomst die we niet kennen maar waar we wel door middel van onderwijs vorm aan geven.
De binnen het hoofdthema geformuleerde deelthema’s bieden elk vanuit een eigen perspectief een blik op de verschillende manieren waarop lerarenopleiders hun vragen, dilemma’s en antwoorden voor de toekomst verwoorden en er in hun praktijk mee omgaan.
De ondertitel is het uitgangspunt voor de vier subthema’s die centraal stonden op dit congres:

  • Professionaliteit van de (toekomstige) lerarenopleider
  • Identiteit: wie zijn lerarenopleiders en wie zijn ze over 10 jaar?
  • Diversiteit in de toekomst: wat zien we aan ontwikkelingen in onze interne en externe omgeving en hoe reageren we daarop?
  • Opleidingsarrangementen met toekomst: wat wordt nu al ontwikkeld en uitgeprobeerd?

Voor een betekenisvolle terugblik hebben we uit de vele presentaties en workshops een keuze gemaakt uit de abstracts.
- Workshop 113 – Hoe ontwikkel je een leerarrangement voor startende docenten?
- Presentatie 71 – Vaktaal of je moers taal? Professionele taal als middel tot

professionalisering van studenten èn opleiders
- Workshop 47 - Een adequate voorbereiding op B-stroom en Beroepssecundair
onderwijs
- Presentatie 49 - Think M&M - Denk meertalig en multicultureel!. Een elektronische leeromgeving voor leraren-in-opleiding. Opleidingsdidactische, inhoudelijke en technologische keuzes met het oog op het maximaliseren van het leerrendement.
- Workshop 9 – Een échte leraar: valuing practice over theory
- Presentatie 34 - Twee opleidingsarrangementen rond interactievaardigheden voor taal- en
denkontwikkeling
- Presentatie 106 – De leraar als innovator en onderzoeker. De ontsluiting van
onderzoeksresultaten voor lerarenopleiders via een WIKI, genaamd CLARA
- Presentatie 95 - Reflecteren in de diepte, een haalbare kaart voor aspirant leraren?
- Seminar 59 – Vakspecifieke competenties rond taalgericht lesgeven in het voortgezet
onderwijs
- Workshop 73 - Krachtige leeromgevingen in het BSO/ MBO in de perceptie van de
lerarenopleider
- Workshop 22 – De Beginnende Lerarenopleider

- Presentatie 118 - E-portfolio voor het verwerven van onderwijscompetenties in de stage van de lerarenopleiding
- Workshop 12 - Taalbeleid OOK op de eerstegraads lerarenopleiding!

Om de teksten van de abstracts te lezen klik hier -

Alle abstracts


     
   
   

Studie toont aan dat online onderwijs beter is dan klassikaal onderwijs

Door  STEVE LOHR


     
   

Een recent rapport van 93 bladzijden over online onderwijs, uitgevoerd door  SRI International for the Department of Education, voor het onderwijsministerie in de Verenigde Staten draagt  een wat stijve academische titel, maar bevat een bijzonder boeiende conclusie. “Over het algemeen presteren studenten die online studeren beter dan die klassikaal onderwijs genieten.”

Het rapport onderzocht het vergelijkend onderzoek van online tegenover traditioneel klassikaal onderwijs van 1996 tot 2008. Een deel ervan besloeg basis- en secundair onderwijs, maar het grootste gedeelte had betrekking op vergelijkende studies op universitaire en programmas’s voor voortgezet volwassenenonderwijs van verschillende aard, van geneeskundige tot militaire opleidingen.

Over de periode van 12 jaar vond het rapport 99 studies waarin kwantitatieve vergelijkingen gemaakt werden van online en klassikale prestaties voor dezelfde cursussen. De analyse in opdracht van het Amerikaanse onderwijsministerie kwam tot de bevinding dat in het algemeen studenten die enkele of alle van de online cursussen volgden 59 % scoorden op de tests, vergeleken met de doorsnee klassikale student die 50 % scoorde. Dat is een bescheiden maar statistisch bekeken toch betekenisvol verschil.

“De grootste betekenis van de studie ligt in het aantonen dat online studeren vandaag niet enkel beter is dan niets – feitelijk blijkt dat het beter is dan conventionele instructie,” zei Barbara Means, de leidende auteur van de studie en een onderwijspsychologe van SRI International.

Dat betekent wel niet dat we afscheid nemen van het klassikale onderwijs. Het rapport wijst er evenwel op dat online onderwijs zich op grote schaal zou kunnen ontwikkelen in de komende jaren, omdat het bewijs van zijn waarde steeds maar toeneemt.

Nog niet lang geleden reikte online onderwijs nauwelijks verder dan de elektronische versies van online correspondentiecursussen. Dat is echt veranderd met de komst van webgebaseerde video, directe berichtgeving en gereedschappen tot samenwerking.

De echte belofte van online onderwijs volgens de experts is leerervaringen te voorzien die meer op maat gesneden zijn van individuele studenten dan mogelijk is in de klassen. Dat laat meer “leren door te doen” toe, wat vele studenten als uitdagender en waardevoller beschouwen.

 “We staan op een keerpunt voor online onderwijs,” zei Philip R. Regier, de deken van het online en uitgebreid campusprogramma van de Staatsuniversiteit van Arizona.

De grootste directe aangroei zal volgens de heer Regier liggen in langdurige onderwijsprogramma’s. Op dit ogenblik heeft de Staatsuniversiteit van Arizona 5.000 studenten in zijn langdurige onderwijsprogramma’s zowel in klasverband als online.
Naar zijn inschatting kan dat getal binnen de drie tot vijf jaar verdriedubbelen met nagenoeg de hele aangroei in online studies.

Maar de heer Regier meent dat online onderwijs verdere aanvallen zal ondernemen door de universitaire campussen ook te transformeren. Universiteiten en scholen op basis en middelbaar niveau gebruiken op ruime schaal leerplatformsystemen, zoals Blackboard of het openbronsysteem Moodle. Maar die dienen vooral om taken, leeslijsten en klasroosters erop te plaatsen en onderdak te verlenen aan discussieraden op het web.

De heer Regier ziet de dingen vrij vlug evolueren en dat wordt versneld door het toenemend gebruik van de technologie van sociale netwerken. Hoe langer hoe meer zullen studenten elkaar helpen en elkaar onderwijzen, stelde hij. Men kan bijvoorbeeld veronderstellen dat universiteitsstudenten de grondbeginselen van een rekenmethode kennen en de tijd die ze in de klas doorbrengen zal besteed worden aan de toepassing van de wiskunde op de echte wereldproblemen – mogelijk door de fysica te onderzoeken van de klimaatsverandering of door de tendensen aan te geven voor prijzen van goederen in stock, zei hij.

 “De technologie zal gebruikt worden om op nieuwe wijze leergemeenschappen te doen ontstaan tussen studenten”, zei de heer Regier. “De mensen hebben gelijk als ze zeggen dat online onderwijs de dingen buiten het klaslokaal zal halen. Maar ze hebben het fout voor, denk ik, als zij veronderstellen dat het het leren zal doen veranderen in een onafhankelijke persoonlijke activiteit. Leren moet plaats grijpen in een gemeenschap.”

Algemeen didactisch artikel.

Het is aan te bevelen de tekst zelf van het rapport eens door te lezen.
Klik daarvoor op
:  SRI International for the Department of Education,

(Vertaling uit het Engels Ghislain Duchâteau)

     
   
    Vertaling van knappe Zuid-Afrikaanse romans in het Nederlands
     
   

Robert Dorsman en Riet de Jong-Goossens zijn de meest eminente vertalers van Zuid-Afrikaanse literatuur in het Nederlands.
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
heeft de Martinus Nijhoff Prijs / Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor Vertalingen 2010 trouwens toegekend aan Riet de Jong-Goossens. Zij krijgt hem uitgereikt op 6 maart 2011.

Welke Zuid-Afrikaanse romans zijn ten onrechte nog niet vertaald in het Nederlands? En wat zijn de toppers onder Zuid-Afrikaanse romans die onlangs wél vertaald zijn? Boekverkoper Jan Vinck geeft het antwoord op deze twee prangende vragen.

Het lijstje vind je hier

   
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • Ghislain Duchâteau, voorzitter
  • José Vandekerchove, vicevoorzitter
  • Marc Smolenaers, secretaris
  • Rudi Wuyts, penningmeester
  • André Mottart, bestuurslid
  • Frans Zwitserlood, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

 

Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 18
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening nr. 001-1499716-75 van NDN, Wilrijk -
Voor overschrijvingen uit het buitenland IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB.

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be